Inloggen
Laatste nieuws
Mart van Lieburg Eva Nyst
12 minuten leestijd

‘Vanaf 1 mei 1941 ben ik niet meer te consulteeren’

Hoe het net zich sloot rond Joodse artsen in bezet Nederland

Plaats een reactie

226 Joodse artsen en genees­kunde­studenten uit Nederland overleefden de nazivervolging niet. Hun namen staan op het Holocaust Namenmonument, dat op 19 september door de koning wordt onthuld. Hun verhaal komt terug in de reizende tentoonstelling die de KNMG maakte in samenwerking met medisch historicus Mart van Lieburg.

Op 30 september 1938 viel het doek voor Joodse artsen in Duitsland. Op die dag trad de vierde verordening van de Neurenberger wetten in werking, die hen verbood hun vak uit te oefenen. Het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde liet in het bericht ‘Geen Joodsche artsen meer in Duitschland’ weten dat de maat­regel daarnaast ‘voorschriften omtrent de regeling van het vervallen van dienstcontracten en het ontruimen van woningen en voor het uitoefenen der practijk gebruikte woningruimten’ omvatte.

De dramatische ontwikkelingen drongen zich ook aan de medische wereld in Nederland op, doordat duizenden Joodse medici Duitsland, Oostenrijk en Tsjechoslowakije ontvluchtten. Zo’n vijftig vooral oudere artsen – onder wie prominente medici als neuroloog en dirigent Kurt Singer en oogarts Arthur Czellitzer uit Berlijn – klopten hier aan. Een noodfonds met als doel ‘door moreelen en financieelen steun, het leed te verzachten van deze Collegae, die, louter omdat ze van ander ras zijn, verdrukt worden’, dat enkele tientallen Joodse artsen in 1933 lanceerden, was in 1935 wegens gebrek aan respons opgeheven. De herintroductie ervan in 1938 was wel succesvol.

Drie Joodse hoogleraren interne geneeskunde

Drie universiteiten hadden een Joodse hoogleraar op de leerstoel interne geneeskunde: Isidor Snapper in Amsterdam (op de foto links), Abraham Hijmans van den Bergh in Utrecht (midden) en Leonard Polak Daniëls in Groningen (rechts).

Polak Daniëls koos op 14 mei 1940 voor suïcide; Hijmans van den Bergh overleed in 1943 in de onderduik; Snapper was in 1938 met verlof vertrokken naar China en ontkwam zo aan de Holocaust.

Ook ideologisch boden artsen tegenwicht aan de nazi’s

Rassenwaan

Niet alleen financieel, maar ook op ideologisch vlak hoopten artsen tegenwicht aan de nazi’s te bieden. Floris Wibaut, oogarts met belangstelling voor genetica, stelde maart 1940 in het medische tijdschrift Vox medicorum de ontsporing van de rassenleer tot rassenwaan aan de kaak. Tijdens de bezetting zou Wibaut een belangrijke rol in het artsenverzet spelen. En terwijl de juridisch hoogleraar Rudolph Cleveringa op 26 november 1940 in Leiden zijn beroemde protestrede hield tegen het ontslag van de Joodse hoogleraren, gaf zijn collega Ton Barge in de medische faculteit zijn al even bekende ‘rassencollege’. Al in 1938 had Barge zijn opvattingen beschreven in de bundel De rassen der menschheid. Van een Joods ras kon geen sprake zijn: Joden vormden een volk. Hetzelfde gold voor het vermeende Arische ras.

Collaborerende artsen waren er ook, verenigd in Medisch Front. In hun tijdschrift Volksgezondheid wakkerden ze de Jodenhaat op allerlei manieren aan met als doel de Nederlandse gezondheidszorg ‘Jodenvrij’ te maken.

Razzia te Amsterdam

In de vroege ochtend van 26 mei 1943 hielden de Duitsers een razzia op de Geldersekade. Vanuit het woonhuis boven zijn apotheek aan de overkant, Geldersekade 84, fotografeerde Herman Wijnne dit met zijn camera. Op nummer 75 woonden huisarts Aron Souget en zijn vrouw Betsy Bosman. Volgens haar overlijdensakte is Betsy op 25 mei 1943 overleden, een aantekening vermeldt suïcide. Op de foto zijn de Duitsers het doktershuis op nummer 75 al gepasseerd. Dokter Aron Souget zou dus in de groep arrestanten moeten lopen. Hij werd naar de Hollandsche Schouwburg gebracht, waar hij wist te ontsnappen. Op zijn onderduikadres kreeg hij op 4 februari 1944 een hartinfarct.

