Blogs & columns
Bert Keizer
Bert Keizer
2 minuten leestijd
Column

Familiedokteren

1 reactie

Al halverwege mijn studie kwam ik de verkeerde variant tegen. Ik was met mijn eveneens geneeskunde studerende vriendin op verjaardagsbezoek bij mijn vader. Familiekring, advocaatje voor de vrouwen, jenever voor de mannen en als borrelhapje een plakje boterhamworst rond een augurk. Ik stelde mijn vriendin voor waarop oom D., die er kennelijk al een paar op had, door alle tabakswalm heen met vruchteloos optimisme tegen haar zei: ‘Door jou zou ik wel eens onderzocht willen worden.’ Ja, 1975, dat vond men toen ‘een goeie bak’.

Zelf blunderde ik er ook behoorlijk op los toen ik nog maar net arts was. Een vriendin toonde mij eens bezorgd een groeisel op het lijfje van haar kind. Ik zei dat dat een pukkel was en dat dat onder de P viel. Ik legde uit dat we ziektes op alfabet bestudeerden en dat ik nooit aan de P was toegekomen omdat ik nog steeds vastzat in de K van kanker. Nee, het viel niet goed.

Veel dichter bij huis: onze dochter van twee was ineens erg stil en braaf. Ze was een onstuitbaar klimaapje, maar ineens zat ze stilletjes op de bank. We snapten er niks van. Vader onderzocht haar. Niks te zien. Huisarts onderzocht haar, niks aan de hand. Naar de SEH. Nog geen diagnose. Maar terug van de SEH zag moeder eindelijk wat er aan de hand was: claviculafractuur. Au pappie!

Een paar jaar later zat ze op de basisschool en had ze last van een puistje bij haar mond. ‘Krentenbaard!’ riep ze, vader schoof dat bruusk terzijde. Maar het was wel degelijk impetigo en het werd me nog jaren ingewreven, vooral bij moeizame onderhandelingen.

Het omgekeerde is me ook overkomen: te gretig iets geruststellends zeggen. Toen een buurman getroffen werd door een merkwaardige fractuur, was zijn vrouw bang dat daar iets akeligs achter zou kunnen zitten. Ik stelde haar gerust ‘want zoiets zien ze meteen al op de röntgenfoto’. Maar het was wel een osteosarcoom. Hou dan toch ook je mond dicht, is de les.

Maar dat werkt niet als je ziet, of meent te zien, dat iemand van wie je houdt niet goed wordt behandeld. In 1994 werd mijn stervende vader op 87-jarige leeftijd grondig te grazen genomen door een aantal ijverige specialisten in een perifeer ziekenhuis. Ik zat in Amsterdam en het lukte me nooit om zo rond half zes ’s middags (aan het eind van mijn eigen werkdag) een arts aan de telefoon te krijgen om het beleid te bespreken. Ik was driedubbel gehandicapt: verpleeghuisarts (yak) – zoon (veel te betrokken) – en het speelde allemaal in een andere stad.

Ik had me er veel liever niet mee bemoeid

Na een lastige worsteling wisten we hem uit hun handen te bevrijden door overplaatsing naar een geriatrische afdeling elders af te dwingen. Het was familiedokteren met een goede afloop, maar ik had me er veel liever niet mee hoeven te bemoeien.

familie
  • Bert Keizer

    Bert Keizer is specialist ouderengeneeskunde en filosoof. Sinds 2016 is hij werkzaam voor het Expertisecentrum Euthanasie (voorheen: de Levenseindekliniek). Hij schreef maar liefst zeventien jaar voor Medisch Contact. Ook is hij columnist bij Trouw.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • GJ Bonte

    Neuroloog, Dalfsen

    Zou het wellicht zou kunnen zijn dat het "familie en kennissen dokteren" zo krachtig afgeraden wordt, omdat daarmee pijnlijk duidelijk wordt hoe het normale niveau van functioneren van de betrokken arts is? Ik vraag het me soms af...

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.