Kwetsbare ouderen opsporen loont | medischcontact

Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

naar overzicht
Edith de la Fuente Felisa Kreemers Kees Grimbergen
29 januari 2014 6 minuten leestijd
ouderenzorg

Kwetsbare ouderen opsporen loont

5 reacties

De eerste lijn speelt een cruciale rol in de gezondheidszorg voor zelfstandig wonende ouderen. Onder hen zijn echter steeds meer kwetsbare ouderen. Het Rotterdamse Gezondheidscentrum Ommoord bracht deze groep met eenvoudige middelen in kaart.

Het aantal ouderen in de wijk Ommoord in Rotterdam, deelgemeente Prins Alexander, is ten opzichte van het landelijk gemiddelde groot. Dit is goed zichtbaar in de praktijkopbouw van de patiëntenpopulatie in Gezondheidscentrum Ommoord, waar tien huisartsen praktijk houden: 26,8 procent van de patiënten is 65 jaar en ouder (landelijk 15%), 14 procent is 75 jaar en ouder. Deze laatste groep bestaat uit 1676 patiënten; 45,6 procent mannen en 54,4 procent vrouwen.

Het gezondheidscentrum wilde binnen de huisartsenpraktijk in kaart brengen wie van deze ouderen kwetsbaar zijn. Kwetsbaarheid wordt hier gedefinieerd als een specifieke conditie bij ouderen met een verhoogd risico op – vooral fysiek – functieverlies en daarmee afname van de zelfredzaamheid.1

Gezien de omvang van de groep ouderen boven de 65 jaar en omdat de prevalentie van kwetsbaarheid toeneemt met de leeftijd, is besloten in eerste instantie de groep 75+ in kaart te brengen.

Meetinstrument
De medische coördinatie van het project lag bij de kaderhuisarts ouderengeneeskunde, tevens huisarts in het gezondheidscentrum. De feitelijke screening werd uitgevoerd door een verpleegkundige ouderenzorg. Uit praktisch oogpunt werd de screening gestart in twee huisartsenpraktijken; vervolgens zijn steeds twee praktijken tegelijk gescreend.

Er zijn meerdere valide methodes om kwetsbaarheid te screenen. In verband met de grootte van de doelgroep en de praktische uitvoerbaarheid, is gekozen voor de Groningen Frailty Indicator (GFI).2 Dit eenvoudige meetinstrument is betrouwbaar en valide gebleken en is al in verscheidene onderzoeken in Nederland gebruikt.3 4 De GFI bevat vijftien vragen; de maximale score is 15. Bij eerder onderzoek werd een score van < 4 als niet kwetsbaar beschouwd.5

De verpleegkundige ouderenzorg voerde de selectie uit in het huisartseninformatiesysteem Medicom en deze werd door de huisartsen gecontroleerd op van te voren vastgestelde exclusiecriteria (terminale patiënten, bekende dementie, palliatieve zorg). De verpleegkundige nam telefonisch contact op met de non-respondenten en bracht, zo nodig, een aanvullend huisbezoek.

Figuur 1. Groningen Frailty Indicator (GFI)

Beeld: Hollandse Hoogte
Beeld: Hollandse Hoogte

Drie categorieën
Van in totaal 1676 geselecteerde ouderen hebben er uiteindelijk 1614 een brief met de GFI ontvangen. Gemiddeld over de verschillende praktijken werd 70 procent van de vragenlijsten binnen twee weken ingevuld en geretourneerd. Door extra telefonische navraag en ondersteuning bij het invullen kwam de uiteindelijke respons op 1387 ofwel 86 procent.

De scores op de GFI zijn ingedeeld naar drie categorieën: < 4, 4-5 en ≥ 6, te omschrijven als niet-kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar. In aantallen waren de drie categorieën respectievelijk 800, 280 en 307. In percentages betekende dit dat 42 procent van de respondenten kwetsbaar was, van wie meer dan de helft (22% van het totaal) zeer kwetsbaar.

Figuur 1 toont de scores per vraag voor de drie categorieën. Hierin wordt duidelijk hoe er werd gescoord op de verschillende vragen en domeinen binnen de GFI. De vragen 1-4, over mobiliteit, vertonen precies de scores zoals verwacht mag worden. De mate van mobiliteit neemt af van vraag 1 (zelfstandig boodschappen doen) naar vraag 4 (zelfstandige toiletgang); vraag 1 werd dus meer met ‘ja’ beantwoord dan vraag 4.