Toen Nederland eenmaal was bezet, werden Joodse artsen die werkten bij universitaire instellingen en gemeentelijke ziekenhuizen net zoals alle Joodse ambtenaren in november 1940 ontslagen. Op 5 februari 1941 volgde een schokgolf in medisch Nederland met de verordening die Joodse artsen verbood om niet-Joodse patiënten te behandelen. Tienduizenden patiënten moesten zich laten overschrijven van een Joodse naar een niet-Joodse arts, of omgekeerd. In dagbladen verschenen talloze advertenties zoals: ‘Dr. S. Koster, zenuwarts, Vossiusstraat 10. Voortaan alleen Joodsche patiënten.’ Een andere dokter, huisarts Oscar Cahen uit Dordrecht, nam in een brief getiteld ‘In Neerland rouwt Israël’ maart 1941 afscheid van zijn patiënten. ‘Hierbij vervul ik den treurigen plicht, mede te deelen, dat ik van af 1 Mei 1941 niet meer te consulteeren ben, ingevolge de opdracht van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, waarbij mij verboden werd niet-Joodsche patiënten te behandelen.’ Hij stierf op 13 maart 1943 in Sobibor.

‘Het is mij verboden niet-Joodse patiënten te behandelen’

‘Vertrokken’

De bezetter had intussen verwoede pogingen gedaan via de Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG) om de medische beroepsorganisaties te nazificeren. Op 26 mei 1941 eisten de Duitsers vertegenwoordiging in het bestuur van de NMG en medewerking aan de ‘Ausschaltung jüdischer Ärzte’. De publicatie van dit besluit in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde van 14 juni 1941 leidde tot een massaal protest. De leegloop van de NMG kwam snel op gang. Kort daarna werd in de illegaliteit het startsein gegeven voor het artsenverzet in de organisatie ‘het Medisch Contact’. Op 19 december 1941 ontbond de bezetter de NMG en verving deze door de Nederlandsche Artsenkamer, die van meet af aan te maken kreeg met een massale boycot. Om zich aan de maatregelen van de Artsenkamer te kunnen onttrekken lieten tientallen artsen weten van hun medische bevoegdheid af te zien. De Artsenkamer hield een namenlijst bij waarop de Joodse artsen met een ‘J’ werden gemarkeerd. De aantekening ‘vertrokken’ was de eufemistische notering van hun deportatie.

Joodse medici op Holocaust Namen­monument

Bij de Duitse inval op 10 mei 1940 waren er bijna 7000 artsen en medisch studenten in Nederland, onder wie 660 Joodse. Van die laatsten zijn tijdens de bezettingsjaren 167 artsen en 59 medisch studenten omgekomen tijdens de deportatie, in kampen vermoord of omgekomen tijdens de dodenmarsen. Zij staan vermeld op het Holocaust Namenmonument. Dit wordt op 19 september door koning Willem-Alexander in Amsterdam onthuld. Het monument is ook voor Roma en Sinti, maar onder hen zijn geen artsen bekend. Artsen­federatie KNMG heeft de gedenkstenen met de namen van artsen op het Holocaust Namenmonument geadopteerd en een reizende tentoonstelling ingericht.

v.l.n.r. Jacob Sanders Azn, Herman Pinkhof, Jeanne Amalia Bles, Bernard Presmela
v.l.n.r. Jacob Sanders Azn, Herman Pinkhof, Jeanne Amalia Bles, Bernard Presmela

Jacob Sanders Azn (1887 – Midden-Europa, 28 februari 1945)

Op het eerste gezicht wekt het verbazing dat Jacob Sanders als Joodse arts bekendheid kreeg door zijn erfelijkheidsonderzoek en studie van de rassenbiologie. Maar hoewel de eugenetica in Duitsland de drijvende gedachte werd achter de Holocaust, had dit veld elders nog niet de lading die het later meetorste. Eerst was Sanders huisarts in Rotterdam, vervolgens werkte hij aan het Nederlandsch Instituut voor Erfelijkheidsonderzoek bij den Mensch en voor Rassenbiologie in Den Haag. Onder de schuilnaam ‘Jan Smit’ verleende hij hulp aan parachutisten, maar hij werd gearresteerd en via Kamp Westerbork volgde zijn deportatie naar een van de Midden-Europese kampen, waar hij werd vermoord.

