Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
henk maassen en evert pronk
17 december 2007 10 minuten leestijd

Ad Dunning: 'Mensen hebben behoefte aan magie'

Plaats een reactie

Verwondering is in de essays van emeritus hoogleraar cardiologie Ad Dunning een terugkerend thema. Een gesprek met een ‘vrolijke agnost’ over de magie in de geneeskunde en de wonderlijke positie van de mens. ‘We zijn gevangenen van onze denkmodellen.’

beeld: spotting image, marina peters

Hij schrijft momenteel voor zijn kinderen en kleinkinderen ‘een kroniekje’ over zijn leven. De passage waarin het moest gaan over zijn keuze voor de geneeskunde bleek voor Ad Dunning (77), emeritus hoogleraar cardiologie en essayist, niet de makkelijkste. ‘Waarom had ik die studierichting eigenlijk gekozen? Hoe was mijn loopbaan verlopen? Het bleek achteraf vooral een zaak van eliminatie en toeval. Ik was goed in bètavakken, maar zag mij niet in een laboratorium. De eerste jaren vond ik geneeskunde buitengewoon oninteressant: je zag geen patiënt. Maar in de kliniek bleek dat ik toch de goede keus had gemaakt.’


Als coassistent van de vermaarde prof. Borst liep Dunning een ernstige infectie op. ‘Ik denk nog altijd dat Borst mij uit medelijden een prestigieuze assistentenplaats heeft aangeboden. Ik woonde toen in een flat in Slotervaart. Ik wilde daar weg, want het regende er elke zondag. Ik dacht aan een ziekenhuis in de provincie. Borst kon dat niet begrijpen. “Dan ben je straks de knapste dokter van Winterswijk”, zei hij. Hij had andere plannen met mij.’ En zo ‘rolde’ Dunning de cardiologie in. Toeval, lot: hoe loopbaan en leven zich ontwikkelen, het onttrekt zich voor een belangrijk deel aan je eigen wil - daarvan is Dunning overtuigd.


Dunning staat nuchter in het leven en zijn vak. Zijn naam is onlosmakelijk verbonden aan de trechter waar elke interventie of zorgvorm doorheen moet om te worden opgenomen in wat nu het basispakket met collectief verzekerde zorg heet. Aan deze ‘trechter van Dunning’, met filters voor noodzakelijkheid, werkzaamheid, doelmatigheid en de noodzaak van collectieve financiering is niets wonderbaarlijks.


De essayist Dunning is ook nuchter. Hoewel hij een enkele keer venijnig uit de hoek kan komen, is diens toonzetting hooguit mild ironisch. Toch is het wonder een terugkerend thema in zijn boeken. Het wonder kan toeval zijn of een symptoom van gebrek aan kennis, maar Dunning associeert het vooral met verwondering. ‘Mensen zijn wezens die zich willen verwonderen’, zegt hij. ‘Op school had ik een biologie­boek met een tekst van Aristoteles die luidde dat mensen vanwege het zich verwonderen begonnen te filosoferen, na te denken.’

Magische verwachtingen


Hij ontvangt ons in zijn bibliotheek, waarin we ons omringt weten met de neerslag van al die verwondering: biografieën, werken van grote denkers, boeken over de moderne natuurwetenschap, over de geschiedenis van de geneeskunde. Dunning is de ideale kandidaat voor een medisch-filosofische reflectie op het begrip wonder.


Vanaf zijn eerste boek, Broeder Ezel, waarschuwt hij voor de magische verwachtingen die de geneeskunde oproept. In dat boek legt hij uit hoe met de ziekenhuisgeneeskunde ook de schone witte jas verscheen, die ‘een duidelijke scheiding tussen arts en patiënt’ markeerde. Want de drager van die witte jas was tot ongewone mirakels in staat. En hoewel de samenleving het beeld van de arts heeft zien veranderen van ‘vaderfiguur tot loodgieter’, bestaat er altijd nog ‘een stille huiver voor de geheimen en de wonderen van de heelkunde die het lichaam opent en weer heel maakt’.


Dat schreef Dunning meer dan 25 jaar geleden. Maar anno 2007 is er niets veranderd. ‘Integendeel, de magische verwachtingen zijn zelfs toegenomen. Men verwacht wonderen, vooral bij ziekten die nu nog bijna onbehandelbaar zijn. Mensen hebben een diep ingesleten behoefte aan magie. Het is een evolutionair mechanisme; Charles Darwin beschrijft al hoe apen voor een waterval staan en daar verwonderd zijn over iets wat ze niet kennen. Artsen hebben in de geschiedenis lang apart gestaan, ze hadden aanzien, een hogere achting zelfs dan ze nu hebben, ook al konden ze in feite niet veel. De arts leefde mee met zijn patiënt en was vooral een metgezel, geen wonderbaarlijke genezer. Maar dat hij in de toekomst kon zien, dat was geen ander mens gegeven, behalve aan de ziener of het orakel.’