Als de drie categorieën op basis van GFI-scores worden vergeleken, is een verandering in scores waarneembaar bij toenemende kwetsbaarheid. Bij de zeer kwetsbaren, GFI ≥ 6, werd hoger gescoord in de domeinen mobiliteit, comorbiditeit en psychosociaal.

Aanvullend onderzoek
Afhankelijk van de score kon een aanvullend onderzoek bestaan uit telefonisch verder uitvragen van de onderdelen gewicht, visus of gehoor, een Timed-Get-up-and-Go-test (TUG), een afname van de Geriatric Depression Scale (GDS-15) of de Mini-Mental State Examination (MMSE).6-8

Voor een kleine specifieke groep met multimorbiditeit en een GFI ≥ 6 werd een specialist ouderengeneeskunde geconsulteerd. De patiënten met een GFI ≥ 4 werden in een multidisciplinair overleg besproken door huisarts, verpleegkundige en kaderhuisarts. Bij 255 van de 587 personen met deze score werd aanvullend onderzoek gedaan. Op het gebied van gehoor, visus en gewicht werd 150 maal telefonisch of bij een huisbezoek aanvullende informatie ingewonnen ter verheldering van de score. In ongeveer 25 procent van de 286 verrichte aanvullende onderzoeken werd een afwijkende uitslag gevonden conform de criteria van de gebruikte instrumenten (TUG-test, MMSE, GDS-15). Dit leidde in dertig gevallen tot vervolgacties (zie figuur 2). In een aantal gevallen werd de MMSE herhaald, omdat de eerste uitslag twijfelachtig was. Er is geen aparte registratie gedaan van de aard van de ziektebeelden waarbij actie is ondernomen, noch van de effecten daarvan.

Goed hanteerbaar
De gekozen opzet van het project heeft in meerdere opzichten tot de gewenste resultaten geleid. De vragenlijst bleek goed hanteerbaar en gaf mede door de directe betrokkenheid van de huisartsen een hoge respons. De reacties van de patiënten op de huisbezoeken en telefonisch consulten door de verpleegkundige ouderenzorg naar aanleiding van de GFI-score waren positief. Aandacht is hier de kern. Vaak zijn patiënten en mantelzorgers nog onbekend met de diverse mogelijkheden aan ondersteuning.

Figuur 2. Vervolgacties

De consultatie van de specialist ouderengeneeskunde bij een geselecteerd aantal gevallen was weliswaar klein in omvang (n=28), maar werd desalniettemin als zeer waardevol ervaren door de huisartsen. Het invullen van een goed multidisciplinair overleg blijkt logistiek minder eenvoudig dan verwacht. De opzet van een multidisciplinair zorgbehandelplan bleek door het grote aantal verschillende (thuis)zorgaanbieders lastig uitvoerbaar.

Door dit project zijn de kwetsbare ouderen in relatief korte tijd goed in beeld gebracht. De screening van één praktijk kostte de verpleegkundige gemiddeld zes werkdagen. Gezien het geringe aantal benodigde vervolgacties en de daarop volgende maatregelen, kunnen we stellen dat de meeste kwetsbare ouderen voldoende zorg ontvangen, ook al waren ze nog niet als zodanig in beeld gebracht. Daarmee blijkt de screening relatief arbeidsintensief en kostbaar gezien de resultaten.

Verpleegkundige
Naar aanleiding van de resultaten van dit project heeft Gezondheidscentrum Ommoord besloten om met inzet van de module ouderenzorg van zorgverzekeraar Achmea de ouderenzorg verdere invulling te geven. Hiervoor is een verpleegkundige ouderenzorg aangetrokken. In deze nieuwe functie zijn vooralsnog de volgende taken ondergebracht:

- monitoren van zeer kwetsbare ouderen (GFI-score ≥ 6);

- screenen van oudere patiënten op verwijzing van de huisarts;

- opstellen van zorgbehandelplannen;

- posthospital contact met alle mensen van 75 jaar en ouder;

- contactpersoon voor het preferente ziekenhuis IJsselland over opname en ontslag van kwetsbare ouderen;

- samenwerking intensiveren met partners in zorg en welzijn.

Alles met aandacht voor de rol van de ouderen zelf, hun (sociale) netwerk en de draagkracht van de mantelzorgers.


