Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
J. Legemaate
12 mei 2010 6 minuten leestijd

Inspecteur mag dossier inzien

2 reacties

Afgeleid beroepsgeheim moet uitlekken patiëntgegevens voorkomen

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft sinds kort de bevoegdheid om zonder toestemming patiëntendossiers in te zien. Dat heeft consequenties voor het beroepsgeheim, en voor de samenwerking met het Openbaar Ministerie.

De Eerste Kamer is op 13 april akkoord gegaan met de Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidwetgeving (Wubhv). Deze wet geeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in een aantal welomschreven gevallen de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Maar de meest in het oog springende nieuwe bevoegdheid is de wettelijke mogelijkheid om zonder toestemming van een patiënt diens dossier in te zien. Deze bevoegdheid is in de psychiatrie al sinds 1994 van toepassing, maar ontbrak tot op heden in de somatische gezondheidszorg.

De Eerste Kamer was over dit inzagerecht van de inspectie zeer kritisch. Pas na verschillende toezeggingen van de minister van VWS met betrekking tot de bescherming van het beroepsgeheim, waren de Kamerleden bereid met het wetsvoorstel in te stemmen.

Handhavingskaders

De behandeling van de Wet uitbreiding bestuurlijke handhaving volksgezondheidwetgeving in de Eerste Kamer had nog een belangrijk bijeffect: de IGZ heeft eind 2009 een reeks handhavingskaders openbaar gemaakt. In die beleidsregels geeft de inspectie vrij nauwkeurig aan hoe zij in de praktijk haar wettelijke bevoegdheden zal toepassen. Er zijn inmiddels handhavingskaders met betrekking tot verscherpt toezicht, het geven van een bevel, het initiëren van een ministeriële aanwijzing, het indienen van een tuchtklacht, het doen van een voordracht bij het College van Medisch Toezicht en het uitdelen van een bestuurlijke boete. Een kader met betrekking tot het maken van beroepsbeperkende afspraken is in voorbereiding. Deze kaders verbeteren de transparantie van het handelen van de inspectie. Lange tijd was niet duidelijk in welke gevallen de inspectie van haar bevoegdheden gebruikmaakte en leken er verschillen te bestaan tussen inspecteurs en regio’s. De handhavingskaders zullen naar verwachting de voorspelbaarheid en consistentie van het inspectiehandelen vergroten.

Afgeleid beroepsgeheim
De Wubhv is een regeling die wijzigingen aanbrengt in (vooral) de Kwaliteitswet en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). In beide wetten wordt nu bepaald dat de inspecteurs bevoegd zijn tot inzage in patiëntendossiers, ‘voor zover dat voor de vervulling van hun taak nodig is’. Tegen deze algemeen geformuleerde bevoegdheid had de Eerste Kamer ernstige bezwaren. Dit leidde ertoe dat de minister in een brief aan de Eerste Kamer de gevallen waarin de IGZ zonder toestemming dossiers zal inzien, heeft ingeperkt. De inspectie zal dat alleen doen in gevallen waarin het vragen van toestemming ‘onmogelijk’ of ‘onevenredig belastend’ is.1

Het vragen van toestemming kan onevenredig belastend zijn als in het kader van thematisch onderzoek grote aantallen dossiers moeten worden ingezien. Voorbeelden van situaties waarin het vragen van toestemming onmogelijk is, zijn volgens de minister: de patiënt is overleden of langdurig niet aanspreekbaar, er kan niet worden gewacht op toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger of er is een vermoeden van mishandeling.

De nieuwe wettelijke inzagebevoegdheid is gekoppeld aan een afgeleid beroepsgeheim. Voor de inspecteur die een dossier inziet, geldt hetzelfde beroepsgeheim als voor de hulpverlener die het dossier heeft opgesteld. De Eerste Kamer was bang dat dit beroepsgeheim met de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zou kunnen worden doorbroken. Daarover heeft de minister van VWS echter duidelijke uitspraken gedaan: naar zijn mening prevaleert het nu in de wet opgenomen beroepsgeheim van de IGZ boven de Wob. Met andere woorden: informatie die de inspectie uit een dossier verneemt, kan niet met een beroep op de Wob worden opgevraagd. Uiteindelijk beslist daarover de rechter, maar het is aannemelijk dat het standpunt van de minister in een rechterlijke procedure overeind zal blijven.

