Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
05 januari 2017 8 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Tien dagen oud en uit huis geplaatst

Plaats een reactie

Een anios bij een crisisdienst moet een kraamvrouw beoordelen, vanwege zorgen van huisarts en familieleden. De avond daarvoor liet haar man zorgverleners niet binnen. De arts belt het gezin, maar opnieuw weigert de man contact. Hoe krijg je dan in beeld hoe het gaat met moeder en kind?

De anios overlegt, hij wint informatie in bij meerdere partijen en raadpleegt het toenmalige Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (nu: Veilig Thuis). Op advies van die partij doet hij direct melding bij de Raad voor de Kinderbescherming. Die krijgt nog dezelfde dag een voorlopige ondertoezichtstelling voor elkaar. De volgende dag komt de cavalerie op de stoep bij de jonge ouders, negen man sterk. Het kindje wordt meegenomen. Bij de kraamvrouw stelt de verweerder een kortdurende psychotische stoornis vast. Zij weigert opname, maar accepteert wel medicatie en ambulante zorg.

Het stel vindt dat de anois deze drastische maatregelen had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld door gedwongen opname van moeder en kind samen te bewerkstelligen. Gelukkig heeft de arts nauwgezet opgeschreven wat hij heeft gedaan, wie hij heeft gesproken en wat de overwegingen waren. Op basis daarvan stelt de tuchtrechter vast dat de anios adequaat heeft gehandeld.

Het Centraal Tuchtcollege spreekt zich niet uit over de vraag of minder zwaar geschut had volstaan. De casus is, geheel volgens de geldende meldcode, anoniem voorgelegd aan het AMK; dat adviseerde de zaak te melden bij de Raad voor de Kinderbescherming. Uiteindelijk was het ook niet aan de anios maar aan anderen om te beslissen of het kind uit huis moest, of dat drie man politie nodig was. Het is terecht dat hij daarvoor niet de verantwoordelijkheid draagt. Uit de uitspraak wordt niet duidelijk hoe hij zelf achteraf denkt over de gang van zaken.

Sophie Broersen, arts/journalist

Anneloes Rube, gezondheidsjurist


Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 8 september 2016

(ingekort door redactie Medisch Contact)

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.444 van 1A klager, 2B, klaagster, beiden wonende te C, appellanten, klagers in eerste aanleg, tegen D, arts, wonende te E, destijds werkzaam te C, verweerder in beide instanties, gemachtigde mr. K.T.B. Salomons, advocaat te Den Haag.

01

Verloop van de procedure

(…)

02

Beslissing in eerste aanleg

Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

‘2 De feiten

2.1 Klaagster is in oktober 2013 bevallen van een dochter.

2.2 Verweerder heeft van 1 augustus 2013 tot 1 september 2014 als anios bij de Acute Dienst van de F gewerkt, waarbij hij onder meer als taak had ‘de psychiatrische beoordeling van patiënten in acute situaties’. Alle directe patiëntencontacten (zowel binnen de Acute Dienst als de spoedpoli) worden verricht door een team van twee medewerkers, waarbij een psychiater als derde lid beschikbaar is voor overleg en zo nodig als medebeoordelaar.

2.3 Op 6 november 2013 heeft de huisarts van klagers contact opgenomen met G in verband met zorgen om de psychische gesteldheid van klaagster in de kraamperiode. Medewerkers van G wilden die avond klaagster beoordelen, maar klager heeft hun toen de toegang geweigerd. De volgende dag hebben verweerder en de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige, op verzoek van de collega’s van G, telefonisch contact gezocht met klager om een afspraak voor een huisbezoek te maken of anders een afspraak op het bureau van de Acute Dienst. Klager weigerde op een van beide voorstellen in te gaan.

