Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Antina de Jong
03 juli 2019 15 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Huisarts herkende beginnende sepsis niet

18 reacties
Getty Images
Getty Images

Sepsis is geen dagelijks beeld voor huisartsen. Toch moeten zij een beginnende sepsis herkennen, om vitaal bedreigde patiënten tijdig in te sturen. In onderstaande casus valt te lezen hoe lastig dat is.

Want ja, de oudere man was ziek en rillerig, had een hoge pols en snelle ademhaling, maar nog wel een hoge bloeddruk. En hij liep nog rond. Wat is wijsheid? Insturen is ook niet alles, zei de dienstdoende huisarts met het oog op bijvoorbeeld de kans op een delier. Hij besloot de nitrofurantoïne die een dag eerder was gestart wegens een urineweginfectie om te zetten in Ciproxin en zei dat bij verslechtering contact moest worden opgenomen. Dat gebeurde uren later, maar op dat moment ging de man erg hard achteruit. Reanimatie baatte niet, en hij overleed, mogelijk door een urosepsis, alhoewel dat niet helemaal zeker is.  

De huisarts krijgt een waarschuwing, omdat er genoeg reden was om bij het eerste contact in te sturen. Zeker omdat er ook geen adequaat vangnet was. De zelfstandige seniorenflat waar de man met zijn bejaarde echtgenote woonde, bevond zich in een verzorgingshuis, waar het personeel niet constant een vinger aan de pols hield. Het was overigens ook verstandig geweest om een glucosewaarde te bepalen en de onverklaarbaar hoge tensie nog eens te meten. De huisarts betreurt zijn inschattingsfout en geeft aan ervan te leren.  

De calamiteitencommissie die de casus heeft onderzocht, zegt dat huisartsen steeds vaker te maken zullen krijgen met sepsis, bij oudere en kwetsbare patiënten. In navolging van de ziekenhuizen, waar jarenlang via veiligheidsmanagementsystemen is gehamerd op tijdige herkenning van vitaal bedreigde patiënten, is het dus zaak voor huisartsen om hun kennis hierover op te halen.  

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist 

mr. Josine Janson, adviseur gezondheidsrecht 

Download dit artikel (PDF)

  • Tuchtrecht

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG - AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 7 december 2018 binnengekomen klacht van:

A,

wonende te B,

k l a a g s t e r,

gemachtigde: C,

 

tegen

D,

huisarts,

werkzaam te E,

v e r w e e r d e r,

gemachtigde: mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum en verbonden aan Stichting VvAA Rechtsbijstand te Utrecht.

 

1.         De procedure

Het college heeft kennisgenomen van:

-                     het klaagschrift met de bijlage;

-                     het verweerschrift, binnengekomen op 29 januari 2019, met de bijlagen;

-                     de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

De klacht is behandeld op de openbare zitting van 12 maart 2019. Namens klaagster was C aanwezig. Verweerder was aanwezig met mr. M.J. de Groot voornoemd.

 

2.         De feiten

2.1       De klacht heeft betrekking op de medische behandeling van de heer F (geboren april 1939, overleden op  januari 2018), hierna te noemen: patiënt. Klaagster is zijn echtgenote. De klacht is namens haar ingediend door haar schoonzoon C (hierna: de schoonzoon).

2.2       Verweerder is huisarts sinds 2001 en sinds 11 jaar werkzaam in huisartsenpraktijk G te E.

2.3       Op vrijdag 12 januari 2018 heeft de eigen huisarts (niet verweerder) van patiënt telefonisch bij hem de diagnose blaasontsteking gesteld en is medicatie (Nitrofurantoïne ofwel furabid) gestart. De volgende dag, 13 januari 2018, heeft de echtgenote van patiënt, klaagster, met de huisartsenpost (hierna: HAP) gebeld, omdat de situatie van patiënt verslechterde. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder patiënt die middag bezocht van 14:00-14:30 uur in het verzorgingshuis waar patiënt woonde. Verweerder werd daarbij vergezeld door een eerstejaars huisarts in opleiding (hierna: de AIOS).

2.4       Met betrekking tot dat bezoek vermeldt het waarneembericht, voor zover relevant:

“Urgentie classificatie: Spoed (U2)

(..)