Kees Grimbergen, kaderhuisarts ouderengeneeskunde

Edith de la Fuente, projectleider Zorg Op Noord

Felisa Kreemers, verpleegkundige ouderenzorg


contact: c.grimbergen@ziggo.nl; cc: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld



Lees ook

Voetnoten

1. NHG-Praktijkwijzer Ouderenzorg, A3 ‘Problematiek bij ouderen’, 2010.
2. Bronartikelen:  Steverink N, Slaets JPJ, Schuurmans H, Lis M. van (2001). Measuring frailty: development and testing of the Groningen Frailty Indicator (GFI). The Gerontologist, 41, special issue 1, 236-237. Schuurmans H, Steverink N., Lindenberg S, Frieswijk N, Slaets JPJ. (2004). Old or frail: what tells us more? Journals of Gerontology: Medical Sciences, 59A, 962-5.
3. Project Ketenzorg Ouderen Walcheren, Zorggroep Walcheren, 2010-2012.
4. Peters LL, Boter H, Buskens E, Slaets JP. Measurement properties of the Groningen Frailty Indicator in home-dwelling and institutionalized elderly people. J Am Med Dir Assoc 2012 Jul; 13 (6): 546-51.
5. Slaets JP Vulnerability in the elderly: frailty; med Clin North Am, 2006, jul. 90 (4): 593-601.
6. Mathias S, Nayak US, Isaacs B. Balance in the elderly patient: The ‘Get – up and Go’ test. Arch Phys Med Rehabil 1986, 67: 387
7. Rapp SR, Parisi SA, Walsh DA, Wallace CE. (1988). Detecting depression in elderly medical inpatients. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 56, 509-13.
8. Kempen GIJM, Brilman EI, Ormel J. De Mini-Mental State Examination. Normeringsgegevens en en vergelijking van een 12- en 20- item versie in een steekproef ouderen uit de bevolking. Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie, 1995, 26: 163-172.

Vergelijking tussen drie categorieën – niet-kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar – in GFI-score per vraag. Weergegeven is het percentage ja-antwoorden.
Vergelijking tussen drie categorieën – niet-kwetsbaar, kwetsbaar en zeer kwetsbaar – in GFI-score per vraag. Weergegeven is het percentage ja-antwoorden.
Aantallen en typen vervolgacties bij (zeer) kwetsbare ouderen.
Aantallen en typen vervolgacties bij (zeer) kwetsbare ouderen.
<b>Download dit artikel (PDF)</b>
ouderen ouderenzorg geriatrie
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • jos rensing, huisarts, niet praktiserend, den haag 29-04-2018 15:24

    " Soms en met name op regenachtige dagen kijk ik wel eens eerdere correspondentie na.
    Hierbij trof mij vandaag de hieronder te lezen discussie over kwetsbare ouderen, inmiddels weer hartstikke actueel gemaakt door ministers die menen dat zorgkosten kunnen worden beperkt door zorg bij de huisartsen over de heg te gooien"

    Wat zei collega Dr. M.J. Bos, Huisarts-epidemioloog (Ommoord/Erasmus MC), Rotterdam hierover ruim vier jaar geleden:

    " Ik ben zelf razend enthousiast over de bijdrage van onze verpleegkundige. Of dat terecht is, daarover hopen wij u later meer te vertellen ".

    Wij zijn inmiddels ruim 4 jaar verder .
    Ik ben dus na vier jaar best wel "razend benieuwd " om van collega Bos te vernemen hoe het is afgelopen met de bijdrage van zijn verpleegkundige."

  • Jos Rensing, huisarts, den Haag 10-02-2014 00:00

    "Wanneer een auteur een publicatie aanbiedt met als kop: "Kwetsbare ouderen opsporen loont", terwijl hij in de tekst tot de conclusie komt:
    "Daarmee blijkt de screening relatief arbeidsintensief en kostbaar gezien de resultaten", dan moet het hem niet verbazen dat er een paar lezers zijn die zich afvragen of hier niet sprake is van weliswaar prijzenswaardig maar toch ook wellicht prematuur enthousiasme bij de onderzoeker. Dat geldt ook voor de suggestie van collega Bos dat de verpleegkundige nu gaat onderzoeken of haar inzet gaat leiden tot minder en/of kortere opnames in 2e en/of 3e lijn en tot meer zelfredzame ouderen. Me dunkt dat dat een ambitieus onderzoek is, waarvoor o.a. een controle groep ouderen, die haar interventies moeten ontberen, nodig is. Ik kan mij het enthousiasme van collega Bos voor zijn project voorstellen, maar schaars belasting- en premiegeld kan maar éénmaal besteed worden."