2.4 Verweerder heeft daarop contact opgenomen met de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en de psychiater en na overleg met hen meer informatie bij de huisarts opgevraagd. De huisarts vertelde dat eerder die week contact met de hap was opgenomen door een bevriende arts die op kraambezoek was. Daarnaast gaf de huisarts informatie over het huisbezoek dat zij de dag ervoor had afgelegd, naar aanleiding van door familie van klagers geuite zorgen. Hierna hebben verweerder, de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en de psychiater meer informatie bij de verloskundige en directe familie van klaagster ingewonnen. Hieruit kwam onder meer naar voren dat klaagster na de bevalling een verontrustende gedragsverandering liet zien en dat zowel de kraamhulp als familie van klagers zorgen over de situatie had. Enkele betrokkenen bleken angst voor klager te hebben, omdat deze zich agressief tegenover hen opstelde. Verweerder heeft de informatie van de huisarts, verloskundige en familieleden – met hun toestemming – in anonieme vorm met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) gedeeld en om advies gevraagd.

2.5 Het AMK heeft verweerder geadviseerd direct een melding te doen bij de Raad voor de Kinderbescherming. De raad heeft een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling ingediend, welke door de rechter is verleend.

2.6 Op 7 november 2013 meldden zich drie agenten, twee medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, twee medewerkers van Bureau Jeugdzorg en twee medewerkers van de F bij klagers aan de deur. Zij waren in het bezit van een machtiging tot binnentreding en een machtiging tot uithuisplaatsing van het kind. Klager verbleef tijdens dat huisbezoek – onder bewaking van de politie – op een andere verdieping.

2.7 Verweerder concludeerde na het gesprek met klaagster en overleg met de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige en de psychiater ‘dat de klachten het meest passen bij een kortdurende psychotische stoornis met begin postpartum’.

2.8 Klaagster heeft tijdens dit bezoek medicatie ingenomen (Haldol) en accepteerde ambulante zorg; zij werkte niet mee aan een vrijwillige opname. (…)

5 De beoordeling

5.1 De klachtonderdelen hebben alle betrekking op de handelwijze van verweerder bij zijn werkzaamheden in de Acute Dienst op 7 november 2013, waarbij het overheersende verwijt is dat verweerder niet heeft gezorgd voor minder ingrijpende maatregelen, met minder schade voor de betrokkenen. De klachtonderdelen worden hierna gezamenlijk behandeld.

5.2 Vaststaat dat zowel zorgverleners als familieleden in de periode daaraan voorafgaand signalen hebben gegeven van grote ongerustheid over de situatie van klaagster en de baby. Vaststaat tevens dat klager diverse hulpverleners, onder wie ook verweerder, heeft gehinderd bij het verlenen van professionele zorg aan klaagster en de baby. Verweerder heeft klager in een telefoongesprek duidelijk gemaakt dat hij de situatie van klaagster en de baby zelf (bij voorkeur ter plaatse) wilde beoordelen, maar klager heeft een dergelijk gesprek niet toegelaten.

5.3 Verweerder heeft zich door alle bij de situatie betrokkenen uitgebreid laten voorlichten en in verschillende fasen van de situatie overleg gepleegd met diverse collega’s, alsook met het AMK, dat hem adviseerde een melding bij de Raad voor de Kinderbescherming te doen. De informatie die aanleiding was voor de ongerustheid over de baby en klaagster was niet alleen van professionele hulpverleners afkomstig, maar ook van familieleden. Verweerder heeft getracht een afspraak met klagers te maken voor een huisbezoek of een bezoek van klagers aan de Acute Dienst om de situatie zelf in te kunnen schatten, maar door de afwijzing daarvan door klager is dit niet gelukt. Het is dus de opstelling van klager zelf geweest die verhinderde dat verweerder een adequaat psychiatrisch onderzoek kon uitvoeren. Daardoor heeft hij geen op compleet eigen onderzoek gebaseerde geneeskundige verklaring kunnen opstellen en is hij belemmerd in de mogelijkheid tot het treffen van minder ingrijpende maatregelen. Ook bij het huisbezoek op 7 november 2013 heeft klager niet willen meewerken aan een gesprek.

5.4 Naar het oordeel van het college heeft verweerder de ernst van de situatie adequaat ingeschat en gedaan wat in zijn vermogen lag om met klagers in contact te komen. Het college heeft geen reden eraan te twijfelen dat bij verweerder de zorgen om het welzijn van klaagster en de baby vooropstonden. Uit het rapport dat over het huisbezoek is opgemaakt, blijkt dat verweerder klaagster heeft geïnformeerd over het geneesmiddel Haldol. Het college ziet geen aanleiding om aan de juistheid van die aantekening te twijfelen. Niet is gebleken dat verweerder in de gelegenheid is gesteld nazorg te geven.