 Angst


Toch is ook de moderne beoefening van de geneeskunde niet vrij van magische, althans moeilijk beredeneerbare processen. Neem het stellen van een diagnose. ‘Het begint direct als een patiënt je spreekkamer binnenkomt. Vanaf de eerste blik bepaal je of het pluis is of niet. Dat wordt, ik geef toe, ook ingegeven door een zekere angst. Stel je voor dat je denkt dat iemand niets mankeert en je beoordeelt hem verkeerd. Hoever ga je vervolgens om uit te maken dat het wel pluis is? Dat heeft met intuïtie te maken. Ik denk dat die intuïtie zich ontwikkelt door veel patiënten te zien. Ik ben heel voorzichtig op dit punt, want dit is een magische eigenschap, die je nauwelijks kunt kwantificeren of anderszins hard maken.’


Dat het magische dat aan de geneeskunde kleeft, behoorlijk ongevoelig is gebleken voor al die medisch-biologische en technologische vooruitgang, is niet zo vreemd. Dunning gebruikt graag het beeld van de geneeskundige kennis als een eiland in een oceaan van onwetendheid. ‘Dat eiland wordt steeds groter. Daarmee neemt de kustlijn ook in lengte toe en zien we dus des te beter wat we niet weten.’


Geneeskunde kan bovendien nooit een ‘echte’ natuurwetenschap zijn. ‘Ze gaat over mensen en ziekten en dat is toch iets anders dan natuurkunde. We blijven vreemdelingen in ons eigen bestaan; vreemdelingen die in hun erfelijkheid en sterfelijkheid wel zijn onderworpen aan de natuur, maar die natuur ook pogen te doorgronden. En hun plaats daarin proberen te vinden. We zijn zoals de psalmist zegt ‘noch engel, noch beest.’

Vernietigen


Die wonderlijke positie van de mens, is misschien wel hét thema van Dunnings oeuvre. Hij citeert de grote Franse filosoof en mathematicus Blaise Pascal, die de mens heeft vergeleken met een riet. ‘Een zwak, maar denkend riet. Het heelal hoeft zich volgens Pascal niet op te maken om de mens te verpletteren: een zuchtje wind, een druppel water is al genoeg om hem te doden. Maar als het heelal hem zou vernietigen, zou de mens nobeler zijn dan dat wat hem doodt, omdat hij weet heeft van zijn sterven en ook van het overwicht dat het heelal op hem heeft. Het heelal heeft daar zelf geen weet van. En daarom ligt al onze waardigheid in ons denken. En dat nadenken over ons lot, dat is het principe van de moraal. Eigenlijk zegt Pascal: de mens maakt studie van het oneindig kleine en grote en die onmetelijke ruimten hebben geen weet van zijn bestaan. Wie redt hem uit die eenzaamheid en vergankelijkheid? Dat zijn vragen die we ons ook nu nog stellen en waarop we ook nu nog altijd geen antwoord hebben. Tenzij we een beroep doen op een openbaring of een geloof. Want wetenschap brengt ons volgens Pascal niet tot enig inzicht of tot geloof.’


‘Pascal was een ziekelijke man. Hij stak op een dag de Seine over in een koets en ontsnapte ternauwernood aan de verdrinkingsdood. Een soort bijna-doodervaring. Wat was er gebeurd als ik voor God de rechter was gekomen, vroeg hij zich af. In een doorwaakte nacht onderging hij een diep ingrijpende geloofservaring. Hij schreef erover en de tekst naaide hij als een soort geloofsbekentenis aan de binnenzijde van zijn jas.’ Na een korte stilte stelt Dunning droogjes vast: ‘Wie zo’n geloofservaring niet heeft, staat met lege handen.’

Opzadelen


Hoe ging hij in zijn leven en loopbaan zelf om met dat soort vragen?


‘Moeizaam. Ik ben een vrolijke agnost. En dat helpt niet veel bij dit soort levensvragen. Je kunt wel naast een bed gaan zitten en naar patiënten luisteren. Ook als je geen antwoorden hebt. Dat moet je dan ook eerlijk zeggen. De geneeskunde moet mensen niet opzadelen met verzinsels.’


