Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Joost Visser
19 december 2012 6 minuten leestijd

Hoe rekbaar is uw beroepsgeheim?

1 reactie

Artsen weten precies wanneer zij ondanks hun beroepsgeheim iets over een patiënt naar buiten mogen brengen. Of toch niet? Medisch Contact vroeg het hunzelf.

tekst Joost Visser en Sophie Broersen

Hippocrates zei het al: ‘Al hetgeen mij ter kennis komt in de uitoefening van mijn beroep (…) en dat niet behoort te worden rondverteld, zal ik geheim houden en niemand openbaren.’ Dat aloude beroepsgeheim is nog altijd springlevend. Van de artsen die meededen aan een enquête van Medisch Contact zegt de overgrote meerderheid (85%) dat zij hun beroep zonder beroepsgeheim niet zouden kunnen uitoefenen. ‘Mensen met de meest schrijnende geestesworsteling zouden nooit bij mij komen voor hulp als ze zouden weten dat deze mogelijk niet geheim zou blijven’, zo licht een van hen zijn ‘ja’ in bloemrijke taal toe. ‘Zonder beroepsgeheim kan ik mijn werk wel uitoefenen’, verklaart een ander zijn ‘nee’. ‘De ethische dilemma`s blijven, maar ik moet dan meer mijn eigen afwegingen maken.’

Schade voorkomen
Dat evenveel artsen zeggen het beroepsgeheim in de praktijk wel eens (49%) of nooit (51%) te doorbreken, lijkt in tegenspraak met het belang dat zij eraan hechten. Maar dat is het niet. Een arts hoeft immers niet altijd te zwijgen. Hij mag spreken als de patiënt dat goed vindt. Of als de wet het hem verplicht, zoals bij een infectieziekte of een overlijden. Hij mag – moet zelfs – ook spreken bij een vermoeden van kindermishandeling of als hij, meer algemeen, alleen op deze manier ernstige schade aan anderen kan voorkomen. De enquête levert mooie voorbeelden op. Zo kwam een arts van een patiënt die hij behandelde voor intoxicatie, te weten wie in een discotheek giftige paddo’s liep uit te delen: ‘Ik vertelde de details aan de politiearts, met de arrestatie van de paddo-sinterklaas als resultaat.’ Een ander zag een patiënt met – wist hij – vergevorderde lues op een feest innig met twee vrouwen salsa dansen. Hij besloot hen niet te waarschuwen, ‘hoezeer ik het ook onethisch vond om de potentieel nieuwe soa-patiënten niet te waarschuwen’.

Soms praat een arts achteloos zijn mond voorbij: ‘Vanmorgen zei ik olijk tegen een meisje met pneumonie dat haar vader me al had verteld dat het beter met haar ging. “Is hij hier dan geweest?”, vroeg de meegekomen moeder verbaasd. Hij was voor schimmelnagels gekomen, maar dat heb ik er maar niet bij gezegd.’ Of hij wordt erin geluisd: ‘Een telefoontje van een zogenaamde verzekeringsarts, die later de werkgever bleek te zijn. Sindsdien doe ik niets meer telefonisch!’

Glazen deur
Bijna twee op de vijf artsen (39%) voelt zich ‘vaak’ door het beroepsgeheim voor een dilemma gesteld, blijkt uit de enquête. Een arts hechtte een man die een vaag verhaal hield over een glazen deur waar hij midden in de nacht doorheen zou zijn gevallen: ‘De politie kwam later die nacht langs, op zoek naar een inbreker. Ik heb overwogen iets te zeggen, maar dat niet gedaan.’ Een ander wist dat een patiënte was vergiftigd, waarschijnlijk door haar man: ‘We hebben zitten dubben wat we de politie wel en niet zouden vertellen. Uiteindelijk hebben we de vragen gewoon beantwoord.’ Voor bedrijfsartsen komt er nog een dilemma bij: ‘Door ons beroepsgeheim is de relatie met de werkgever soms moeizaam. Als de klant wegloopt, heeft de bedrijfsarts problemen met zijn eigen werkgever.’

Als het beroepsgeheim niet absoluut is, waar liggen dan de grenzen? ‘Ik heb een keer in het dossier van een vriendin gekeken die in mijn ziekenhuis onder behandeling was bij een ander specialisme’, biecht een arts op. Zoiets kan echt niet, vindt de overgrote meerderheid (88%)
van de respondenten (zie uitslagen op
blz. 2890). Zoals een arts ook niet aan collega’s mag vertellen over een bekende Nederlander die bij hem onder behandeling is. Maar dat een arts tijdens een gezellig etentje een smeuïg verhaal vertelt over een anonieme patiënt, daar nemen veruit de meeste artsen (68%) geen aanstoot aan: ‘Maar alleen als er niets, maar dan ook helemaal níets tot de persoon herleidbaar is en de luisterende artsen niet kunnen weten om wie het gaat.’