Deelcontact: (U71.00) Cystitis/urineweginfectie

(..)

(B) Wijkvpk: gisteren gestart met furabid vanwege blaasontsteking. Nu koude rillingen, is aan het schudden (dus niet zozeer rillerig). Heeft het ook heel koud. Onrustig. Verward (meer dan normaal). Bij inspanning wat kortademig, verder niet. Temp. 37.0, rectaal gemeten. Moesten contact opnemen bij achteruitgang. Grijpt steeds naar de buik. (…),

AIOS: 2 wk geleden hoesten, is beter gegaan. Echter afgelopen week wat rillerig, pollakisurie en onderbuikspijn. Gisteren macroscopische hematurie en op basis daarvan furabid gestart. Vandaag rillingen, verwarder dan normaal, bij inspanning wat kortademig, geen koorts. Def gb, drinkt weinig. Heeft zorg 2dd en woont samen met echtgenote.

VG: Bekend met dementie en DM, niet regelmatig UWI, geen COPD (0) 

(NHE [= de AIOS]) Oogt ziek, rillerig+, ligt met kleren aan plat in bed. Spreekt wat onsamenhangend en onduidelijk, niet duidelijk dysartrisch/afatisch.

Temp. 37.8, sat 88%, AE 25/min, pols 110/min irreg, RR 188/130mmHg

Pulm: VAG bdz, geen bijgeluiden

Abd: bol, wel soepel, spaarzame peristaltiek, WT, geen demping Lhv blaas, geen drukpijn, geen slagpijn nierloges

(CRA) toevoeging (pt is later op dezelfde dag na reanimatiesetting overleden): urine 3+ leuko’s en 3+ ery’s

(E) (NHE) Gecompliceerde UWI

(P) (TRA) Zelfstandig advies: Visite afgesproken. Bij acute verandering eerder contact opnemen.

(NHE) Mede beoordeeld door dr H: switch AB naar ciprofloxacine 500 mg 2dd1 gedurende 10dg. Bij zieker worden/koorts contact opnemen! PM herbeoordeling eigen HA?

(….)

2.5  Later die dag, zaterdag 13 januari 2018, werd de huisartsenpost om 19:16 uur weer gebeld omdat de conditie van patiënt verder achteruit was gegaan. Vervolgens heeft de andere dienstdoende arts (hierna aangeduid als SLI) patiënt om 20:30 uur bezocht. Tijdens dit bezoek is patiënt na vergeefse reanimatie overleden.

2.6       Het waarneembericht vermeldt met betrekking tot dit tweede bezoek, voor zover relevant:

Urgentie classificatie: Dringend (U3)

Deelcontact: (A96.00) Dood/overlijden (ex. A95)

(S)(MOO)

(H) opname?

(B) thuiszorg: momenteel onrustig en kortademig, wordt behandeld voor blaasontsteking. Vanmiddag ook deze klachten.

Echtgenote: praat warriq, niet te verstaan, kleindochter: klachten zijn erger geworden, weet niet waar hij is. Antwoordt niet adequaat. Wel contact mee te maken. Temp 37, iets.

(EKA)

(SLI) SL/ niet succesvolle reanimatie

20.30 u ter plaatse, 20.50 u ambu gebeld en zelf reanimatie gestart Zie onderstaand en vorig contact.

Bij binnenkomst V E, schoonzoon en kleindochter (VPK) aanwezig: gaat niet beter vanmiddag, eerder slechter, slecht aanspreekbaar, kleindochter vertelt dat opa zelfs niet notie heeft dat hij de medicijnen door moet slikken die zij in haar mond doet. Hierop aangegeven dat het mij dan verstandig lijkt om pt in te sturen omdat als hij geen med kan slikken er in de thuissituatie het niet haalbaar is om hem hier te houden. Uitleg dat ik eerst nog controles ga doen en daarna zal bellen met zh

(0) (SLI) bij  aankomst op bed liggend op li zijde, met mond open nl freq, niet echt reagerend op aanspreken; RR 87/52, T 37,4, Sat 85%, p 65/min, gluc 2,1

