Inloggen
Laatste nieuws
opinie

Evaluatie abortuswet roept vragen op

Abortuswet lijkt veranderende opvattingen niet meer goed te volgen

4 reacties
Robin Utrecht/ANP
Robin Utrecht/ANP

De tweede evaluatie van de abortuswet roept de vraag op of de belangen van de vrouw en van het ongeboren kind evenredig worden gewogen. Een beschouwing.

Eind juni 2020 verscheen de tweede evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). De onderzoekers onderkennen de smalle empirische onderbouwing van het rapport, vanwege het geringe aantal respondenten onder zowel vrouwen als hulpverleners. De wetsevaluatie resulteert in elf aanbevelingen (zie kader). In dit artikel komen wij met enkele kritische observaties.

Conflict van waarden

De abortuswet poogt een balans aan te brengen tussen twee waarden: het ongeboren menselijk leven beschermen en hulp bieden aan vrouwen in een noodsituatie bij een onbedoelde zwangerschap (waarbij ook het autonomieprincipe belangrijk is). Vanwege dat conflict van waarden staat abortus in het Wetboek van Strafrecht. Niettemin ligt bij de in de evaluatie besproken knelpunten en bij de aanbevelingen het zwaartepunt op één deel van de balans, namelijk die van de zelfbeschikking en het belang van de ongewenst zwangere. Voorts is de conclusie dat de abortus­praktijk zorgvuldig plaatsvindt vooral gebaseerd op het oordeel van de artsen die de abortus uitvoeren. Enkele aanbevelingen gaan over de procedure. Deze is gericht op zorgvuldige besluitvorming, zowel vanwege de beschermwaardigheid van de vrucht als met het oog op de mogelijke gevolgen voor het welzijn van de vrouw.

Een weloverwogen keuze vraagt ook om zicht op alternatieven

Beraadtermijn

De verplichte beraadtermijn van vijf dagen beoogt vrouwen de gelegenheid te bieden hun beslissing goed te overwegen en eventueel gebruik te maken van gespecialiseerde hulp en ondersteuning daarbij. De onderzoekers vragen de minister te bezien of de voordelen van een beraadtermijn opwegen tegen de nadelen en om deze desgewenst te laten vervallen. Een meerderheid van de Tweede Kamer heeft inmiddels uitgesproken dat zij wil dat de beraadtermijn verdwijnt. Wij erkennen dat de beraadtermijn door vrouwen als een knelpunt kan worden ervaren. Niettemin kan deze ook voordelen hebben. Zo blijkt uit de interviews met hulpverleners dat relatief veel vrouwen niet op een afspraak verschijnen. Dit kan zijn omdat een vrouw (toch) niet (meer) zwanger blijkt te zijn, omdat ze nog twijfelt, of omdat ze besloten heeft om de zwangerschap uit te dragen. Een weloverwogen, autonome keuze vraagt soms juist om tijd. Verder is deze beraadtermijn een erkenning dat sprake is van een conflict van waarden en representeert zij de blijvende impact van de beslissing. Een representatieve meerderheid van de Nederlanders is positief over de verplichte beraadtermijn.1 Alle reden dus om voorzichtig te zijn bij een politieke beslissing hierover.

Aanbevelingen in de wetsevaluatie

1. De wetgever moet het begrip zwangerschap zó omschrijven dat er in de Wafz (Wet afbreking zwangerschap) en in artikel 296 WvSr gelijkluidende definities worden gehanteerd.

2. De wetgever moet duidelijkheid verschaffen over de juridische positie van de overtijdbehandeling.

3. De koppeling van de levensvatbaarheidsgrens bij abortus aan de medisch-technische ontwikkelingen die zien op het in leven houden van extreem vroeggeboren kinderen moet worden losgelaten, bijvoorbeeld door in de Wafz op te nemen dat bij 24 weken de grens ligt voor afbreking van een zwangerschap.