Relatie met het OM
Een ander discussiepunt was of het Openbaar Ministerie in strafzaken gebruik zou kunnen maken van gegevens die de inspectie door middel van dossierinzage heeft verkregen. In 2009 kwamen de inspectie en het OM een ‘Samenwerkingsprotocol Volksgezondheid’ overeen. Dit is van kracht in gevallen waarin de inspectie als toezichthouder op strafbare feiten stuit. Uit dat protocol zou kunnen worden afgeleid dat de IGZ uit patiëntendossiers verkregen gegevens aan het OM kan verstrekken.

Naar aanleiding van de discussie over de Wubhv is nu een aanvulling gemaakt op het protocol. Die houdt in dat de inspectie aan het OM alleen gegevens uit een dossier zal verstrekken, als het OM zelf al over dat dossier beschikt. Is dat niet het geval, dan zal het OM het dossier zelf bij de bron (hulpverlener, instelling) moeten vorderen.

Met betrekking tot het recht van het OM om een dossier te kunnen inzien, hebben zich de laatste jaren overigens in de rechtspraak belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. Artikel 98 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het OM gegevens die onder het beroepsgeheim vallen niet mag inzien. Op deze wettelijke regel heeft de Hoge Raad al vele jaren geleden een uitzondering gemaakt: het OM heeft wel recht op deze gegevens als er sprake is van ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’. Die omstandigheden zijn in uitspraken uit 2008 en 2009 nader gespecificeerd ten aanzien van gevallen waarin een hulpverlener wordt verdacht van een strafbaar feit jegens zijn patiënt. In die gevallen is de regel ‘geen inzage, tenzij’ door de rechter gaandeweg gewijzigd in ‘wel inzage, tenzij’.

Binnen het OM is men overigens al enige tijd doende een vervolgingsrichtlijn met betrekking tot medische zaken op te stellen. Het is van belang dat die richtlijn snel wordt afgerond en openbaar wordt gemaakt.

Calamiteiten
Het beroepsgeheim van de inspectie zoals dat nu in de Wubhv is geregeld, heeft alleen betrekking op gegevens die de inspectie verkrijgt door middel van dossierinzage. Dit beroepsgeheim is dus niet van toepassing als de inspectie langs andere weg tot patiënten herleidbare informatie verkrijgt, bijvoorbeeld in het kader van een wettelijke calamiteitenmelding. Daarover is de laatste tijd veel te doen, zowel in relatie tot het beroepsgeheim en de Wob, als in relatie tot het vraagstuk van veilig melden.

Zeer recentelijk heeft het actualiteitenprogramma EenVandaag een verzoek gedaan tot openbaarmaking van de verloskundige calamiteiten die de afgelopen jaren bij de IGZ zijn gemeld. Dit verzoek is gedeeltelijk ingewilligd, waarbij de meldingen zijn ontdaan van herleidbare gegevens over patiënten, hulpverleners en zorginstellingen. Het is dus niet zo dat door het ‘wobben’ van een calamiteitenmelding gegevens op straat komen te liggen die onder het beroepsgeheim vallen.

Anderzijds heerst binnen de gezondheidszorg sterk het gevoel dat de mogelijkheid om een calamiteit te ‘wobben’ problematisch is en hulpverleners en instellingen ervan kan weerhouden om incidenten en calamiteiten te melden.

Veilig melden
Tijdens de slotzitting over de Wubhv in de Eerste Kamer op 13 april erkende de minister dit probleem: ‘Wij willen (…) niet dat er een sfeer ontstaat waarin mensen bang zijn om calamiteiten of bijna-incidenten te melden. Wij zoeken hierbij naar een analogie met de luchtvaartdiensten en de luchtverkeersveiligheid. Ook daar kent men immers een systeem van Veilig Incidenten Melden.’ De komende Wet cliëntenrechten zorg zal hierover een regeling bevatten. Ook zegde de minister toe dat als er in andere gevallen dan bij dossierinzage problemen blijken te zijn rond het beroepsgeheim van de inspectie, hij bereid is dat beroepsgeheim te verbreden.

