Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
J. Ribot S. Terpstra J.W. Coebergh
08 december 2010 10 minuten leestijd

Minder radiotherapie nodig dan geraamd

Plaats een reactie


 

Onderbezetting van kostbare lineaire versnellers dreigt

Het ministerie van Volksgezondheid wil het aantal lineaire versnellers uitbreiden van 101 in 2005 naar 158 in 2015. Bij de ramingen is echter onvoldoende rekening gehouden met de vergrijzing en de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

De minister van Volksgezondheid heeft de capaciteit voor radiotherapie vastgesteld in het Planningsbesluit radiotherapie 2009.1 Op basis van een aannemelijk geachte toename van het aantal patiënten, intensivering van behandelingen, hogere efficiency en nieuwe ontwikkelingen in de radiotherapie berekende het ministerie dat er behoefte is aan 158 lineaire versnellers in 2015. Bij een capaciteit van 101 versnellers in 2005 betekent dit een uitbreiding van de capaciteit met 56 procent. Het besluit is gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad uit 2008, die daarbij uitging van de ramingen in tabel 1.2

Inmiddels wordt de capaciteit van diverse radiotherapieafdelingen inderdaad uitgebreid, ontstaan nieuwe centra en subcentra en vorderen uitbreidingsplannen. De techniek staat echter niet stil en de radiotherapie wordt steeds meer wetenschappelijk onderbouwd (zie tabel 2). Het is daarom aannemelijk dat genoemd besluit en het daarop gebaseerde vergunningenbeleid tot overcapaciteit zullen leiden.

Planperiode
Het eerste probleem met het voorliggende besluit is de gekozen planperiode. Besluitvorming, ontwerp, het verwerven van vergunningen, bouw en installatie van een versneller nemen ongeveer vier tot vijf jaar in beslag. En lineaire versnellers worden in tien jaar afgeschreven. Een redelijke bezetting over een periode van vijftien jaar is dus nodig om investeringen in apparatuur en mankracht rendabel te maken. De Gezondheidsraad koos bij de behoefteraming voor een te korte planperiode van tien jaar. Dat brengt op termijn het risico van onderbezetting met zich mee, en dat is nauwelijks maatschappelijk aanvaardbaar.

Incidentie en behoefte
Voor een schatting van de behoefte aan radiotherapie is een prognose gemaakt van het aantal nieuwe kankerpatiënten over een termijn van veertig jaar. Daarbij is gebruikgemaakt van gegevens uit de landelijke kankerregistratie (2003-2007) en van de bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (2008). Medio 2030 wordt een stabilisatie van de totale incidentie verwacht (zie figuur). De stijging van het aantal patiënten tot 2030 doet zich vooral voor bij patiënten ouder dan 75 jaar, bij wie radiotherapie minder frequent wordt toegepast dan in jongere leeftijdsgroepen.

Volgens de Gezondheidsraad behoeft 45 procent van de nieuwe kankerpatiënten in 2015 radiotherapie. Studies in Nederland en buitenland tonen aan dat ongeveer 32 procent van de nieuwe patiënten met kanker wordt bestraald. Dit is de afgelopen jaren nagenoeg onveranderd gebleven. Leeftijd en comorbiditeit spelen een belangrijke rol bij de indicatiestelling.3-5

Capaciteit
De capaciteit van een versneller wordt uitgedrukt in zittingen per jaar. Een zitting is het geheel van handelingen vanaf het moment dat de patiënt de bestralingskamer betreedt en deze weer verlaat. In 2000 was de Nederlandse norm 7500 zittingen per jaar per versneller.6 7 Rekenend met een gemiddelde van vijftien zittingen per behandeling komt dit ruwweg neer op 500 behandelingen per jaar. De Gezondheidsraad veronderstelde dat ingewikkelde behandelingen meer tijd zouden kosten en hanteerde daarvoor een opslagfactor van 35 procent. Daardoor zouden minder patiënten per versneller kunnen worden behandeld. In 2000 dacht men dat ingewikkelde behandelingen minder dan 10 procent van het totaal zouden uitmaken. In 2009 bleek men landelijk 33 procent ingewikkelde behandelingen toe te passen met een stijgende tendens, omdat het nu mogelijk is om ingewikkelde behandelingen veilig en snel te berekenen en uit te voeren.8 Dit gebeurde binnen de bestaande capaciteit. Een toeslag van 35 procent op de capaciteit lijkt hiermee achterhaald.

Borstkanker
Radiotherapie bij borstkanker betekent een grote werklast op radiotherapieafdelingen. Bij patiënten met borstkanker was een bestraling van de borst (of borstwand) in 25 zittingen gedurende 5 weken gangbaar. In gerandomiseerd vergelijkend onderzoek bleek een behandeling in 16 zittingen met een iets hogere dosis per keer echter even effectief na 10 jaar met gelijke kansen op recidief, overleving en cosmetiek. Indien deze behandelwijze consequent wordt toegepast, neemt de behoefte aan versnellers af.