4. Verwijzers en abortuszorgverleners dienen overeenstemming te bereiken over hun respectievelijke rollen en daarover heldere afspraken te maken. Richtlijnen en andere vormen van zelfregulering moeten daarop aansluiten.

5. Hoe de beraadtermijn (bij een overtijdbehandeling) moet worden toegepast en wat er in de verwijsbrief moet staan bij onbedoelde zwangerschap, dient opgenomen te zijn in voldoende gezaghebbende zelfregulering die bij verwijzers bekend is en door hen wordt gevolgd.

6. De minister van VWS moet de Wafz en het Bafz (Besluit afbreking zwangerschap) aanpassen zodat niet alleen artsen, maar ook andere (BIG-geregistreerde) beroepsbeoefenaren – met name verloskundigen – een vrouw die abortus overweegt naar een kliniek of ziekenhuis kunnen verwijzen.

7. De overheid en de abortuszorgverlening moeten er gezamenlijk voor zorgen dat alle vrouwen die onbedoeld zwanger zijn, (kunnen) weten dat ze zich ook zonder verwijsbrief kunnen wenden tot een abortuskliniek of ziekenhuis.

8. Omdat uit deze tweede evaluatie wederom geen signalen naar voren zijn gekomen dat een vaste beraadtermijn nodig is als waarborg voor zorgvuldige besluitvorming terwijl die vaste beraadtermijn wel knelpunten oplevert, dient de minister van VWS te bezien of de voordelen daarvan nog opwegen tegen de nadelen, en zo niet, deze te laten vervallen.

9. De overheid en de bij de keuzehulp betrokken organisaties dienen erop toe te zien dat de ondersteuning die aan vrouwen wordt geboden in het kader van hun besluitvorming over abortus neutraal is.

10. De minister van VWS dient de relatie tussen de Wafz/het Bafz en de algemene kwaliteitswetgeving opnieuw te bezien respectievelijk zodanig aan te passen dat die algemene wetgeving zoveel mogelijk voor de abortusbehandeling kan gelden.

11. De inhoud van de modelformulieren moet opnieuw worden bezien en de rapportageplicht moet worden gewijzigd naar een frequentie van eens per jaar. 

Wij signaleren dat ruim 2500 vrouwen wachten tot 18 weken of later met het afbreken van hun zwangerschap. Deels na prenatale diagnostiek, maar merendeels op sociale indicatie. Alvorens de beraadtermijn te flexibiliseren, is onderzoek naar de samenstelling van deze groep en naar de redenen voor de lange wachttijd van deze groep van belang.

Een weloverwogen, autonome keuze vraagt ook om zicht op mogelijke alternatieven, zoals ondersteuning bij het uitdragen van de zwangerschap en opvoeden van het kind, bevallen onder geheimhouding, pleegzorg en afstaan voor adoptie. Artsen brengen deze volgens de evaluatie lang niet altijd expliciet naar voren in besluitvormingsgesprekken. Wij pleiten ervoor dat alternatieven meer aandacht krijgen, uiteraard met sensitiviteit voor tijd en wijze.

Achtergrond abortusverzoek

In de wetsevaluatie wordt weinig aandacht besteed aan de achtergrond van sommige abortusverzoeken. Volgens abortusarts Gabie Raven hangt bij 10 tot 20 procent van alle vrouwen een abortusvraag samen met een laag zelfbeeld veroorzaakt door eerder seksueel geweld en traumatisering. Sinds 2018 mag foetaal weefsel bij verdenking van een ernstig misdrijf bewaard worden, in het belang van het meisje of de vrouw en zonder dat zij het zelf weet, om later als bewijs te kunnen dienen. Wij bepleiten aandacht voor seksueel geweld als mogelijke achtergrond van een abortusverzoek.

De sterkst stijgende groep met een abortusverzoek zijn vrouwen tussen 30 en 34 jaar.