Los daarvan kan het geen kwaad als de inspectie haar beleid met betrekking tot het omgaan met calamiteiten nader uitwerkt en bekendmaakt, onder meer waar het gaat om de door de meldende instelling te verstrekken gegevens en de wijze van verstrekking. Daarover bestaat in de praktijk de nodige onduidelijkheid.

prof. mr. Johan Legemaate, hoogleraar gezondheidsrecht VU en juridisch adviseur KNMG

Correspondentieadres: johan.legemaate@vumc.nl 
c.c. redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld.

Noot: 1. Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31122, J, blz. 6.

Ziekenhuismedewerkers verwerken gegevens in medische dossiers. In bepaalde gevallen mag de inspectie de dossiers inzien. beeld: Corbis
Ziekenhuismedewerkers verwerken gegevens in medische dossiers. In bepaalde gevallen mag de inspectie de dossiers inzien. beeld: Corbis
Voorwaarden voor IGZ-inzage zonder toestemming patiënt
Voorwaarden voor IGZ-inzage zonder toestemming patiënt
<strong>PDF van dit artikel</strong>
print dit artikel
IGZ calamiteiten
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • D. Fopma, HOOFDDORP 13-05-2010 00:00

    "Psychiater leert artsen stress de baas te zijn
    Robert Crommentuyn
    Ze is moeilijk te vinden. Verscheidene malen denkt de congresleiding een ontmoeting met dr. Mamta Gautam te kunnen arrangeren, maar telkens loopt het mis. 's Middags lukt het toch om deze Canadese psychiater te spreken. Dat ze hier zo’n drukke agenda heeft, verbaast niet.
    ‘Doctors’ health matters’ heet dit congres dat wordt gehouden in het hoofdkwartier van de British Medical Association (BMA). De BMA houdt het samen met de Amerikaanse en Canadese zusterorganisaties. Drie dagen lang spreken een kleine 400 congresgangers over de laatste stand van zaken in het onderzoek naar de gezondheid van artsen, de preventie van stress en burn-out, zelfhulpprogramma’s en nieuwe verschijnselen als het litigation stress syndrom, ofwel ziekte als gevolg van tucht- of strafrechtelijke vervolging.
    Serendipiteit
    Het congres is een kolfje naar Gautams’ hand. Haar introductie als spreker duurt zeker tien minuten. Zij is bijvoorbeeld oprichter van een wellness-programma voor geneeskundestudenten van de universiteit van Ottawa. En ze is vice-voorzitter van het centrum voor arts, gezondheid en welbevinden van de Canadian Medical Association. Maar bovenal is ze bekend als de dokter van doktoren. Al achttien jaar houdt zij praktijk in Ottawa met een clientèle die uitsluitend bestaat uit artsen.
    Haar bijzondere specialisme is eigenlijk bij toeval ontstaan, aldus Gautam. ‘Een geval van serendipiteit, zou je kunnen zeggen. Ik was vast van plan om kinderpsychiater te worden en was daarvoor ook in opleiding. Toen werd ik door een vriendin gevraagd om een spreekbeurt over te nemen. Zij was door ziekte verhinderd. Het onderwerp van de spreekbeurt was depressie en het publiek bestond uit artsen. Na afloop kreeg ik een aantal heel erg positieve reacties op de manier waarop ik het onderwerp had behandeld. Uiteindelijk kwamen mijn eerste drie arts-patiënten uit dat publiek. Dat is nu achttien jaar geleden.’
    Gautams’ patiënten hebben behalve hun beroep weinig gemeenschappelijke kenmerken. Ze ziet mannen, vrouwen, jonge en oude artsen. Ook de problemen die ze behandelt, zijn heel divers. De hoofdmoot wordt gevormd door artsen met een burn-out of met verschijnselen van chronische stress. Maar er zijn ook patiënten met eetstoornissen of een depressie. Een enkele keert dient zich een arts aan met een bipolaire stoornis of met schizofrenie.
    Gelijkwaardige kennis