Nieuwe onderzoeken kunnen nog grotere gevolgen hebben. Zo vergelijkt men nu een behandeling in 5 zittingen met 25 zittingen. De ultieme vorm van fractionering bij borstkanker is intraoperatieve radiotherapie, waarbij ter plaatse van de tumor wordt bestraald in één enkele zitting tijdens een borstsparende operatie. Hoewel indicatiegebied en effectiviteit nog niet vaststaan, is een aanzienlijke neerwaartse impact aannemelijk op de behoefte aan versnellers.9-12

Ook bij de behandeling van prostaatkanker zijn veranderingen te verwachten. Uitwendige radiotherapie bij prostaatkankerpatiënten geschiedt momenteel in 35 (of meer) bestralingen binnen zeven tot acht weken. Er zijn echter radiobiologische argumenten voor de aanname dat genezing te bereiken is met veel minder zittingen en een hogere dosis per keer. De resultaten van diverse prospectieve studies zullen ingrijpende gevolgen hebben voor de behoefte aan radiotherapiecapaciteit.13

Het actief volgen van het beloop van prostaatkanker bij patiënten met een laag risico en een gevorderde leeftijd (boven de 75 jaar), maakt de behoefte aan radiotherapie ook relatief klein.

Substitutie
Patiënten kunnen ook andere vormen van radiotherapie ondergaan. Zo krijgen ongeveer duizend patiënten met laagrisicoprostaatkanker geïmplanteerde radioactieve zaadjes in plaats van uitwendige radiotherapie. De Gezondheidsraad hield daar geen rekening mee.

Een vergelijkbare ontwikkeling doet zich voor bij baarmoederkanker. Onderzoek leerde dat een beperkt aantal patiënten in aanmerking komt voor radiotherapie en dat drie inwendige bestralingen even goed werken als 23 uitwendige bestralingen en het risico op lokaal recidief verkleinen, met minder bijwerkingen. Bij ongeveer 500 patiënten per jaar bestaat hierdoor geen behoefte meer aan uitwendige radiotherapie.14 15

 

Het gemiddelde aantal zittingen per behandeling daalt verder door betere technieken voor lokalisatie van het doelgebied en omgevend gezond weefsel, waardoor hogere doses kunnen worden toegepast. Stereotactische bestraling van patiënten met hersentumoren en kleine longtumoren is een voorbeeld van deze ontwikkeling. Ook dit heeft consequenties voor de behoefte aan capaciteit: de indicaties nemen toe, maar het aantal zittingen per behandeling is zeer klein. Protonen zijn zware deeltjes die hun energie afgeven in de diepte en theoretisch beter geschikt zijn voor diepgelegen tumoren.

De Gezondheidsraad rapporteerde in 2009 over radiotherapie met protonen. Het gaat hierbij om substitutie van bestaande radiotherapie. Een eventuele introductie van protonentherapie leidt tot een vermindering van de behoefte aan versnellers.16

Nieuwe centra
In het ‘Planningsbesluit radiotherapie 2009’ wordt een uitbreiding van het aantal versnellers met 56 procent in tien jaar tijd noodzakelijk geacht. Het vestigen van nieuwe (sub)centra zou hierdoor verantwoord zijn. Maar de behoefte zal gelet op het voorgaande aanzienlijk lager zijn dan de minister vaststelde. Is de voorgenomen uitbreiding met (sub)centra dan nog wel verantwoord?

Hierbij zijn drie overwegingen aan de orde.
Allereerst wordt de kwaliteit van de behandeling steeds meer bepaald door deelspecialisatie van radiotherapeuten en andere medewerkers. Het lijkt erop dat (sub)centra deelspecialisatie niet bevorderen. Voor begeleiding door een ge(sub)specialiseerde radiotherapeut moeten patiënten alsnog naar het moedercentrum. De wenselijkheid van radiotherapie dichter bij huis zal maar voor een deel van de patiënten gelden.

Een tweede punt betreft de efficiëntie van de zorg. Uitbreiding van het aantal centra voor substantieel minder patiënten dan geraamd, leidt tot structurele onderbezetting en een lagere inzet van gespecialiseerde, mogelijk steeds schaarser wordende medewerkers.