Nazorg

Niet alle vrouwen komen bij een zorgverlener terug voor nazorg. De verwijzende arts weet namelijk niet altijd wat de vrouw besloten heeft, omdat ze zich zowel bij kliniek als huisarts kan melden. Wij steunen het standpunt van demissionair minister De Jonge die een grotere rol voor de huisarts ziet voor nazorg en anticonceptiecounseling. Naast medische zorg zou de huisarts ook psychosociale zorg moeten bieden of ernaar verwijzen. Nazorg is ook belangrijk om herhaalde abortussen tegen te gaan. 61 procent van de patiënten vindt het belangrijk om met de huisarts te praten over preventie in algemene zin, onder andere door het geven van informatie over wat men zelf kan doen aan preventie. Omdat abortus niet tot gewoon medisch handelen wordt gerekend, bepleiten wij extra procedurele waarborgen waar het gaat om het besluitvormingsproces en de nazorg, waar mogelijk ondersteund door standaarden gebaseerd op praktijkonderzoek.

Levensvatbaarheid

De onderzoekers stellen voor om de abortus­grens niet meer aan de levensvatbaarheid te koppelen omdat deze dan steeds om verlaging zou vragen en om deze wettelijk vast te leggen op 24 weken. Ons inziens zijn de toegenomen technische mogelijkheden juist een belangrijk motief om kritisch te zijn op de abortusgrens van 24 weken, ook op sociale gronden. Nederland is met deze grens in de Europese Unie een eenzame koploper. Tegelijkertijd zijn we ons bewust van de uiterst zorgvolle situatie van prematuur geboren kinderen rond de 24 weken. Het gesprek over hun behandelgrens dient echter los van de abortusgrens te worden gevoerd.

Passende hulp

De sterkst stijgende groep met een abortusverzoek zijn vrouwen tussen 30 en 34 jaar, gevolgd door vrouwen tussen de 35 en 39 jaar. Het aantal abortussen bij meisjes en vrouwen jonger dan 25 jaar daalt al jaren gestaag. 60 tot 70 procent van de vrouwen die voor een abortus kiezen, gebruikte anticonceptie. In meer dan de helft van de gevallen gaat het om vrouwen die al één of meer kinderen hebben. Geen kinderwens, compleet gezin en het niet samengaan met werk of opleiding zijn de belangrijkste redenen die vrouwen noemen.2 Redenen waarbij ons inziens passende hulp mogelijk moet zijn.

Onder de huidige maatschappelijke en politieke verhoudingen is er brede steun voor de bestaande abortuswetgeving. Desondanks is er een behoorlijke variatie in maatschappelijke en morele acceptatie van abortus om diverse redenen. Ook staan jongeren minder positief tegenover abortus dan ouderen. Wij vermoeden dat er zeker draagvlak is voor beleid dat door goede uitvoering van de huidige wet inzet op feitelijke reductie van het aantal abortussen.

auteurs

Theo Boer, hoogleraar ethiek van de gezondheidszorg, Protestantse Theologische Universiteit, Groningen

Eline Gorter-van Huizen, beleidsadviseur Onderzoek & Beleid, NPV-Zorg voor het leven

Elise van Hoek-Burgerhart, manager Onderzoek & Beleid, NPV-Zorg voor het leven

Henk Jochemsen, hoogleraar ethiek van de zorg, Theologische Universiteit Kampen

contact

evanhoek@npvzorg.nl

cc: redactie@medischcontact.nl

Voetnoten

1. DirectResearch in opdracht van de NPV, Abortus in Nederland, onder 518 respondenten van een EU-panel. (Amsterdam, 2021).