Gluc als laatste geprikt, hierop direct infuus geprikt, eerst re elleboog, lukte niet (kleindochter vertelt dat hij altijd moeilijk te prikken is), toen re pols, direct goed en 2x 4cc glucose gespoten, hierop weer even aanspreekbaar, ogen geopend en wat brabbelen, kleindochter nog gezien en binnen paar min (tijdens dat ik RR nogmaals wilde co) weg gezakt, gestopt met ademen en geen pols

direct ambu gebeld voor 2 auto’s, chauffeur direct AED gaan halen en ikzelf begonnen met reanimatie; toen chauffeur terug kwam hem op grond gelegd, AED aangesloten, hartmassage en mond op mond beademing gedaan, AED ca 4-5x co gedaan, asystolie, geen shok; na ik schat eerste co weer even AH en reactie op lijn, echter zeer kort (paar sec) van duur

Ambu heeft pt naar huiskamer vervoerd en daar hele protocol afgelopen, helaas zonder succes

Toen ambu klaar was al groot deel van fam aanwezig, nog op zoon uit I gewacht om uitleg te geven over hetgeen gebeurd is

gelegenheid te geven vragen te stellen, familie verdrietig maar rustig en reëel overkomend

(P) (TRA) Zelfstandig advies: iom raven visite

(SLI) zie bovenstaand

2.9       Een commissie heeft onderzoek gedaan naar het gebeurde en de bevindingen neergelegd in een Calamiteitenrapportage. De rapportage vermeldt in Hoofdstuk III (Basisoorzaken, bijvangst en conclusies):

Basisoorzaken

1. Actuele kennis over sepsis niet toegepast

De commissie is van mening dat de eerste visite-arts de patiënt had moeten insturen omdat er al het vermoeden bestond van de aanwezigheid van een urosepsis en het, op basis van het gedrag van de patiënt, waarschijnlijk reeds bestaan van een delier op het moment van de visite.

De huisarts had dit tijdens de visite moeten herkennen en een nieuwe bloeddrukmeting moeten doen. Zeker aangezien deze meting een belangrijke rol heeft gespeeld in het besluit niet in te sturen. Het besluit de patiënt thuis te behandelen is daarom deels gebaseerd op waarschijnlijk foutieve informatie, namelijk de bloeddrukwaarden. Dit had de HA het inzicht kunnen geven dat de sepsis al verder gevorderd was dan hij — mede op het klinische beeld — heeft aangenomen.

De gestelde diagnose had dus urosepsis moeten zijn.

Feit is dat de kennis van de huisarts bij het vroegtijdig signaleren van sepsis op dat moment ontoereikend is. Sepsis is een levensbedreigende aandoening en huisartsen zullen er steeds vaker mee te maken van krijgen, vooral bij oudere en kwetsbare patiënten. De kennis over vroege herkenning van sepsis is relatief nieuw.

Mede gezien het feit dat sepsis vaker een rol speelt bij calamiteiten, lijkt het nut en noodzaak hier meer actief aandacht aan te besteden. Deze conclusie wordt door vakliteratuur ondersteund:https://www.henw.org/artikelen/sepsis-herkennen-bij-een-volwassene

 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

a) een verkeerde diagnose heeft gesteld en ernstig nalatig heeft gehandeld door het

niet insturen van patiënt naar het ziekenhuis ondanks vermoeden van de

ernstige situatie gezien alle door deze arts gemeten waarden;

b) het voorval niet heeft gemeld als calamiteit ondanks de verplichting daartoe;

c) geen excuses heeft gemaakt richting de familie voor de fout;

d) ‘s avonds nog aanwezig was op de Huisartsenpost maar ondanks de ernst van de

situatie niet zelf voor de tweede keer is gekomen.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

 

5.         De beoordeling

Klachtonderdeel a. diagnose gemist en niet ingestuurd naar ziekenhuis.

 

5.1       De kern van klachtonderdeel a) is dat verweerder de diagnose urosepsis heeft gemist en patiënt niet direct naar het ziekenhuis heeft verwezen. Het missen van de juiste diagnose betekent op zichzelf nog niet dat de klacht gegrond is. De klacht is pas gegrond als vast komt te staan dat de wijze waarop verweerder tot de onjuiste diagnose is gekomen in strijd is met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame beroepsgenoot mag worden verwacht. Bij de beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het door klager klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep terzake als norm was aanvaard.