  • Dr. M.J. Bos, Huisarts-epidemioloog (Ommoord/Erasmus MC), Rotterdam 08-02-2014 00:00

    "Graag wil ik reageren op de opmerkingen van collega's Rensing en Van Hout. Ik begrijp niet goed waarom zij zo zuur reageren als een collega zijn kwetsbare patiënten in kaart brengt en hierover rapporteert.
    Collega Rensing verbaast zich erover dat er in Ommoord relatief veel huisartsen werken. Ik kan hem gerust stellen: ook onze inkomsten zijn gewoon afgestemd op een normpraktijk. Wij zijn allen tenminste 3 dagen per week beschikbaar voor onze patiënten, maar zijn daarnaast bijna allemaal betrokken bij onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en proberen ook op die manier een bijdrage te leveren aan ons vakgebied.
    Zowel collega Rensing als collega Van Hout proberen een conclusie uit het artikel te trekken over iets dat helemaal niet onderzocht is. Zoals collega Grimbergen aan het begin van zijn artikel aangeeft is het doel van zijn onderzoek het in kaart brengen wie van de ouderen kwetsbaar zijn. Dat is een eerste stap; pas als die ouderen bekend zijn kunnen we ze extra aandacht geven en ook dan pas kunnen we onderzoeken of dat leidt tot een beter functioneren (collega Van Hout).
    Collega Rensing is verbaasd dat er een verpleegkundige wordt aangesteld terwijl uit het artikel blijkt dat screening weinig nieuwe informatie oplevert. Zoals in het artikel staat heeft de verpleegkundige nadrukkelijk niet meer als taak om alle oudere patiënten te screenen, hooguit op gericht verzoek van een huisarts. Zij heeft zoals in het artikel staat juist als taken (1) de overgang van ziekenhuis naar huis te begeleiden om zo ziekenhuisopnames te bekorten en heropnames te voorkomen, (2) ouderen te monitoren om ziekenhuisopnames en acute verpleeghuisopnames te voorkomen, en (3) zorg aan huis te optimaliseren zodat de ouderen langer zelfredzaam blijven. Allemaal zaken waar een zorgverzekeraar juist in tijden van bezuiniging erg in geïnteresseerd is. Ik ben zelf razend enthousiast over de bijdrage van onze verpleegkundige. Of dat terecht is, daarover hopen wij u later meer te vertellen."

  • H. van Hout, onderzoeker, OUDERKERK AAN DE AMSTEL 07-02-2014 00:00

    "De titel van dit artikel is misleidend. Hoezo loont opsporing voor de ouderen zelf? Volgens de resultaten leidt de opsporing vooral tot meer zorg consumptie. Er wordt niets geschreven over impact op het functioneren van ouderen. Het is ook niet in een verantwoord gecontroleerd design onderzocht. Ik vind het verbazend dat medisch contact dit klakkeloos plaatst. Ik zou liever een verslag zien van de serieuze evaluatiestudies die op diverse plaatsen in Nederland gaande zijn in het kader van het Nationaal Programma Ouderen."

  • Jos Rensing, huisarts, den Haag 30-01-2014 00:00

    "Ik liep een paar getallen uit dit artikel na.
    1. In het gezondheidscentrum Ommoord werken 10 huisartsen. 14 procent van hun populatie is 75 en ouder. Deze groep bestaat uit 1676 patiënten. De totale populatie van dit gezondheidscentrum is dus 1676:14x100=11970 patiënten.
    Tien huisartsen voor nog geen 12000 patiënten??
    2.Na analyse van vragenlijsten identificeerde men een kleine 600 (zeer) kwetsbare ouderen. Die werden nader ondervraagd, waarbij slechts een zeer klein aantal (28) nader bekeken werd door een specialist ouderen zorg en waarbij de uitkomst was dat de meeste kwetsbare ouderen al voldoende zorg ontvangen. De onderzoekers stellen dat deze screening arbeidsintensief en kostbaar was "gezien de resultaten".

    Ik vind het opmerkelijk dat de verzekeraar in deze tijd van budgetschaarste en met deze uitkomsten van het onderzoek toch bereid is gebleken een verpleegkundige ouderenzorg te financieren voor het monitoren van 600 ouderen, waarvan de meesten kennelijk al voldoende zorg ontvangen."

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.