2. Voorzichtigheid is hier geboden: n = 53 vrouwen.

Lees meer

opinie politiek abortus
  • Theo Boer

    Theo Boer is hoogleraar Ethiek van de Gezondheidszorg aan de Protestantse Theologische Universiteit te Groningen en lid van de Gezondheidsraad. Van 2005 tot 2014 was hij lid van een Regionale Toetsingscommissie Euthanasie.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • I. Sevinc

    verzekeringsarts, Breda

    22-09-2021 13:08

    De verplichte beraadtermijn van vijf dagen biedt de vrouwen niet alleen de gelegenheid om hun beslissing inderdaad goed te overwegen, maar ook enigszins het recht van het ongeboren kind om geboren te worden respecteert. Jammer genoeg wordt de auton...omie van het ongeboren menselijk leven nauwelijks ter discussie gesteld, en ligt de focus veelal op de autonomie van de vrouwen.

  • Elise van Hoek , Amersfoort

    22-09-2021 12:15

    De beslissing voor een abortus is een beslissing over leven en dood, die het leven van een vrouw altijd zal beïnvloeden. Onze indruk is niet dat vrouwen deze keuze lichtzinnig maken, maar wél dat een verplichte bedenktijd recht doet aan het ingrijpen...de karakter van de beslissing. Verder blijkt uit ervaringsverhalen dat vrouwen door druk van anderen of het ontbreken van steun regelmatig geen andere oplossing zien dan abortus. De verplichte bedenktijd biedt vrouwen in zulke situaties de gelegenheid om hulp te zoeken bij hulpverleningsorganisaties.

    Wij zijn ons bewust van het feit dat jaarlijks ongeveer 1200 zwangerschappen worden afgebroken na prenatale diagnostiek en dat het hier om situaties gaat die verschillen van abortus om andere redenen. Het totaal aantal abortussen vanaf 18 weken was in 2018 echter ruim 2500. Zelfs als alle abortussen na prenatale diagnostiek plaatsvinden na 18 weken – wat niet waarschijnlijk is – is er dus een groot aantal late abortussen vanwege sociale redenen. Mogelijk zijn dit alleen vrouwen uit het buitenland, maar dat is niet bekend. Vandaar de oproep om de samenstelling van de groep vrouwen die een late abortus ondergaan te onderzoeken.

    De abortusgrens van 24 weken (hoewel niet letterlijk vermeld in de wet) is gekozen naar de toenmalige stand van de medische wetenschap, begin jaren tachtig. De behandelgrens van prematuur geboren baby’s lag toen op 26 weken. Inmiddels is deze – mede door voortschrijdend wetenschappelijke mogelijkheden – verlaagd naar 24 weken. Het zou consequent zijn dan ook de abortusgrens naar 22 weken bij te stellen.

    Wij zullen met u blijven verschillen in visie op abortus. Zoals verwoord in de wet, blijven wij abortus zien als een ongewenste noodsituatie die geen vrouw verkiest. Dit als anti-abortusstrijd labelen, is onzes inziens retoriek die past bij activisten, maar niet bij een vertegenwoordiger van een medisch professionele organisatie. Wij blijven graag vriendelijk, beslist én respectvol het gesprek over abortus voeren.