5.2       Het college heeft er begrip voor dat het overlijden van patiënt voor de familie zeer aangrijpend is geweest. Toch zal ook in dit geval moeten worden beoordeeld of verweerder bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening zoals bedoeld onder 5.1. De tuchtrechtelijke toetsing van het handelen van verweerder zal plaatsvinden in het licht van wat hem op dat moment bekend was en bekend kon zijn.

5.3       Klaagster heeft ter onderbouwing verwezen naar de door haar overgelegde calamiteitenrapportage. Het college betrekt deze rapportage in de beoordeling, maar merkt op dat de tuchtrechter een eigen afweging maakt. Het oordeel van de tuchtrechter over de individuele verwijtbaarheid en de motivering van een eventuele maatregel dient niet in overwegende mate te berusten op de inhoud van een dergelijke rapportage (vgl. CTG 20-03-2018,ECLI:NL:TGZCTG:2018:83).

5.4.      Het college constateert dat verweerder tijdens het middagbezoek op 13 januari 2019 als diagnose heeft gesteld: gecompliceerde urineweginfectie (met weefselinvasie). Patiënt is dezelfde avond thuis overleden aan waarschijnlijk een urosepsis, hoewel andere doodsoorzaken zoals een hartaanval niet geheel kunnen worden uitgesloten, mede omdat er geen obductie heeft plaatsgevonden. Sepsis (vroeger ook wel: bloedvergiftiging) is een levensbedreigende orgaandisfunctie als gevolg van een ontregelde immuunrespons op een infectie.

5.5       Verweerder heeft Ciprofloxacine voorgeschreven en bij zijn vertrek het advies gegeven aan de familie om patiënt goed in de gaten te houden en bij verdere achteruitgang weer contact op te nemen met de HAP. Het voorschrijven van ciprofloxacine past volgens deNHG standaard Urineweginfectiesbij de door verweerder gestelde diagnose. Volgens deze Standaard moet de patiënt bij tekenen van sepsis echter naar het ziekenhuis worden verwezen. De vraag is of het tuchtrechtelijk verwijtbaar is dat verweerder de sepsis niet heeft herkend en patiënt niet heeft ingestuurd.

5.6       Verweerder heeft aangevoerd dat hij op basis van jarenlange ervaring een inschatting heeft gemaakt van de situatie en dat hij achteraf gezien op dat moment onvoldoende heeft ingezien hoe ziek patiënt was, maar dat de diagnose en zijn beslissing om niet in te sturen (naar het ziekenhuis) na zorgvuldige afweging tot stand zijn gekomen. Daarbij speelden volgens verweerder de volgende factoren een rol:

- een dag eerder was er ook al sprake geweest van algehele malaise, rillen en buikpijn, hetgeen volgens de NHG-standaard en de standaard voor urologen duidt op een (gecompliceerde) urineweginfectie met weefselinvasie, waarbij in beginsel niet Nitrofurantoïne maar Ciprofloxacine moest worden voorgeschreven. Dit heeft een rol gespeeld bij de keuze van verweerder om (eerst) het krachtigere antibioticum in te zetten. Dat patiënt nu zieker was geworden en ook bloed plaste (hematurie) versterkte deze gedachte. Als de Ciprofloxacine al op 12 januari 2019 zou zijn gestart en patiënt er op 13 januari 2019 toch zo slecht aan toe was als verweerder hem aantrof, zou hij hem waarschijnlijk wel hebben ingestuurd.

- patiënt oogde wel ziek, maar hij kon nog zelfstandig naar de WC lopen, drinken en zelf zijn medicijnen innemen. Verweerder heeft patiënt niet zien ‘schudden’ en ook was de huid niet blauw/wit gemarmerd. Daarom dacht verweerder eerder aan een verergerde urineweginfectie, waarbij een breder antibioticum (Ciprofloxacine) mogelijk al na 1 tot 2 giften verbetering zou kunnen geven, dan aan een sepsis;

- de door de AIOS gemeten bloeddruk 188/130 was inderdaad vreemd (verschil onder- en bovendruk klein bij die hoge bovendruk) en hij had die wellicht moeten nameten, maar verweerder overwoog dat een hoge bloeddruk in dit geval beter was  een lage. Ook had verweerder patiënt zien lopen en interpreteerde dat als een goed teken voor de bloeddruk.

