Een echte dokter? - Ivan Wolffers
1 reactieIn 1976 schreef ik een brief aan de hoofdredactie van de Volkskrant met het verzoek of ik een column over geneesmiddelen mocht schrijven en stuurde twee voorbeelden mee. Misschien krijgen we dan de krant voortaan gratis, dacht ik. Een week later had ik een dagelijkse column en weer wat later gaf ik praktiseren op, omdat het te veel tijd kostte een behoorlijk stuk te schrijven. Dat was het begin van mijn carrière. Ik deed dat omdat ik mijn medische kennis wilde delen. Ik was ervan overtuigd dat een goed geïnformeerde gebruiker van de gezondheidszorg meer garantie biedt voor een goede gezondheid dan een extra cursus voor een arts. Er zijn er namelijk twee voor nodig om een behandeling te doen slagen en de belangrijkste daarvan is de patiënt. Die moet niet goed met de arts meewerken, maar de arts zou juist beter met de patiënt mee moeten werken, zodat die een grotere kans heeft gezond te blijven.
De prijs hiervoor was dat ik geen ‘echte dokter’ meer was. Ik ben de rest van mijn werkzame leven blijven schrijven en wil dat nog heel lang blijven doen, via elk medium dat maar beschikbaar is. Toen ik prostaatkanker kreeg, was het niet meer dan normaal dat ik dat wat ik ervoer en leerde ook deelde, zij het vooral om er dan niet meer over te hoeven praten.
Voor een geslaagde behandeling
zijn er twee nodig
Als ik terugkijk – iets wat je natuurlijk regelmatig doet als je ouder wordt en doorkrijgt dat je geen uitzondering zult zijn als het op doodgaan aankomt – kan ik niet zeggen of het iets heeft uitgehaald. Mensen beweren wel eens heel vriendelijk dat ik een rol heb gespeeld in het mondig worden van ‘de’ patiënt, maar er is zoveel gebeurd in de vele jaren dat ik schreef, dat het zinloos is één ding aan te wijzen. En in Zwitserland en Canada zijn ze ook mondiger geworden en daar lazen ze nooit iets van mij.
Een paar weken geleden vergezelde ik mijn vrouw naar een bijeenkomst van de Stichting Prostaatkanker Nederland waar ze een lezing gaf over wat het betekent een partner te hebben die prostaatkanker heeft. Mijn functie daar was niet veel anders dan die van haar handtas en ik was daar niet als mezelf, maar als de man van. Wel voelde ik af en toe de blikken op me gevestigd. Ik kroop een beetje in een hoekje, terwijl ik wachtte op mijn vrouw en hield de ogen omlaag gericht. Op een gegeven moment kwam er iemand voor me staan en zei dat hij me wilde bedanken voor wat ik elke week schrijf en vervolgens waren er meer mensen die op hartverwarmende wijze hun appreciatie voor mijn werk uitten. Iemand zei zelfs dat hij over me droomde na het lezen van mijn stukjes en een man en een vrouw kwamen me vertellen dat ze elke vrijdag op de bank gaan zitten met de laptop op schoot om mijn nieuwe tekst te lezen en dan samen een Ivan-Wolffers-moment hebben.
Ik krijg ook brieven en mails. Een man schreef me dat hij sinds hij mijn columns heeft ontdekt weer wat vreugde in het leven heeft. Het helpt hem om te relativeren. Ik weet niet of ik in staat ben uit te drukken hoe me dat roert. Zou ik dan hebben leren schrijven om dit te kunnen doen? Hart onder de riem, relativeren en de pijn een beetje lichter maken?
Dus toch gewoon een echte dokter.
Ivan Wolffers,
<b>Download deze column (PDF)</b>
J.D. Wuister
huisarts
Ambroise Paré (1510-1590) over de aard van het vak: La médecine c'est guerir parfois, soulager souvent, consoler toujours.
Je bent nog steeds een echte arts, ook zonder dat papiertje