Herman Pinkhof (1863 – Westerbork, 16 juli 1943)

In de medische wereld geniet Pinkhof blijvende roem als auteur van het genees­kundig woordenboek dat zijn naam draagt. Binnen de Joodse gemeenschap speelde deze Amsterdamse huisarts een prominente rol als wijkarts bij het Nederlandsch Israëlitisch Armbestuur en als kenner van de Talmoed en schrijver van de medische handleiding voor de ‘mohelim’ (kerkelijke besnijders). Landelijke bekendheid kreeg Pinkhof mede door zijn vele artikelen in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde. Behalve over de ‘beroepsbelangen’ van de arts schreef hij over vrijwel alle actuele kwesties uit de toenmalige medische wereld: beroepsgeheim, vrije artsenkeuze, inentingsdwang, kindersterfte, homeopathie, farmacotherapie en zoveel meer.

Jeanne Amalia Bles (1875 – Bergen-Belsen, 27 maart 1945)

In de medische wereld van Rotterdam was Jeanne Bles een begrip. Zij had zich na haar artsexamen in 1901 gespecialiseerd in de kindergeneeskunde en legde zich toe op de zuigelingenzorg. Behalve aan huis hield zij spreekuren in een specialistenpolikliniek en was zij verbonden aan het Sophia Kinderziekenhuis, waar zij in 1903 de zuigelingenafdeling opende. Ze was medeoprichter van de Vereniging tot Bescherming van Zuigelingen, bestuurslid van de Nederlandse Vereeniging voor Kindergeneeskunde, en redactielid van het Monatschrift für Kinderheilkunde. Ze overleed op 27 maart 1945 in Bergen-Belsen.

Bernard Premsela (1889 – Auschwitz, september 1944)

Door zijn populaire boeken over seksualiteit en voortplanting, zoals De gevaren van den abortus, Geslachtelijke voorlichting van onze kinderen en Bewuste regeling van het kindertal genoot de Amsterdamse huisarts Bernard Premsela landelijke bekendheid. In 1925 opende hij een Consultatiebureau ter bevordering van het Genees­kundig Onderzoek voor het Huwelijk en in 1931 was hij oprichter-directeur van het Dr. Aletta Jacobs-huis (Consultatiebureau voor geslachtsleven, huwelijk en geboorteregeling) te Amsterdam. In 1943 werd hij gearresteerd en naar Westerbork gebracht en vandaar in augustus 1944 naar Theresienstadt gedeporteerd, waar hij direct na aankomst werd vermoord.

v.l.n.r. Hettie Mendels-van Gelder, Leendert Tinus de Jong, Abraham André Duitscher, Max Louis Levie
v.l.n.r. Hettie Mendels-van Gelder, Leendert Tinus de Jong, Abraham André Duitscher, Max Louis Levie

Hettie Mendels-van Gelder (1916 – Polen, 15 november 1944)

Bij het uitbreken van de oorlog was Hetty vijfdejaars medisch studente en pas kort getrouwd met de Joodse internist Jonas Mendels, werkzaam in Het Apeldoornsche Bosch. Van studeren kwam niet veel meer, ook al omdat ze een zoontje kreeg dat bij een echtpaar in Friesland moest worden ondergebracht. Op 22 januari behoorden zij en haar man tot het personeel van het Apeldoornsche Bosch dat via Westerbork en Vught richting Oost-Europa werd getransporteerd: haar man naar Auschwitz en zij naar een onbekende bestemming. Beiden keerden niet terug.

Leendert Tinus de Jong (1919 – Auschwitz, 15 december 1942)

De Jong was de zoon van de Utrechtse huisarts Martin de Jong, die ook tot de Holocaustslachtoffers behoort. Leendert was net zijn semiartsexamen gepasseerd toen hij op transport werd gesteld omdat hij een oproep had gekregen en niet over een Sperr beschikte. Ook zijn Joodse verloofde en eveneens medisch student Marianne Blazer werd opgepakt. Beiden werden via Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd en zijn daar eind 1942 vergast.