Tot slot worden de mogelijkheden voor klinisch-wetenschappelijk onderzoek beperkt.17

Heroverweging
Wij pleiten voor een heroverweging en bijstelling van het planbesluit en voor herziening van het beleid van vergunningen voor radiotherapie. Structurele onderbezetting van faciliteiten voor radiotherapie is medisch en maatschappelijk ongewenst, evenals het aanwakkeren van concurrentie op de arbeidsmarkt. Samenwerking over de grenzen tussen instellingen en disciplines is doorslaggevend voor de kwaliteit van de oncologische zorg. Kwaliteit en kosten van radiotherapie worden vooral bepaald door de omvang van de centra, waarbij deelspecialisatie en actieve samenwerking met andere gespecialiseerde groepen op het gebied van kankerbehandeling cruciaal zijn. De ontwikkeling van satellietvorming vraagt om bijsturing. Fusie van kleine radiotherapieafdelingen ligt meer voor de hand dan het vestigen van nieuwe subcentra.

Jacques Ribot, radiotherapeut n.p.
Sijmon Terpstra, bedrijfseconoom
prof. dr. Jan-Willem Coebergh, sociaal-geneeskundige en epidemioloog, afdeling Maatschappelijke Gezondheidszorg, Erasmus MC, Rotterdam en Integraal Kankercentrum Zuid, Eindhoven

Correspondentieadres: j.coebergh@erasmusmc.nl; c.c.: redactie@medischcontact.nl.
Geen belangenverstrengeling gemeld.


Samenvatting

  • De voorgenomen uitbreiding van de bestralingscapaciteit met 56 procent zal leiden tot onderbezetting.
  • Vooral het aantal kankerpatiënten ouder dan 75 stijgt, en bij hen wordt radiotherapie minder vaak toegepast.
  • Uit onderzoek blijkt verder dat behandeling met minder bestralingen (met hogere doses) vaak even effectief is als de huidige behandelingen met meer zittingen.

Referenties

1. Planningsbesluit radiotherapie 2009: Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. CZ/TSZ-2963442, houdende vaststelling van het Planningsbesluit radiotherapie, oktober 2009.

2. Gezondheidsraad. De radiotherapie belicht. Een vooruitblik tot 2015. Den Haag, 2008, publicatienummer 2008/27.

3. Vulto JCM, Lemmens VEPP, Louwman MWJ, Janssen-Heijnen MLG, Poortmans PHP, Lybeert MLM, Coebergh JWW. The influence of age and comorbidity on receiving radiotherapy as part of primary treatment for cancer in South Netherlands, 1995 to 2002. Cancer 2006; 106: 2734-42.

4. Vulto JC, Lybeert M, Louwman MW, Poortmans PM, Coebergh JW. Population-based study of trends and variations in radiotherapy as part of primary treatment of cancer in the southern Netherlands between 1988 and 2006, with emphasis on breast and rectal cancer. Int J Radiat Oncol Biol Phys 2009; 74: 464-71.

5. Tyldesley S, McGahan C. Utilisation of radiotherapy in rural and urban areas in British Columbia compared with evidence-based estimates of radiotherapy needs for patients with breast, prostate and lung cancer. Clinical Oncology 2010; 22: 526-32.

6. NVRO: Radiotherapie: Onze Zorg, Een actualisatie van de ontwikkelingen in de radiotherapie voor de periode 2000-2010, maart 2000, p. 34.

7. Radiotherapy: developing a World class service for England. Report to Ministers from National Radiotherapy Advisory Group, februari 2007, p. 39.

8. NVRO: Resultaten enquête Radiotherapie, 2009.

9. Whelan TJ, Pignol JP, Levine MN, Julian JA, MacKenzie R, Parpia S, Shelley W, Grimard L, Bowen J, Lukka H, Perera F, Fyles A, Schneider K, Gulavita S, Freeman C. Long-term results of hypofractionated radiation therapy for breast cancer. N Engl J Med 2010; 362: 513-20.

10. The START Trialists’ Group. The UK Standardisation of Breast Radiotherapy (START) Trial B of radiotherapy hypofractionation for treatment of early breast cancer: a randomised trial. Lancet 2008; 371: 1098-107.

11. Veronesi U, Orecchia R, Luini A, Galimberti V, Zurrida S, Intra M, Veronesi P, Arnone P, Leonardi MC, Ciocca M, Lazzari R, Caldarella P, Rotmensz N, Sangalli C, Sances D, Maisonneuve P. Intraoperative radiotherapy during breast conserving surgery: a study on 1,822 cases treated with electrons. Breast Cancer Res Treat 2010; 124:141-51.

12. Vaidya JS, Joseph DJ, Tobias JS, Bulsara M, Wenz F, Saunders C, Alvarado M, Flyger HL, Massarut S, Eiermann W, Keshtgar M, Dewar J, Kraus-Tiefenbacher U, Sütterlin M, Esserman L, Holtveg HM, Roncadin M, Pigorsch S, Metaxas M, Falzon M, Matthews A, Corica T, Williams NR, Baum M. Targeted intraoperative radiotherapy versus whole breast radiotherapy for breast cancer (TARGIT-A trial): an international, prospective, randomised, non-inferiority phase 3 trial. Lancet 2010; 376: 91-102. Erratum in: Lancet 2010; 376: 90.