Atheïst wil hij zich niet noemen. ‘Dat zijn over het algemeen heel militante mensen die menen dat de godsdienst niet deugt. Met dat laatste ben ik het overigens wel eens. Maar over het bestaan van God kunnen we geen uitspraak doen. Ik berust wat gemakkelijker in ons onvermogen te kennen en te weten. De essayist Montaigne, mijn andere grote Franse vriend, zei al dat we slapen op het kussen van onze onwetendheid. Overigens, veel artsen, zo is mijn ervaring, zijn niet gelovig. Dat komt misschien ook omdat ze nogal eens met de kwade kanten van het leven te maken hebben. En als ze al gelovig zijn, dan houden ze dat doorgaans streng gescheiden van hun beroepsleven.’


Toch ziet hij ook wel dat sommige collega’s een zeker tekort in de gangbare geneeskunde opmerken en oplossingen zoeken in alternatieve sferen. Dat wonderlijke gedachtegoed is niet aan Dunning besteed. ‘Healing, gebedsgenezing, meridianen, aura’s. Het is allemaal pseudowetenschap, want men gebruikt termen als energie, stralenvelden en dergelijke, maar bedoelt daar iets heel anders mee dan in de reguliere natuurwetenschap. Ik ben het eens met Multaltuli die graag bereid was de bovennatuurkunde te geloven als ze hem eerst de gewone natuurkunde hadden uitgelegd.’


Wonderlijke verklaringen zijn bovendien lang niet altijd onschuldig. ‘Magische verklaringen voor ziekten hebben soms een geweldig schadelijke werking. Ik heb in Zuid-Afrika gewerkt, waar aanvankelijk het bestaan van aids werd ontkend en later door politici als Mbeki werd toegeschreven aan armoede. De huidige minister van Volkgezondheid raadt hiv-patiënten aan knoflook te eten.’

Sprookje


Dunning, man van de nuance, weet best dat mensen zien wat ze kúnnen zien. ‘Pasteur zei al: de ontdekking komt voor het goed voorbereide oog. We zijn vaak gevangenen van onze denkmodellen. Onze verbeelding schiet tekort. Zo hebben we zeer lang gedacht dat maagzweren konden genezen door bedrust, door zuurbindende medicatie of door operaties, maar we zagen ook dat ze steeds terugkwamen. Toen Barry Marshall de Helicobacter pylori-bacterie aanwees als veroorzaker, kon aanvankelijk bijna niemand dat geloven. Het idee was immers: de ziel gaat door de maag. En je ziet dan ook dat nog tot in de jaren negentig het Helicobacter-verhaal wat aarzelend wordt verteld in de leerboeken, bijna als een onwaarschijnlijk sprookje dat niet zomaar kan worden geloofd.’


Maar soms gaat de verbeelding met ons op de loop en zien we wat we wíllen zien. ‘Ik herinner me uit mijn tijd als assistent nog de volle evangeliezending van broeder Maasbach - God hebbe zijn ziel. Dat deed hij in een tent, waar hij mensen genas. En die mensen gingen juichend en halleluja roepend naar huis: ze gooiden hun insulinespuiten weg, hun prothesen. Helaas hadden wij de volgende dagen op de eerste hulp van het Binnengasthuis ontregelde diabeten en mensen die niet konden lopen omdat ze hun krukken kwijt waren. Maasbach verrichtte wel wonderen, maar ze duurden nooit langer dan 48 uur.’


De conclusie dat wonderbaarlijke genezingen dus niet bestaan, gaat Dunning echter te ver. Hij is ze zelf ‘met enige regelmaat’ tegengekomen. Hij wijst naar zijn bureau: ‘Daar staat een asbak, een cadeau van een meisje dat ten dode was opgeschreven. Ze had de ziekte van Crohn. Ze had een groot absces in haar buik dat de chirurg niet kon opereren. Het absces barstte los en ze genas. Ze is later lerares geworden; ik zie haar nog wel eens. Een verklaring heb ik niet. Die genezing is dus een wonder. Nog een voorbeeld. Ik heb een patiënte gehad met een goedaardige tumor in het hart. Ze is geopereerd, de tumor bleek kwaadaardig en zaaide uit. Chemotherapie sloeg niet aan, en de vrouw is naar huis gegaan om te sterven. Ze is nog eens een keer langs geweest, toen alle kanker was verdwenen.’ Zulke ervaringen houden hem nederig, zegt Dunning. Ze impliceren bovendien een les: ‘Als je goed kijkt naar je werk als arts moet je concluderen dat niet alles wat je bij patiënten teweegbrengt op jouw conto staat. Je moet oppassen: als je zulke wonderbaarlijke genezingen vaker ziet, kun je gaan denken dat ze het gevolg zijn van jouw interventies. Wat we dan kwijt zijn, is de notie dat de natuur zichzelf geneest. Wonderen bestaan alleen in onze verbeelding.’

Soldatenhart


Wat we onvoldoende beseffen is dat verbeelding een goede kapstok kan zijn om je hoop en vrees aan op te hangen, zegt Dunning. Ook de hedendaagse mens leeft in een ‘betoverde wereld’, zoals de titel van zijn voorlaatste boek luidt. Daarin merkt hij op: ‘Als de ziel alleen lichaamstaal spreekt, aanvaarden wij angst, ongeluk en levensbedreiging als vertaald in moeheid, concentratiestoornissen, soldatenhart of vergiftiging in een woestijnoorlog of bij een vliegramp. Het is een betoverde wereld, niet door spoken, geesten of duivels, maar door straling, gif en branden.’


De opkomst van de wetenschappelijk georiënteerde geneeskunde is gepaard gegaan met een geestelijk onbehagen over de moderniteit dat zich van tijd tot tijd en steeds weer op andere wijze uitdrukte in lichamelijke symptomen. ‘Volgens Elaine Showalter, schrijfster van Hystories, is hysterie niet verdwenen maar leeft ze onder andere namen, ‘gedemocratiseerd’, in onze samenleving epidemisch voort, zoals het chronischevermoeidheidssyndroom of verdrongen herinneringen aan seksueel misbruik’, zegt Dunning.


In hetzelfde boek schrijft hij ook dat het voor genezers, gezonden en patiënten in ons land heilzaam zou zijn geen wonderen te verwachten, nu gezondheid voor sommigen een religie dreigt te worden. ‘Onze zelfstandigheid is het meest gediend met een geneeskunde van bescheiden wensen’, houdt hij zijn lezers voor.


Het is hem nog altijd uit het hart gegrepen. De mensen zouden er juist goed aan doen zich te verwonderen over wat we de geneeskunde nu reeds allemaal vermag. ‘Ik verwonder me over het feit dat we tegenwoordig redelijk gezond oud worden en dat er in geval van ziekte een effectieve geneeskunde is die ons bijstaat en die we desnoods ook om een goede dood kunnen vragen. Als ik denk aan mijn ouders en grootouders en ik kijk rond in de wereld - en dat heb ik gedaan - dan weet ik dat het ook heel anders kan zijn.’

Remedie


Dunning probeert zich in voorkomend geval als een gewone patiënt te gedragen. Toch valt het niet altijd mee, als je zelf dokter bent. ‘Ik had vele kwalen, zeven verschillende specialisten en had op het laatst 23 tabletten en vier injecties per dag nodig. Prednison, antistollingsmiddelen, pijnstillers - dat kunnen riskante combinaties zijn. Dus ik ben op eigen gezag zelf geleidelijk gaan afbouwen. Veel dokters kunnen veel domme dingen. De remedie is voorzichtig zijn en goed overleggen.’ Maar hij wil ook gezegd hebben dat hij een paar keer is hersteld van ernstige ziekten en dat de geneeskunde daarin ‘een niet onbelangrijke rol’ speelde.


Peinzend: ‘Als ik morgen zou horen dat het niet lang meer zou duren, dan zou ik dat voor mijn vrouw, mijn kinderen en ook voor mijzelf verschrikkelijk vinden, maar het zou geen reden zijn om boos te zijn en te verzuchten waarom mij dit onrecht overkomt.’ 

Ad Dunning


Geboren 1930 in Arnhem


1950-1958: studie geneeskunde aan de UvA


1980-1994: hoogleraar cardiologie, AMC ­Amsterdam (vanaf 1981 afdelingshoofd)


1983-1996: hoofdredacteur NTvG


PubMed telt 169 publicaties van A.J. Dunning

Ad Dunning is medeoprichter Republikeins Genootschap, was voorzitter van de kandidatencommissie PvdA die in 1994 voor een volledig vernieuwde Tweede Kamerfractie moest zorgen. Hij was verder was onder meer vice-voorzitter van de commissie-Dekker en in 1991 voorzitter van de commissie Keuzen in de Zorg.

Dunning was van 1971 tot 1983 columnist voor Elsevier Weekblad en vanaf 1981 tot 1993 voor NRC Handelsblad.


Hij publiceerde bij uitgeverij Meulenhoff:


 Broeder Ezel (1981)


 Uitersten. Beschouwingen over menselijk gedrag (1990)


 Stof van dromen (1997)


 Betoverde wereld. Over ziek en gezond in onze tijd (1999)


 Post mortem (2003)

Klik hier voor de pdf van dit artikel.

cardiologie religie armoede
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.