    Artsen zijn geen standaardpatiënten, zegt Gautam. ‘Voor de “gewone” patiënt is de dokter een wijs persoon wiens raad moet worden opgevolgd. Als de patiënt arts is, dan beschikt hij over gelijkwaardige kennis. Dat vereist andere omgangsvormen. De persoonlijkheid van de gemiddelde arts is wat dat betreft niet erg behulpzaam. Artsen willen graag de controle houden. Ook over de behandeling van hun eigen ziekte.’ Dokters kunnen daarom best lastig zijn. ‘Jazeker. Maar ik heb ermee leren omgaan. Ik heb begrip voor hun houding en laat het toe. Ik anticipeer op de wens om mee te denken. Ze krijgen zoveel mogelijk een gelijkwaardige rol. Al blijft het natuurlijk zo dat ik de beslissingen neem.’
    En in zekere zin zijn artsen juist ook weer gemakkelijke patiënten. ‘Als ze eenmaal inzien dat ze hulp nodig hebben en zich tot een arts wenden, dan gaan ze er ook voor. Ze weten wat hen te wachten staat, waarom bepaalde therapieën wel of niet van toepassing zijn en als ze met een behandeling instemmen, zijn ze ook erg trouw. Artsen hebben gemiddeld genomen een goed ontwikkeld introspectievermogen.’
    Pleasers
    Hoewel haar expertise alle gangbare psychiatrische stoornissen betreft, wil ze haar toehoorders op dit congres laten terugkeren naar de basis. Dat wil zeggen: ze wil haar collega-artsen het inzicht verschaffen dat geen enkele dokter immuun is voor chronische stress. Zonder ingrijpen ligt een burn-out, drank- en drugsmisbruik of erger op de loer. ‘Het is een mythe te denken dat artsen goed voor zichzelf zorgen omdat ze weten hoe het hoort. Dat is niet zo. Ze zijn vatbaar voor chronische stress en gaan er lang niet altijd goed mee om.’
    Voor een deel is dat het gevolg van de artsenpersoonlijkheid. ‘Het is een feit dat de geneeskundeopleiding een bepaald persoonlijkheidstype aantrekt. Artsen zijn pleasers. Ze willen het goede doen en kunnen geen nee zeggen. En artsen zijn consciëntieuze uitblinkers: mensen die het belang van anderen boven dat van zichzelf stellen en altijd bereid zijn tot een extra inspanning. En dan hebben ze ook nog een enorm verantwoordelijkheidsbesef. Ga maar na, het is “check, check, check”. Zo zijn wij allemaal! En dat is ook goed, het zijn de eigenschappen die iemand een goede dokter maken. De vraag is alleen: hoe ga je er verstandig mee om?’
    Volgens Gautam gaat het fout als de balans zoekt raakt. ‘Als je dit menstype aan stressvolle omstandigheden blootstelt, dan kan het te veel worden. En zowel de medische opleiding als het artsenvak zit vol stressoren. Het werk zelf kan belastend zijn, er kan een gebrek aan financiële middelen zijn en sommige artsen ervaren onvoldoende steun of krijgen weinig of geen waardering. Het chronische schuldgevoel kan ertoe leiden dat een arts meer verantwoordelijkheid neemt dan nodig is. Perfectionisme kan ertoe leiden dat een arts heel veel moeite doet voor een kleine verbetering van het resultaat. Als de druk te groot wordt, ontstaat het gevoel van controleverlies en dat is in alle gevallen de grootste stressveroorzaker.’
    Jaren ervaring hebben de Canadese psychiater doen nadenken over de vraag of er een gemeenschappelijke eigenschap ten grondslag ligt aan de problemen die sommige artsen ervaren. ‘In mijn praktijk zie ik vaak artsen die in de kindertijd een verwrongen zelfbeeld hebben opgedaan. Ze denken dat ze emotioneel zijn verwaarloosd door hun ouders of dat ze extreem veeleisende ouders hadden. Dergelijke kinderen krijgen het idee dat ze niet goed genoeg zijn en houden dat idee hun leven lang in stand. Ook andere professionals, zoals advocaten en topmanagers, herkennen zich vaak in dit beeld.’
    Bagatelliseren