5.5 De beslissingen tot uithuisplaatsing en de voorlopige ondertoezichtstelling van de baby zijn niet door verweerder genomen en kunnen hem dan ook niet worden aangerekend. Ook is hij niet degene geweest die heeft bewerkstelligd dat klager niet bij de feitelijke uithuisplaatsing aanwezig mocht zijn.

5.6 Om bovenstaande redenen is het college van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig of onjuist heeft gehandeld. De klacht zal dan ook zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond worden afgewezen.’

03

Vaststaande feiten en omstandigheden

(…)

04

Beoordeling van het beroep

(…)

4.3 Aan het Centraal Tuchtcollege ligt de vraag ter beantwoording voor of de arts van zijn handelwijze een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kan worden. (…) Daarbij wordt geoordeeld naar het moment van handelen van de arts. De vraag of achteraf bezien (wellicht) met andere, minder zware maatregelen had kunnen worden volstaan ligt niet ter beoordeling voor.

4.4 Het Centraal Tuchtcollege beschikt over een zeer goed gedocumenteerd dossier, waarin de verrichtingen van de arts en in het bijzonder zijn contacten met andere betrokken hulpverleners, nauwkeurig zijn vastgelegd. Ook zijn daarin de overwegingen van de arts, op grond waarvan hij tot de slotsom kwam dat ingrijpen in het belang van klaagster en de baby geboden was, terug te vinden. Klagers hebben niet concreet aangegeven dat in deze procedure door en namens de arts andere feiten zijn gepresenteerd dan die welke in de verslaglegging zijn vermeld. Klagers hebben in algemene zin aangegeven het als schokkend te hebben ervaren dat ‘de verdediging’ feiten heeft verdraaid, maar op welke concrete feiten de beweerde verdraaiing betrekking heeft, hebben zij niet onderbouwd. Het kan zijn dat klagers een andere perceptie hebben van de met name van klager uitgaande dreiging die hulpverleners hebben ervaren, maar waar van een dergelijke dreiging in het dossier melding wordt gemaakt is deze geobjectiveerd aan de hand van bevindingen van met name genoemde betrokken hulpverleners. De enkele stelling van klagers dat klager geen dreigend persoon is, is een onvoldoende weerlegging van de genoteerde bevindingen.

4.5 Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de handelwijze van de arts de in rechtsoverweging 4.3 vermelde toets ten volle kan doorstaan. Hij heeft zich na de overdracht door G uitgebreid en meermalen doen adviseren over vervolgstappen, toen hij door de opstelling van klager niet de gelegenheid kreeg om klaagster te bezoeken. Gedocumenteerd is dat het belang van de baby van toenemend gewicht is geworden in de overwegingen van de arts. De casus is, geheel volgens de geldende meldcode, anoniem voorgelegd aan het AMK. Het melden van de zaak bij de Raad voor de Kinderbescherming is een uitvloeisel geweest van het advies van het AMK. De voorlopige ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de baby zijn het gevolg van beoordelingen en verzoeken van anderen dan de arts en kunnen in tuchtrechtelijke zin niet aan hem worden toegerekend. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft rechtsoverweging 5.5 van de bestreden uitspraak. Het Centraal Tuchtcollege kan zich ook vinden in de overige overwegingen van het regionaal college en maakt die tot de zijne. Het Centraal Tuchtcollege wil aannemen dat klagers de gebeurtenissen op en na 7 november 2013 als ingrijpend en zelfs traumatisch hebben ervaren. Die ervaringen kunnen echter niet als het gevolg van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van de arts worden beschouwd. Op grond van het eigen onderzoek van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt het Centraal Tuchtcollege dus niet tot andere bevindingen dan het regionaal college in de bestreden uitspraak.

4.6 Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat het beroep van klagers dient te worden verworpen.

05

Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

- verwerpt het beroep; (…)

Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, mr. G.P.M. van den Dungen en mr. L.F. Gerretsen-Visser, leden-juristen, prof. dr. P.P.G. Hodiamont en drs. B.W. Topman, leden-beroepsgenoten, en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 8 september 2016.

download dit artikel (pdf)
print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties