Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
recht

Zomerportret 2 - Jenneke Rowel-van der Linde: ‘Soms lijkt de tekst wat kort door de bocht’

1 reactie


Ook deze zomer presenteert Medisch Contact een interviewserie met bijzondere mensen uit de medische wereld.

Vorige week spraken we Marli Huijer. Deze week Jenneke Rowel-van der Linde, die sinds 1 april voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is. De volgende keer: longarts Marjolein Drent, deskundige op het gebied van interstitiële longaandoeningen.


INTERVIEW

Nieuwe voorzitter CTG wil uitspraken beter motiveren

Jenneke Rowel-van der Linde is de nieuwe voorzitter van het Centraal Tuchtcollege. De organisatie krijgt nogal pittige kritiek te verduren, en Rowel komt dan ook niet echt in een gespreid bedje. Hoewel ze aanvankelijk even aarzelde is ze toch graag bereid de visie van het college toe te lichten.


Jenneke Rowel-van der Linde (1959)

1978-1982 Nederlands recht, Universiteit Utrecht

1982-1986 advocaat bij De Jonge en Peters advocaten, Deventer

1987-1990 rechterlijk ambtenaar in opleiding, Rechtbank Zutphen

1990-2006 rechter, Rechtbank Zutphen, vanaf 2002 sectorvoorzitter

2006-2012 raadsheer Gerechtshof Leeuwarden, vanaf 2008 sectorvoorzitter

2013-april 2015 afdelingsvoorzitter Civiel, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden,

vanaf januari 2015 senior raadsheer

2014-heden voorzitter Geschillencommissie Garantiewoningen

april 2015-heden voorzitter Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

 

Rustig vaarwater is het niet, waar de nieuwe voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG), Jenneke Rowel-van der Linde (56 jaar), in is terechtgekomen. Eind vorig jaar verscheen de tweede evaluatie van de Wet BIG, waarin kritische kanttekeningen werden gemaakt over het functioneren van het tuchtrecht, zoals het inconsistente beleid bij het opleggen van een waarschuwing. Eerder dit jaar ontstond ophef over een brief van het presidium – de plaatsvervangende voorzitters van het CTG – aan alle leden, waarin de indruk werd gewekt dat het CTG voortaan zou uitgaan van een berisping, tenzij er redenen waren om een andere maat-regel op te leggen. En dan is er nog de kritiek van juristen zoals Aart Hendriks en Martin Buijsen, die een verschuiving richting het strafrecht waarnemen. Voldoende stof om over te praten dus.
Ze formuleert zorgvuldig, voorzichtig bijna. Eigenlijk had ze dit gesprek pas later willen voeren, nadat ze een halfjaar in functie was. Niet al na tweeënhalve maand. De ophef over de ‘berisping, tenzij’-brief deed haar besluiten toch eerder naar buiten te treden, om te verhelderen wat het CTG voor ogen heeft.
In tegenstelling tot haar meest recente voorgangers is Rowel-van der Linde tot aan haar aantreden geen lid geweest van een medisch tuchtcollege. Zij begon haar loopbaan als advocaat, volgde een verkorte rechtersopleiding, en heeft daarna bij verschillende rechtbanken en gerechtshoven gewerkt, waar ze zowel bestuurs-, managements- als meer inhoudelijke functies vervulde. ‘Toen kwam deze functie voorbij, en daarin kwam voor mij veel samen, zowel de verschillende taken die ik zal uitvoeren, als inhoudelijk interessante thematiek. Ooit twijfelde ik tussen geneeskunde en rechten, die interesse is er altijd geweest. In mijn nabije omgeving ken ik ook verschillende mensen die lid zijn van tuchtcolleges, en hun enthousiasme voor het vak is aanstekelijk.’

Verhuizen
Het kantoor van de nieuwe voorzitter bevindt zich op de twaalfde verdieping van de zogenaamde Muzentoren, hartje Den Haag. Ze heeft een prachtig uitzicht over de stad. ‘Nog even, want eind dit jaar verhuizen we naar het Paleis van Justitie.’ Jammer zeker? ‘Nee, het is misschien minder riant, maar ik denk dat het contact tussen de leden van het tuchtcollege en het kantoor van het CTG er eenvoudiger door wordt.’
Die ruim 150 leden, beroepsgenoten en juristen, zitten namelijk niet op de gang bij Rowel-van der Linde, maar komen telkens voor een zitting naar de rechtbank. Dat gegeven maakt het verkorten van de doorlooptijd van de tuchtcolleges, zoals de minister van VWS wenst, ingewikkeld: ‘Ik deel dat streven, maar het is van belang dat de juiste leden-beroepsgenoten deel uitmaken van een tuchtcollege dat een aangeklaagde zorgverlener voor zich heeft. Voor die leden komt hun werk voor het CTG boven op hun andere werk, en ze moeten vanuit het hele land naar Den Haag komen voor een zitting. We proberen zaken zoveel mogelijk te clusteren, maar dat is lastig, zeker als in één zaak meerdere mensen zijn aangeklaagd, met verschillende functies.’
Inhoudelijk heeft Rowel een ander speerpunt: het verbeteren van de motivering van uitspraken en opgelegde maatregelen.

Wat bedoelt u daarmee?
‘Uit onderzoek kwam vorig jaar naar voren dat niet altijd duidelijk is waarom voor een bepaalde maatregel wordt gekozen. Dan gaat het vooral om het onderscheid tussen een waarschuwing en een berisping. De leidraad is dat een berisping gerechtvaardigd is bij laakbaar gedrag, maar dat is geen eenduidig begrip. Uit de motivering die de tuchtcolleges geven, valt niet altijd op te maken waarom een bepaalde keuze is gemaakt.’

En dat mondde uit in die brief, die ophef veroorzaakte, en waarin als een van de besluiten stond: ‘Bij het opleggen van een maatregel zal voortaan als uitgangspunt worden gehanteerd dat ten minste een berisping wordt opgelegd, tenzij er aanleiding bestaat te volstaan met een waarschuwing.’
‘Ja, helaas wel. Die brief is ongelukkig geland, of ongelukkig geformuleerd, moet ik misschien zeggen. Die brief was bedoeld om intern de discussie in de raadkamer scherper te laten verlopen, en om preciezer te motiveren. Ik wil het beeld wegnemen dat we beogen zwaardere maatregelen op te leggen. Dat is niet zo. En voor veel zaken zal er geen discussie zijn, maar het gaat om het grijze middengebied. Het idee was dat we in die gevallen beginnen te redeneren vanuit een berisping, en vervolgens onderbouwen waarom dat wel of niet terecht is.’

Dus het feit dat er relatief steeds vaker berispingen worden opgelegd is toeval?
‘Uit cijfers blijkt dat er enige verschuiving gaande is in de ver-houding tussen waarschuwingen en berispingen. Daar heb ik nog geen verklaring voor, daar ben ik wel naar aan het kijken. Het kan ook aan de zaken liggen. Tuchtcolleges oordelen overigens ook wel eens dat er iets fout is gegaan, maar dat vanwege specifieke omstandigheden géén maatregel wordt opgelegd, hoewel die mogelijkheid niet in de wet staat. Maar nogmaals: de discussie gaat er niet over dat we zwaarder moeten straffen. Wij zien ook dat de impact van een opgelegde maatregel op hulpverleners groot is.’

Is dat zo? In het verleden zei een voorzitter eens dat artsen zich een tuchtzaak niet zo moeten aantrekken.
‘Of een klacht nu terecht of onterecht is, artsen – en andere hulpverleners – ervaren zo’n zaak als heel vervelend. Wat mij opvalt bij de zittingen is dat artsen zich die individuele kwestie waar het over gaat doorgaans nog heel goed voor de geest kunnen halen, allerlei details nog weten. En met hoeveel compassie ze erover spreken. Je voelt in bijna elk verweer de beroepstrots, het streven naar het beste. Maar ook dan kan het wel eens fout gaan. En dan klaagt iemand terecht.’

