Tuchtrecht
Uitspraak tuchtcollege

Een dorp te ver

Plaats een reactie

Hoever moet je gaan voor een patiënt? Letterlijk: hoeveel kilometer is nog acceptabel? Een huisarts moet bij voorkeur binnen vijftien minuten bij een patiënt kunnen zijn, in geval van spoed.

Dat is de reden dat de huisarts in dit verhaal een patiënte adviseerde naar een andere praktijk over te stappen. De vrouw woont ver van de praktijk in een dorp waar een andere huisarts zit. Misschien is haar huis wel bereikbaar in vijftien minuten, maar dan is het niet mogelijk om andere patiënten, aan de andere kant van het praktijkgebied, op tijd te bereiken. Aangezien de vrouw – zonder goede reden – thuisvisites eist, is de kans dat dat gebeurt niet denkbeeldig.

U voelt de irritaties waarschijnlijk.

Maar de huisarts blijft netjes, overlegt met de LHV, met de andere huisarts en biedt hulp aan bij de kennismaking met de andere praktijk. Het helpt niet, het verhaal eindigt bij de tuchtrechter. Die oordeelt dat er zwaarwichtige redenen waren om de behandelovereenkomst eenzijdig te beëindigen en verklaart de klacht ongegrond.

Sophie Broersen, arts/journalist

Diederik van Meersbergen, jurist


Uitspraak: 30 juni 2014

 

HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE EINDHOVEN

heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 12 december 2013 binnengekomen klacht van:

A

wonende te B

klaagster

tegen:

C

huisarts

werkzaam te D

verweerster

gemachtigde: mr. L. Neuschäfer-Greebe te Amsterdam

 

1. Het verloop van de procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-         het klaagschrift

-         het verweerschrift

-         de repliek

-         de dupliek

-         de brief van klaagster d.d. 2 mei 2014.

 

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is ter openbare zitting van 19 mei 2014 behandeld. Voor klaagster was aanwezig de heer E, zoals bij brief van klaagster d.d. 2 mei 2014 aangekondigd. Verweerster was aanwezig met haar gemachtigde. De standpunten van partijen zijn toegelicht.

2. De feiten

Het gaat in deze zaak om het volgende:

Klaagster is al ruim 40 jaar patiënt in de huisartsenpraktijk, welke ongeveer twee jaar geleden door verweerster met een collega is overgenomen.

Klaagster is al die tijd woonachtig op hetzelfde adres in B, volgens de routeplanner van de ANWB, gelegen op 14 minuten rijtijd van de praktijk.

Bij brief van 17 mei 2013 is klaagster door verweerster en haar collega geadviseerd patiënt te worden in een huisartsenpraktijk in B, waarbij onder meer is aangegeven dat er overleg is geweest met een collega in B, dat klaagster zich bij die praktijk direct kan aanmelden als patiënt en dat verweerster en haar collega ervan uitgaan dat klaagster binnen

3 maanden contact opneemt met die praktijk. Vervolgens heeft verweerster zowel mondeling als schriftelijk laten weten de behandelovereenkomst per 1 december 2013 te beëindigen.

Klaagster wenst echter patiënt te blijven in de praktijk van verweerster.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht

De klacht van klaagster komt er op neer dat zij verweerster verwijt dat zij op onjuiste gronden c.q. zonder dat er sprake is van een gewichtige reden de behandelrelatie heeft beëindigd per

1 december 2013.

Klaagster heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven – het navolgende aangevoerd.

Reden voor het stopzetten van de behandelovereenkomst is dat de woning van klaagster niet binnen de 15 minutennorm van de huisartsen zou vallen. Volgens de ANWB routeplanner en de opgevraagde informatie bij de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) valt het adres van klaagster echter wel binnen die norm. Bovendien is door de voorganger van verweerster een toezegging gedaan dat de behandelovereenkomst na de overname door verweerster en haar collega zou worden voortgezet. In de brochure van de LHV wordt wel gesproken over een inspanningsverplichting voor de huisarts om bij spoed binnen 15 minuten bij de patiënt te zijn, maar dit slaat op een nieuwe nog overeen te komen behandelrelatie. Op 31 januari 2014 is klaagster met haar auto naar de praktijk gereden voor een bloeddrukmeting en toen werd een afstand van 7,5 km aangegeven van deur tot deur. Zelfs bij een gemiddelde van 50 km per uur, zou dit ruim binnen de 15 minuten vallen. Klaagster wenst visites thuis. Zij heeft wel laten zien dat zij ook op consult in de praktijk komt. Zij is van mening dat daarover afspraken te maken zijn, maar dat er serieus naar haar situatie gekeken moet worden of zij wel of niet in aanmerking komt voor (deels) thuisbehandeling. Klaagster wil niet naar de huisartsenpraktijk in B vanwege negatieve ervaringen in het verleden bij een voorganger van de arts die nu in die praktijk werkzaam is.

4. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft aangegeven het te betreuren dat klaagster het stopzetten van de behandelovereenkomst zo persoonlijk opneemt. Ten aanzien van de praktijkgrenzen houden verweerster en haar collega zich aan de richtlijn van de LHV ‘een andere huisarts kiezen: informatie voor patiënt en huisarts’. Volgens die richtlijn heeft de huisarts een inspanningsverplichting om bij spoed binnen 15 minuten bij de patiënt te zijn. Volgens de ANWB routeplanner is de reistijd vanaf de praktijk naar klaagster in B 14 minuten, maar door onder andere landbouwverkeer is dit overdag vaak langer. Bovendien heeft de praktijk patiënten in F en in G op - zonder rekening te houden met landbouwverkeer - 20 minuten rijden vanaf B, terwijl in dat gebied geen lokale huisarts is gevestigd en in B wel. B is door verweerster en haar collega als ‘buiten hun praktijkgrens’ aangemerkt. Klaagster wil visites aan huis en weigert om naar de praktijk te komen voor een consult.

Visites in B gaan ten koste van de patiëntveiligheid van degene met een spoedeisende klacht. De veiligheid van zowel patiënten woonachtig buiten het verzorgingsgebied als van de patiënten die op dat moment binnen het verzorgingsgebied achterblijven, is dan in het geding.

Hun voorganger heeft klaagster, toen hij zijn praktijk neergelegde, uitgelegd dat visites aan huis niet meer vanzelfsprekend zouden zijn. Voor zover verweerster weet, zijn er door haar geen toezeggingen aan klaagster gedaan; in het dossier staat daarover niets vermeld, terwijl zij altijd alles opschrijft. Vanaf september 2011 is verschillende malen aan klaagster zowel telefonisch als in een persoonlijk gesprek uitgelegd waarom B als ‘buiten de praktijkgrens’ is aangemerkt. Er is uitgebreid de tijd voor genomen klaagster een en ander uit te leggen. Klaagster ging daar niet mee akkoord. Klaagster wil in de praktijk blijven én wenst visites aan huis. Het probleem is voorgelegd aan een juridisch adviseur van de LHV. Op diens advies heeft verweerster klaagster tijd gegeven om erover na te denken en is er actief voor klaagster gezocht naar een andere huisarts. Klaagster is welkom bij de huisarts in B. In augustus 2013 hebben verweerster en haar collega het in mei 2013 aan klaagster gedane verzoek herhaald en op 1 december 2013 hebben zij haar uitgeschreven en klaagster daarvan op de hoogte gesteld. Na de brief van mei 2013 heeft klaagster een klacht ingediend; daarop heeft verweerster klaagster uitgenodigd voor een gesprek. Klaagster gaf te kennen dat zij persé huisvisites wilde hebben zonder daarvoor een specifieke medische reden op te geven en was daarvan niet af te brengen.

De zorgvuldigheidseisen zijn in acht genomen: er is een redelijke termijn gegeven; verweerster is bereid geweest hulp te verlenen; er is een vervanger gezocht en

verweerster heeft zelfs aangeboden om een kennismakingsgesprek te arrangeren met de nieuwe arts, om de weerzin tegen de andere praktijk weg te nemen. Klaagster wil er echter niet van weten.

5. De overwegingen van het college

Na de overname van de praktijk door verweerster en haar collega hebben zij de praktijkgrenzen bepaald met inachtneming van de richtlijn van de LHV ‘een andere huisarts kiezen: informatie voor patiënt en huisarts’. Dit leidde er volgens hen toe dat B buiten de praktijkgrens kwam te vallen. Volgens klaagster is dat ten onrechte omdat zij, naar zij stelt, een keer van haar huis naar de praktijk is gereden waarbij de afstand 7,5 km bedroeg.

Vaststaat dat de routeplanner van de ANWB 14 minuten aangeeft. Volgens verweerster moet evenwel rekening gehouden worden met verkeer van landbouwwerktuigen, waardoor meer tijd nodig zal zijn, en met het feit dat de afstand van B naar andere patiënten in E. en in F., waar - anders dan in B - geen lokale huisarts is gevestigd, ruim 20 minuten in beslag neemt. Dit laatste is niet door verweerster weersproken.

Buiten kijf is dat verweerster bij de eenzijdige opzegging alle zorgvuldigheidseisen in acht heeft genomen. Verweerster  heeft ook advies gevraagd aan LHV. Zij is bij de opzegging zeker niet over één nacht ijs gegaan.

De vraag is evenwel of verweerster een valide reden had dan wel of er zwaarwichtige redenen waren de behandelovereenkomst eenzijdig te beëindigen.

Het antwoord moet naar het oordeel van het college gevonden worden in de navolgende  combinatie van factoren.

Duidelijk is dat verweerster, als zij zich in B zou bevinden wanneer zich een spoedvisite zou aandienen in F of in G alwaar geen andere huisarts gevestigd is zoals hiervoor beschreven, te lang onderweg zou zijn naar die patiënt met een spoedeisende klacht.  

Daarbij komt dat verweerster het risico met een dergelijke situatie geconfronteerd te worden vaker loopt door het feit dat klaagster volgens haarzelf enorm hecht aan een thuisvisite en volgens verweerster persé een thuisvisite wenst.  

Klaagster stelt zich op het standpunt dat niet alleen de voorganger van verweerster de thuisvisites deed, maar ook dat verweerster heeft toegezegd dat alles bij het oude zou blijven.

Verweerster daarentegen heeft verklaard dat ook haar voorganger al van die visites af wilde en klaagster heeft uitgelegd dat bij overname van de praktijk de visites aan huis niet vanzelfsprekend meer zouden zijn, en voorts dat zijzelf een dergelijke toezegging aan klaagster niet heeft gedaan.

Dienaangaande overweegt het college dat in gevallen, waarin de lezingen van partijen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is, een verwijt dat gebaseerd is op de lezing van klaagster in beginsel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op het uitgangspunt dat het woord van klaagster minder geloof verdient dan dat van verweerster, maar op de omstandigheid dat voor het oordeel dat een bepaalde gedraging of bepaald nalaten verwijtbaar is eerst moet worden vastgesteld dat er een voldoende feitelijke grondslag voor dat oordeel bestaat. Daarbij is van belang dat de lezing van klaagster niet wordt gestaafd door het medisch dossier, zoals verweerster onweersproken heeft gesteld.

Het onverkort vasthouden aan het afleggen van visites aan huis in B komt in een vreemd daglicht te staan nu is vastgesteld dat klaagster een auto heeft en ook zelf auto rijdt.

Klaagster heeft geen gebruik gemaakt van de door verweerster aangeboden hulp om kennis te maken met de opvolgend huisarts in B. Klaagster is blijven vasthouden aan de praktijk alwaar verweerster werkzaam is, maar heeft wel buiten de onderhavige klacht tweemaal (in juni en in november 2013) een klacht tegen verweerster  ingediend.

Verweerster heeft ter zitting aangegeven dat de arts-patiënt relatie daardoor ernstig onder druk is komen te staan.

Op grond van voormelde overwegingen is het college van oordeel dat verweerster bij de overname van de praktijk het aan klaagster door de voorganger van verweerster op persoonlijke titel verleende privilege niet gestand behoefde te doen en dat zij op basis van het feit dat klaagster, woonachtig in B, visites aan huis bleef claimen hetgeen ertoe konden leiden dat verweerster in een situatie zou kunnen komen waarbij zij de 15 minuten-norm zou moeten overschrijden waardoor de zorg bij spoedzaken in het gedrang zou kunnen komen, eenzijdig de behandelovereenkomst kon opzeggen.

Klaagster kan in B terecht bij een huisarts die weliswaar de praktijk heeft overgenomen van de niet door klaagster gewenste arts maar toch niet met die arts geïdentificeerd kan worden.

Daar komt naar het oordeel van het college bij dat een herstel van de behandelrelatie niet in de rede ligt vanwege de door klaagster tegen verweerster ingediende klachten, waardoor de arts-patiënt relatie ernstig onder druk is komen te staan.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend bepaalt het college dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden gepubliceerd.

6. De beslissing

Het college:

 

     -    wijst de klacht af;

     -    bepaalt dat deze beslissing zal worden bekend gemaakt in de Staatscourant en op de

          voet van artikel 71 Wet BIG zal worden aangeboden aan ‘Medisch Contact’ met het

          verzoek tot plaatsing.

Aldus beslist door mr.P.G.Th. Lindeman-Verhaarals voorzitter, mr.I.E.M. Sutorius als lid-jurist,J.D.M. Schelfhout, M.Ch. Doorakkers,L. Relik-van Welyals leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid vanC.W.M. Hillenaarals secretaris en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2014 in aanwezigheid van de secretaris.

<b> Download dit artikel met de ingekorte uitspraak</b>
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken. Sinds eind 2020 werkt zij daarnaast als arts bij het team seksuele gezondheid van de GGD Hollands Midden.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.