    De artsenpersoonlijkheid staat het zoeken naar hulp in de weg. ‘Liever negeren artsen hun eigen psychische gezondheidsklachten’, bevestigt Gautam. ‘Hulp zoeken wordt gezien als zwak. Ze zien zichzelf als hulpgevers en niet als hulpvragers. Ze zijn ook meesters in het uitstellen van de hulpvraag. Ze ontkennen de problemen of bagatelliseren ze (“mijn collega is er erger aan toe”). Ook zie je dat ze stressproblemen rationaliseren (“ik ben gewoon aan vakantie toe”) of dat ze de oplossing zoeken door juist harder te werken.’
    Doordat artsen laat hulp zoeken, zijn de klachten vaak ook ernstiger dan bij “gewone” patiënten. ‘Meestal is er sprake van een crisissituatie’, aldus Gautam. Het vereist volgens haar nog een hele cultuuromslag om dat te veranderen. Daarbij komt dat collega-artsen zich vaak afzijdig houden als ze een collega zien disfunctioneren. ‘Ze willen zich er liever niet mee bemoeien’, stelt Gautam vast. Volgens haar zijn ze vaak bang om zich te vergissen. ‘“Die collega zal het zelf toch beter weten?”, denken ze dan.’ En in sommige gevallen is mentale ziekte van een collega-arts te confronterend. ‘Als hij ziek is, hoe zit het dan met mezelf?’
    Als gestreste of opgebrande artsen eenmaal de hulpverleningsdrempel hebben genomen, blijkt behandeling vaak succesvol. ‘Ik geef zoveel mogelijk positieve tips. Belangrijk is vooral dat artsen zonder schuldgevoel leren om eerst aan zichzelf en niet aan anderen te denken. Dat is een lastige les voor iemand die zijn leven in dienst heeft gesteld van de ander. Maar mijn ervaring is dat artsen snelle studenten zijn. Een ding hebben alle artsen gemeen: ze sluiten geen compromissen als het om de kwaliteit van patiëntenzorg gaat. Als ze eenmaal inzien dat eerst aan jezelf denken uiteindelijk goed is voor de patiënt, dan zijn ze om.’
    Volgens Gautam moeten artsen ervan doordrongen raken dat zij niet immuun zijn voor welke ziekte dan ook. En daarbij is nodig dat ze leren inzien dat behandeling mogelijk en effectief is. ‘Na behandeling kunnen de meeste zieke artsen hun carrière weer oppakken. Patiënten vragen zich wel eens af of ze wel kunnen vertrouwen op een arts die bij een psychiater loopt. Ik zou zeggen: als ze bij mij lopen, dan gaat het eigenlijk heel erg goed met ze.’
    15 tips om chronische stress en burn-out te voorkomen
    1. Zorg eerst voor jezelf
    2. Doe de leuke dingen en laat de vervelende
    3. Creëer tijd waarin je voor niets of niemand verantwoordelijk bent
    4. Ga sporten of beoefen je hobby
    5. Lach vaker
    6. Stel prioriteiten
    7. Anticipeer
    8. Leer nee zeggen
    9. Neem een pauze voordat je een nieuwe taak oppakt
    10. Neem geen werk mee naar huis
    11. Boek aan het eind van de ene vakantie alvast de volgende
    12. Doe ontspanningsoefeningen
    13. Deel je ervaringen met collega’s
    14. Zorg dat je een huisarts hebt
    15. En de belangrijkste tip: zeg niet ‘ik ga het proberen’, maar voer zonder aarzelen minstens drie tips uit
    · afdrukken
    · doorsturen
    Waardeer dit bericht: (9,2)

    "

  • M. Vasbinder, 03725 TEULADA ALIC Spain 12-05-2010 00:00

    "Ons beroepsgeheim was toch al grotendeels een wassen neus, gezien de informatie eisen die verzekeringen stellen alvorens toestemming te geven voor allerhande behandelingen. Toestemming van de patiënt is meer een vorm van chantage van die patiënt. Geen toestemming om informatie aan de verzekering te verstrekken betekent immers geen behandeling.
    Mijn oplossing in een dergelijk geval is de verzekering verantwoordelijk testellen voor gezondheid en welzijn van de patiënt.
    Hoewel ik hiermee ietwat ben afgedwaald van het onderwerp gaat het wel om het zelfde basisprincipe: Bescherming van fysische en van geestelijke integriteit van personen. Hippocrates is hier heel duidelijk over, hoewel ook daaraan geschaafd is en wordt door politieke leken."