Terug naar de motivering: die speelt ook een rol op een andere manier: zowel klagers als verweerders hebben soms het gevoel dat hun argumenten niet gehoord zijn.
‘Ik kan niet ingaan op individuele tuchtzaken, maar wij horen die geluiden ook. Ik kan u verzekeren dat alle bronnen, van beide partijen, alle getuigenissen, gehoord worden. Alle leden kennen de stukken goed, en wegen die. Maar ik geef toe dat dat niet altijd duidelijk wordt uit de tekst van de uitspraak. Het kan voorkomen dat een uitgebreide zitting heeft plaatsgevonden bij het CTG, waarin beide partijen uitvoerig aan bod zijn gekomen. En dat in de uitspraak eerst de uitspraak van het regionaal tuchtcollege vijf pagina’s wordt geciteerd, waarna wij schrijven “er zijn geen nieuwe inzichten” en het beroep wordt afgewezen. Dat is soms te kort door de bocht, en ik vind dat we dat anders moeten doen. Het strafrecht heeft zo’n proces al doorgemaakt, het zogenaamde Project Motiveringsverbetering in Strafvonnissen (Promis). Dat heeft geresulteerd in betere bewijs- en strafmaatmotivering, waardoor de uitspraken beter te begrijpen en controleerbaarder zijn geworden.’

Juristen Aart Hendriks en Martin Buijsen hebben recentelijk gezegd dat sprake is van een verschuiving van tuchtrecht naar strafrecht. Tuchtcolleges zouden over meer zaken dan voorheen een oordeel vellen, ook privékwesties, en steeds zwaarder straffen. En dat zonder de bescherming die een verdachte in een strafzaak wél geniet. Wat vindt u van deze kritiek?
‘Als het gaat over tuchtcolleges die over privéhandelen zouden oordelen, dan hebben we het over de interpretatie van de tweede tuchtnorm. Zaken waarbij het niet gaat om de directe behandeling van een patiënt, maar een algemenere norm. Ik denk dat het inderdaad vaker gebeurt dat tuchtcolleges die norm wat breder opvatten. Bij zaken waarbij men het gevoel heeft: het is niet pluis als zo iemand zich met de gezondheid van anderen bezig blijft houden. Neem een arts die kinderporno kijkt: ik kan me voorstellen dat mensen daar huiverig voor zijn. Het tuchtcollege beoordeelt of dat zijn weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Iemand hoeft zich niet te hebben vergrepen aan een patiënt om die vraag met ja te beantwoorden. Het tuchtcollege kan in zo’n geval bijvoorbeeld oordelen dat de persoon niet met kinderen meer mag werken. Hetzelfde gaat op voor iemand die bij een poging tot moord betrokken is geweest: dat is zo strijdig met de taak en opvatting van het artsenberoep, dat een tuchtcollege daar wel over kan oordelen.
Ik geef toe: daar kun je ook anders over denken. Maar het is een weloverwogen oordeel dat de individuele gezondheidszorg daaronder kan lijden. Daarom is in sommige gevallen voor een drastische maatregel gekozen. Je kunt ook zeggen: dan moet je naar het College van Medisch Toezicht. Maar zo’n klacht komt nu eenmaal bij ons, dus dan moeten wij daar uitspraak over doen.’

Is het geen optie om te zeggen: wij keuren dit af, maar wij gaan er niet over?
‘Het is altijd lastig om die scheiding precies te leggen: waar ligt die weerslag nog wel, en waar niet. Bij die arts met de moordpoging is dat vrij duidelijk.’

Vindt u?
‘Ja, deze persoon is niet in staat om vertrouwen van patiënten te houden, de kwaliteit van de gezondheidszorg is bij hem niet in goede handen.’

Maar hij kreeg geen maatregel.
‘Nee, daar was wat bijzonders aan de hand: vanuit zijn resocialisatieprogramma in de gevangenis is hij gesteund om zijn vak-kennis bij te houden, te specialiseren en te gaan werken. Als je dat als overheid stimuleert, is het raar om daarna te roepen: je mag je vak van arts niet meer uitoefenen. Bovendien was hij gestraft en het feit was twaalf jaar voor de uitspraak gepleegd. Maar het blijft een moeilijk grensgebied. Recht is zelden zwart of wit. Soms ligt de keuze voor de hand, soms moet je erover nadenken en voor een bepaalde uitleg kiezen.’

Het lijkt in de lijn te liggen van wat de minister wil: een strengere aanpak van dokters die in de fout gaan. Het sluit ook aan bij de publieke opinie, zoals over pedoseksualiteit.
‘Je ontkomt niet helemaal aan sentimenten die leven. Die spelen een bepaalde, bescheiden rol, je komt daar niet helemaal los van. Maar wij moeten als tuchtrechters een professionele distantie bewaren.’

In dit soort gevallen is het wel te begrijpen dat artsen zich niet ‘toetsbaar’ opstellen: wie wil er meewerken als geschrapt worden uit het register het gevolg is? In het strafrecht ben je niet verplicht mee te werken, in het tuchtrecht wel.
‘Dat is een dilemma. Het uitgangspunt is dat hulpverleners toetsbaar moeten werken en zich ook zo opstellen. Dat ze goed hun dossiers bijhouden, en die zo nodig aan de klager geven. Dat hoort bij het vak.
Als iemand zich niet toetsbaar opstelt, dan zegt dat ook iets. Wat ook van belang is bij het bepalen van wat voor maatregel iemand krijgt, is of we de gefundeerde indruk hebben dat het morgen weer kan gebeuren. Als iemand laat zien dat hij begrijpt wat er fout ging, en waarom dat fout was, geeft dat een ander beeld dan iemand die niets zegt, of niet op de zitting komt. We moeten het doen met wat ons gepresenteerd wordt. Andersom kan het ook goed uitpakken: iemand die zich heel toetsbaar opstelt, en allerlei maatregelen treft om verdere fouten te voorkomen, kan op zo’n manier een zwaardere maatregel voorkomen.’

In de tweede evaluatie van de Wet BIG staat dat het tuchtrecht zich op termijn uitholt als de colleges verstopt raken met te veel lichte zaken, terwijl de ernstige klachten niet aan bod komen. Ziet u dat als voorzitter ook als aandachtspunt?
‘Daar kunnen wij zelf niet zoveel aan doen, we werken immers vraaggestuurd. De minister denkt dat het opwerpen van een drempel door het vragen van griffiegeld kan helpen. Dat zal naar mijn verwachting een enorme bureaucratische rompslomp opleveren, zonder het beoogde effect. Ik ben bang dat je daarmee ook mensen met serieuze klachten afschrikt. Of het helpt bij de mensen die keer op keer brieven schrijven, misschien wat in de war zijn, betwijfel ik. We geven alle zaken de aandacht die ze verdienen. We luisteren goed. Want ook mensen die ze niet allemaal op een rijtje hebben, kunnen een terechte klacht hebben.’

 

Sophie Broersen
s.broersen@medischcontact.nl 

 

 

Lees ook

Dossier Recht (met onder meer uitspraken van het CTG)


fotografie: Hilbert Krane
fotografie: Hilbert Krane
<b>Download dit artikel (PDF)</b> Meer zomerportretten:
recht
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • GJ Bonte, Neuroloog, Dalfsen Nederland 02-08-2015 02:00

    "Ik heb dit al eens eerder aangekaart, maar kreeg geen enkele reactie. Dus nog maar eens de knuppel in het hoederhok. Wie bewaakt eigenlijk de kwaliteit van de leden-beroepsgenoten? Dit behoren toch artsen te zijn die zonder uitzondering een voorbeeld voor de beroepsgroep zijn en wiens functioneren boven elke twijfel verheven is?
    Ik blijf bij mijn eigen beroepsgroep. Bij een recente uitspraak van een regionaal tuchtcollege bleken de twee leden-beroepsgenoten uit dezelfde vakgroep te komen, en als klap op de vuurpijl kwam ook de neurochirurg uit hetzelfde ziekenhuis. Of dat nu de onafhankelijkheid van het oordeel van de leden beroepsgenoten gegarandeerd is mijns inziens de vraag. In een ander regionaal tuchtcollege neemt geen neuroloog zitting, maar een klinisch neurofysioloog, iemand die het werken op de SEH, op de afdeling en op de polikliniek alleen nog kent uit een zeer ver verleden. Is dat de juiste persoon om in een tuchtcollege als neuroloog zitting te nemen?
    En het beste voorbeeld is nog een neuroloog, die zitting heeft in weer een ander tuchtcollege, en waar ik als waarnemer regelmatig de kwaliteit en inzet van zijn werk onder ogen krijg. Laten we het er maar op houden dat dit niet voldoet aan de norm die ik voor mezelf aanhoudt als goed hulpverlenerschap.
    Wellicht kan men al een behoorlijke kwaliteitsslag maken door eisen voor het leden-beroepsgenoten iets te verhogen en het uit laten stijgen boven het niveau van vriendjespolitiek en politieke correctheid. "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.