Tristan van der V.
Een bijzondere rol spelen politie en justitie. Die oefenen te veel druk uit om het beroepsgeheim te doorbreken, zegt één op de drie respondenten. ‘De politie weet heel goed dat wij als artsen meestal geen informatie mogen geven, en toch blijven ze er herhaaldelijk om vragen, soms zelfs eisen.’ Slechts zeer weinig van de geënquêteerden zouden meewerken als de politie hun zou vragen naar het dossier van een patiënt die betrokken is bij grootschalige uitkeringsfraude, of verdacht wordt van een verkrachting. Maar de vraag hoe zij oordelen over een collega-arts die de politie informeert over een patiënt die bij een ernstig misdrijf was betrokken, roept vragen op: 42 procent vindt dat ‘op het randje’, 47 procent vindt het niet kunnen: ‘Als er geen vermoeden is dat de patiënt opnieuw een ernstig misdrijf zal plegen, dan is er geen conflict van plichten.’ Hetzelfde argument speelt in de zaak Tristan van der V., dader van de schietpartij in Alphen aan den Rijn, vorig jaar. De ggz-instelling waar de man eerder onder behandeling was geweest, weigerde om justitie inzage te geven in diens medisch dossier. Een ruime meerderheid (70%) van de respondenten vindt dat een goede beslissing: ‘Op dat moment was de heer Van der V. geen bedreiging meer en was er dus geen reden tot delen van informatie.’

Testament
Ook in de relatie tot familieleden van patiënten doen zich dilemma’s voor. ‘Als kinderen mij bellen over hun hoogbejaarde ouders, dan praat ik wel eens met ze en bedenk dan later dat dat eigenlijk onder het beroepsgeheim valt’, zegt een arts. Een ander verzucht hoe moeilijk het is om alert te blijven ‘als de leden van een familie heel close met elkaar omgaan en de onderlinge grenzen niet duidelijk zijn’. De helft (49%) van de geënquêteerden vindt het geen punt als een arts een – hem bekende – vrouw desgevraagd informatie geeft over de medicatie van haar moeder. Maar zelf zouden zij weinig toeschietelijk zijn als kinderen het dossier van hun moeder wilden inzien om te zien of zij nog wilsbekwaam was toen zij haar testament maakte. Of als een echtgenoot het dossier van zijn overleden vrouw zou willen zien omdat hij denkt dat zij niet goed is behandeld. Overigens is de bereidheid groter om het ziekenhuis inzage te geven in een dossier als de betreffende patiënt een klacht over hen heeft ingediend.

Tulleken
Zeer kritisch is het oordeel over neurochirurg Kees Tulleken, die in de media informatie gaf over prins Friso, na diens ski-ongeluk; slechts 2 procent vindt dat hij daarmee juist handelde, 98 procent vindt van niet: ‘Het is aan de behandelend arts om, in overleg met familie en RVD, relevante informatie naar buiten te brengen.’ Milder is het oordeel over de opmerkingen van fysiotherapeut Dick van Toorn over de hamstringblessure van Arjen Robben, voorafgaand aan het WK-voetbal in Zuid-Afrika: 30 procent wil dat door de vingers zien: ‘Vorm en fitheid van spelers zijn altijd onderwerp van gesprek, dat is een deel van de werkzaamheden van de voetballer. Het is wat anders als een voetballer een dwarslaesie krijgt. Daarover mag niet zonder diens toestemming worden bericht.’



<b>Download dit artikel (PDF)</b>

Waar ligt de grens?

Medisch Contact stuurde 1900 deelnemers aan het KNMG-ledenpanel (met uitzondering van studenten en gepensioneerden) een online vragenlijst over het beroepsgeheim; 910 artsen (48%) reageerden. De respondenten beoordeelden onder meer zeven hypothetische situaties: mag de arts in deze gevallen zijn beroepsgeheim schenden of niet?

Uitslag van de enquête

<b>De volledige enquêteresultaten (PDF)</b>


beroepsgeheim
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Kaspar Mengelberg, psychiater, Amsterdam 21-12-2012 00:00

    "Gelukkig hechten de meeste artsen grote waarde aan hun beroepsgeheim.
    Des te opvallender is het dat, behoudens binnen de ggz, nauwelijks weerstand bestaat tegen de verplichte tweedelijns Diagnose Behandelcombinatie (DBC) declaratiesystematiek. Deze werkwijze impliceert immers doorgifte van diagnostiek aan een onbekend aantal medewerkers van ziektekostenverzekeraars dat niet aan een beroepsgeheim zijn gebonden, en dus doorbreking van dit beroepsgeheim.
    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.