Abraham André Duitscher (1920 – Mauthausen, 24 mei 1941)

In 1940 was Abraham Duitscher tweedejaarsstudent geneeskunde in Amsterdam. Een beursstudent, want na het overlijden van zijn vader in 1939 waren de inkomsten uit de avondwinkel van zijn moeder ontoereikend om zelf de studiekosten te dragen. Al op 22 februari 1941 werd hij bij een razzia opgepakt en naar het gevangenkamp Schoorl overgebracht. Vandaar volgde zijn deportatie naar het beruchte concentratiekamp Mauthausen. Hij overleed op 24 mei 1941, 20 jaar oud, en was daarmee de eerste Nederlander die in ‘de hel van Mauthausen’ de dood vond.

Max Louis Levie (1921 – Auschwitz, 3 augustus 1943)

De sluiting van de Leidse universiteit noodzaakte Levie als tweedejaarsstudent zich in Utrecht te laten inschrijven. Toen de studie hem ook in Utrecht onmogelijk werd gemaakt, probeerde hij in het Nederlandsch-Israëlitisch Ziekenhuis medische ervaring op te doen. In juli deed hij een poging via België naar Zwitserland te vluchten, maar hij werd in Mechelen gearresteerd. Via Westerbork werd hij juli 1943 naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij kort na aankomst werd vermoord.


Joodse ziekenhuizen

De zeven Joodse ziekenhuizen – in Amsterdam, Rotterdam, Haarlem en Apeldoorn – werden begin 1943 gesloten. Op dat moment werkten er in totaal zo’n dertig Joodse artsen. Met uitzondering van het Joles Ziekenhuis in Haarlem, dat stilzwijgend bij het Sint-Elisabeth- of Groote Gasthuis werd ingelijfd, was er sprake van ontruimingen met bruut geweld tegen zowel personeel als patiënten. Het meest schokkend was de ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch op 21 januari 1943, waarbij circa twaalfhonderd psychiatrische patiënten en vijftig personeelsleden werden gedeporteerd. Via Westerbork gingen zij direct op transport naar Auschwitz-Birkenau. In Westerbork was de medische zorg overigens goed georganiseerd, met onder meer een ‘ziekenhuis’, een polikliniek en spreekkamers voor de huisartsen en specialisten. Zo nodig reisden patiënten naar het Algemeen Stads- en Academisch Ziekenhuis in Groningen voor specialistische behandeling.

Joodse artsen buiten de kampen

Er waren ook Joodse artsen en geneeskundestudenten die op andere manieren dan door deportatie en kampen slachtoffer werden van de Tweede Wereldoorlog.

Zelfmoord

Willy Albert Levy (1899 – Amsterdam, 15 mei 1940) had zich na zijn artsexamen (1926) in de chirurgie gespecialiseerd. Behalve in zijn particuliere praktijk werkte hij als uitwonend assistent in het Binnengasthuis van Amsterdam. Op de dag van de capitulatie voor de Duitsers besloten hij en zijn echt­genote door het innemen van cyanidetabletten zich het leven te benemen.

Overleden in de onderduik

Levie Kwitser (1866 – Goor, 17 januari 1945), rustend huisarts, ging na de ‘gewelddadige dood’ in 1941 van zijn echt­genote in onderduik, eerst bij een plaatselijke kennis en in 1943 in Den Haag, de geboorteplaats van zijn vrouw. Daar overleed hij op 17 januari 1945.

Gesneuveld

Ephraïm Behr (1905 – Grebbeberg, 14 mei 1940) werkte bij het Laboratorium voor Pathologie te Groningen en nam na de Duitse inval vrijwillig dienst bij het korps van de Geneeskundige Dienst. Tijdens gevechten bij de Grebbeberg werd hij door een kogel geraakt.

Gevlucht

Johan Voorzanger (1874 – New York, 12 november 1943) was rustend huisarts in Dordrecht. Met zijn echtgenote voer hij met een vrachtschip naar Amerika, maar dat liep kort na het uitvaren op een mijn. Bij een tweede poging bracht een Britse torpedobootjager hen naar New York. Heimwee en berichten over omgekomen familie maakten hun bestaan ondragelijk. Voorzanger overleed in 1943.

Omgekomen buiten Nederland

Wolf Schijveschuurder (1896 – Tiram Ned. Indië, 26 juni 1944) voer aan boord van het schip Harugiku Maru, dat was ingezet voor het transport van 1174 krijgsgevangenen naar Sumatra. In de Straat van Malakka werd het schip getorpedeerd. 178 opvarenden verdronken, onder wie Schijveschuurder.

Overleden na de oorlog

Marc Frederik van Hasselt (1923 – Den Haag, 23 november 1946) was geneeskundestudent in Amsterdam. Zijn familie plaatste januari 1946 een overlijdensadvertentie in het Algemeen Handelsblad. Hij overleed, 22 jaar oud, ‘na lang­durig, voorbeeldig gedragen lijden, gevolg van zijn verblijf te Dachau’.

Zeer schokkend was de ontruiming van Het Apeldoornsche Bosch

Joodse medisch student in Buchenwald

Max Hamburger, sinds 1938 medisch student te Amsterdam, werd gefotografeerd tijdens zijn verblijf in concentratiekamp Buchenwald: in het middenvak onder. De foto is van leger­fotograaf Harry Miller, op 16 april 1945 aanwezig bij de bevrijding van de gevangenen. Hamburger was oktober 1943 opgepakt, naar Westerbork gebracht en vandaar begin februari 1944 gedeporteerd naar Auschwitz. Via verschillende kampen kwam hij in Buchenwald terecht. Uitgehongerd, met een gewicht van 28 kg, en aangedaan door tuberculose keerde hij terug in Nederland. Daar hervatte hij zijn studie, behaalde in 1953 zijn artsdiploma, specialiseerde zich en vestigde zich als psychiater.


Universiteiten

Aan de universiteiten van Leiden, Utrecht, Groningen en Amsterdam studeerden mei 1940 ruim drieduizend medisch studenten, onder wie circa 250 studenten van Joodse afkomst. De maatregelen van de Duitse bezetter tegen de Joodse gemeenschap, zoals het dragen van de davidster vanaf september 1941 en het verbod om openbare inrichtingen zoals universiteitsbibliotheken te bezoeken, trof ook de Joodse hoogleraren en medisch studenten. Zo werd de 19-jarige geneeskunde­student Joost Vaz Dias gearresteerd omdat hij de Jodenster niet droeg. De hoogleraar histologie Carel Heringa naar wie hij op weg was, was een sleutelfiguur in het universitaire verzet. Na overgedragen te zijn aan de Sicherheitsdienst werd Vaz Dias naar Kamp Vught overgebracht, en vandaar naar het concentratiekamp Sobibor gedeporteerd, waar hij bezweek op 31 oktober 1943. Een van de Joodse geneeskundestudenten in het verzet is Rudi Bloemgarten. Hij staat genoemd op de gedenkplaten van de Eerebegraafplaats Bloemendaal in Overveen voor de gefusilleerde aanslag­plegers op het Amsterdamse bevolkingsregister. De 167 artsen en 59 Joodse geneeskundestudenten uit Nederland overleden door deportatie, dodenmarsen of in de vernietigingskampen, vooral in Auschwitz en Sobibor. 

Reizende tentoonstelling KNMG

De reizende tentoonstelling van de KNMG is samengesteld door hoogleraar medische geschiedenis Mart van Lieburg op basis van archiefmateriaal dat hij bijeenbracht in het Trefpunt Medische Geschiedenis Nederland op Urk. Dit kennis-, documentatie- en erfgoedcentrum fungeert als platform voor niet-universitair onderzoek naar de geschiedenis van de zorg. Binnenkort verschijnt Van Lieburgs boek over Joodse artsen die omkwamen tijdens de Tweede Wereldoorlog.


auteurs

prof. dr. Mart van Lieburg, em. hoogleraar medische geschiedenis Erasmus MC, bibliothecaris KNMG

Eva Nyst, Medisch Contact

Lees ook

  • Eva Nyst

    Eva Nyst (1973) is journalist bij Medisch Contact en heeft als aandachtsgebieden veiligheid, recht, ethiek en preventie.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.