13. Ritter M. Rationale, conduct, and outcome using hypofractionated radiotherapy in prostate cancer. Semin Radiat Oncol 2008; 18: 249–56.

14. Nout RA, Smit VT, Putter H, Jürgenliemk-Schulz IM, Jobsen JJ, Lutgens LC, van der Steen-Banasik EM, Mens JW, Slot a, Kroese MC, van Bunningen BN, Ansink AC, van Putten WL, Creutzberg CL; Portec Study Group. Vaginal brachytherapy versus pelvic external beam radiotherapy for patients with endometrial cancer of high-intermediate risk (PORTEC-2): an open label, non-inferiority, randomized trial. Lancet 2010; 375: 816-23.

15. McCloskey SA, Tchabo NE, Malhotra HK, Odunsi K, Singhal P, Lele S, Jaggernauth P. Adjuvant vaginal brachytherapy alone for high risk localized endometrial cancer as defined by the three major randomized trials of adjuvant pelvic irradiation. Gynecol Oncol 2010; 116: 404-7.

16. Gezondheidsraad. Protonenbestraling. Signalement. Den Haag, 2009, publicatienummer 2009/17.

17. Radiotherapie dichterbij? Prof. dr. J.J. Battermann, UMC Utrecht, 8 juni 2010.

De eerste lineaire versneller (Hammersmith Hospital Londen 1953).
De eerste lineaire versneller (Hammersmith Hospital Londen 1953).
Een lineaire versneller voor uitwendige radiotherapie.
Een lineaire versneller voor uitwendige radiotherapie.
Beeld: iStockphoto
Beeld: iStockphoto
<strong>Klik hier voor een PDF van dit artikel</strong>

<!--1. Behoefte radiotherapie

parameter

2005

2010

2015

jaarlijks aantal nieuwe kankerpatiënten

78.500

87.700

96.500

nieuwe bestralingspatiënten

33.755

38.280

43.425

totaal bestraalde patiënten (inclusief huidkanker en goedaardige tumoren)

45.417

51.506

58.428

eegfactor

1,15

1,25

1,35

totaal benodigde (fictieve) behandelingen

52.230

64.382

78.878

Het aantal bestralingsbehandelingen in 2005 en de ramingen uit het advies ‘De radiotherapie belicht. Een vooruitblik tot 2015’ van de Gezondheidsraad (2008).

2. Bezwaren tegen Planbesluit

planningsperiode

Indien korter dan vijftien jaar; meer onzekerheden voor rendementsverwachtingen.

prognose incidentie

Verschuiving naar oudere leeftijdsgroepen noodzaakt tot leeftijdsdifferentiatie.

radiotherapie nieuwe patiënten

Bij patiënten ouder dan 75 jaar wordt half zo vaak radiotherapie toegepast als bij jongere patiënten.

radiotherapie pijnlijke botmetastasen

Eén zitting even effectief als meerdere.

Voorkeur voor ‘one stop shop’-behandeling (consult, voorbereiding en bestraling).

zittingen per jaar per versneller

Norm NVRO van 7500 zittingen in 2000, blijkt 5500 bij Gezondheidsraad in 2008.

zwaarte van
behandelingen

Meer bijzondere behandelingen dan verwacht (33% in 2009). Groei opgevangen met bestaande apparatuur.

borstkanker

Bewezen: 16 zittingen even doeltreffend als 25.
Neiging tot nog minder zittingen.

prostaatkanker

Prospectieve studies met veel minder bestralingszittingen.

Afwachtend beleid bij patiënten met laag risico.

substitutie

Geen uitwendige radiotherapie bij implantatie van radioactieve bronnen (prostaatkanker). Van uitwendige naar inwendige radiotherapie bij vrouwen met baarmoederkanker.

‘high precision’-radiotherapie

Toename indicaties, doch laag aantal bestralingen.

eventuele introductie protonentherapie

Lagere behoefte aan lineaire versnellers.

Bovenstaande feiten en ontwikkelingen maken duidelijk waarom de toename van het aantal lineaire versnellers, zoals genoemd in het ‘Planbesluit radiotherapie 2009’, te ruim is.

De Gezondheidraad hanteert
een opslagfactor van 35 procent,
maar die blijkt achterhaald

80.000

70.000

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0

60.000

50.000

40.000

30.000

20.000

10.000

0

Prognose aantal nieuwe kankerpatiënten

Het verwachte aantal nieuwe kankerpatiënten (exclusief huidkanker).




mannen

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

vrouwen

2010

2015

2020

2025

2030

2035

2040

2045

2050

totaal

>75 jaar

totaal

>75 jaar

Het gemiddelde aantal zittingen per behandeling daalt verder


-->

radiologie ouderen borstkanker
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.