    Theo Boer, Eline Gorter, Elise van Hoek en Henk Jochemsen

  • G. Kleiverda

    namens commissie Gynaecoloog en Maatschappij van de NVOG, Amsterdam

    19-09-2021 21:36

    Vanuit religieuze anti-abortushoek wordt de tweede evaluatie van de abortuswet bekritiseerd. De suggestie over de vermeende lichtzinnigheid van vrouwen is uiterst pijnlijk en werd eerder weerlegd, zie https://www.medischcontact.nl/nieuws/federatienie...uws/federatiebericht/de-vermeende-lichtzinnigheid-van-abortus-1.htm. Geen enkele reden dus om de vijf dagen verplichte bedenktijd in stand te houden. Nog pijnlijker wordt het als de auteurs suggereren dat vrouwen bewust wachten tot na 18 weken om hun zwangerschap af te breken. Kennis over de achterliggende problematiek, zoals prenatale diagnostiek en moeilijke toegankelijkheid van abortus in andere EU landen ontbreekt kennelijk geheel. Dit terwijl toch een van de auteurs lid was van deze evaluatiecommissie. En alhoewel gesteld wordt dat de discussie over de behandelgrens van prematuren los van de abortusgrens moet worden gevoerd, wordt omgekeerd de abortusgrens van 24 weken wel ter discussie gesteld. Dit terwijl Nederlandse vrouwen soms naar België moeten reizen voor ernstige foetale aandoeningen die pas na deze termijn ontdekt kunnen worden. Echt verstoken van realiteitszin maken de auteurs het als zij ‘passende hulp’ suggereren aan vrouwen die kiezen voor een abortus vanwege geen kinderwens of een compleet gezin. Het moge duidelijk zijn dat de NPV een anti-abortusstrijd voert. Dat is hun goede recht. Maar dit heeft niets te maken met gezondheidszorg aan vrouwen. Met de onterechte staatssubsidie voor de ‘hulpverlenende’ anti-abortus organisatie Siriz https://www.nrc.nl/nieuws/2021/09/17/politieke-deal-met-sgp-leverde-bekritiseerde-hulporganisatie-miljoenensubsidie-op-a4058702 in gedachten wordt het tijd ook de subsidie aan de ‘patiëntenvereniging’ NPV kritisch onder de loep te nemen https://www.groene.nl/artikel/voor-ons-en-natuurlijk-dankzij-de-here-god0.

  • P.J.E. van Rijn

    huisarts n.p., Rheden

    17-09-2021 18:15

    Ten eerste valt hier op het vaststellen van grenzen. En ten tweede de vermelding dat jongeren minder positief staan tegenover abortus dan ouderen .Waar abortus nu in Texas na 6 weken is verboden wijst ook het overschrijden van grenzen voor een abortu...s bij een zwangerschap van meer dan 24 weken naar België of andersom naar Nederland, indien de 14 weken zijn gepasseerd, op het onverminderd bestaande taboe op het overschrijden van de grens tussen leven en dood , dat ook de wetgeving bepaalt. Zoals ook bij euthanasie en `voltooid leven` het geval is. De uitvoering van euthanasie is aan méér voorwaarden verbonden dan aan die van abortus, Waar alleen de leeftijdsgrens van 24 weken telt. Maar naast juridische bestaan er ook ethische bezwaren .Houdt vooral het euthanasiedebat zich in taboesfeer op, met abortus is dit zelfs in toenemende mate het geval. Elke overschrijding van de grens tussen leven en dood is immers problematisch en gevaarlijk. Volgens Denker des Vaderlands Paul van Tongeren zijn taboes de vaste lijnen van het speelveld. Hoewel het gemakkelijk is om er overheen te gaan is het strikt verboden. Zij vormen een mogelijkheidsvoorwaarde voor ons ingrijpen en zijn niet het product daarvan .Er kan ook niet over geargumenteerd worden .De betekenis van de grens tussen leven en dood bij abortus is voor jongeren een blijvend taboe dat door de oudere generatie tevergeefs is geprobeerd weg te redeneren, ook al zijn er geen juridische bezwaren meer. In het geval van euthanasie bij relatief dragelijke kwalen en bij puur subjectief lijden als `voltooid leven`. Ook bij wilsonbekwaamheid tgv. dementie , verstandelijke handicap of psychiatrische aandoeningen wordt een grens bereikt die ook bij abortus is blijven bestaan. Onvrijwillig en intrinsiek vanuit de foetus bezien ,vrijwillig en extrinsiek vanuit de het perspectief van de moeder. Het bestaan van taboes is van doorslaggevende betekenis. Terwijl een medische of psychosociale indicatie ethisch gezien een abortus kan rechtvaardigen, hoe zit het dan met argumenten als gezinsgrootte ,geslacht ,huidskleur e.d? Je kunt redeneren wat je wilt, taboes blijven bestaan en zullen de wetgeving dienaangaande blijven beïnvloeden ,en wel aan beide zijden van de grens .

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.