- de door de AIOS gemeten wat lage saturatie van 88% en de ademfrequentie van 25 per minuut heeft verweerder geduid als passend bij de combinatie van leeftijd, ziek zijn, COPD, recent doorgemaakte longontsteking en het plat op bed liggen; later bleek dat van COPD geen sprake was, maar dat wist verweerder toen niet.

- verweerder heeft de mogelijkheid van insturen naar het ziekenhuis wel overwogen en ook in het bijzijn van de familie met de AIOS besproken, maar er bewust van afgezien. Daarbij speelde een rol dat aan een ziekenhuisopname ook risico’s kleven; in het algemeen kunnen oudere zieke mensen met een dementieel beeld, zoals patiënt, in het ziekenhuis ernstig delirant raken.

5.7.      Het college stelt voorop, dat verweerder patiënt niet kende en het moest doen met de informatie die hij op de HAP doorkreeg. Daarom was het voor verweerder bijvoorbeeld lastig in te schatten of patiënt verwarder was dan anders. Wel is het college van oordeel dat verweerder bij een 78-jarige patiënt met een infectie alert moest zijn op een mogelijke sepsis. Sepsis komt bij ouderen meer voor en het risico op een ernstig beloop is sterk verhoogd. Vooral bij oudere patiënten is de klinische beoordeling lastig; ouderen krijgen niet altijd koorts bij een infectie (patiënt had ook geen koorts) en hun klachten bij sepsis zijn vaak aspecifiek. Daar moet een huisarts op bedacht zijn.

5.8       Volgens de NHG-standaard zijn hypotensie, tachycardie, koude rillingen en verwardheid tekenen die op sepsis kunnen duiden.

Volgens het artikel “De Sepsis herkennen bij een volwassene”in Huisarts en Wetenschap van 3 augustus 2017 is een sepsis waarschijnlijk als een patiënt met een infectie voldoet aan minimaal twee van de volgende kenmerken:

ademhalingsfrequentie ≥ 22/min,

veranderd bewustzijn,

systolische bloeddruk ≤ 100 mmHg.

Onmiddellijke ziekenhuisopname is aangewezen bij tenminste één zogenaamde ‘rode vlag’, zoals:

ademhalingsfrequentie ≥ 25/min;

systolische bloeddruk ≤ 90 mmHg,

saturatie < 92% (of 88% bij COPD).

5.9       De tijdens de visite van verweerder gemeten ademhalingsfrequentievan 25/minuut was zo’n rode vlag. De saturatie van 88% was dat ook. Zelfs als patiënt COPD had, waarvan verweerder uitging, zat de saturatiewaarde op de grens. Het college is verder van oordeel dat verweerder de bloeddruk opnieuw zelf had moeten meten, nu de door de AIOS gemeten waarde vreemd was. Dan was mogelijk een veel lagere bloeddruk gemeten (vgl. de een paar uur later gemeten bloeddruk van RR 87/52). Aangezien het verweerder bekend was dat patiënt ook diabetes had, had het daarnaast voor de hand gelegen dat hij de bloedsuiker had geprikt (zoals de arts bij het tweede bezoek wel heeft gedaan). Naast ouderdom is diabetes een factor die het risico op sepsis verhoogt. De uitkomst van beide metingen had mogelijk het vermoeden van sepsis versterkt. Daarnaast blijkt uit het waarneembericht van het middagbezoek dat de AIOS heeft genoteerd dat patiënt zowel rilleriger als verwarder was dan voordien.

5.10     Deze combinatie van factoren vormde voldoende reden voor een vermoeden van sepsis en daarmee voor een direct insturen naar het ziekenhuis. Verweerder heeft dit niet gezien en niet gedaan en dat betreurt hij achteraf zelf ook. Aan verweerder kan overigens worden toegegeven dat een ziekenhuisopname voor bejaarde en/of dementerende patiënten ook risico’s met zich meebrengt. Het was om deze reden wellicht verdedigbaar om op deze grond patiënt nog niet direct in te sturen en de reactie op de nieuwe antibiotica af te wachten, maar dan had verweerder wel na bijvoorbeeld een uur moeten nabellen hoe de situatie was of moeten verzekeren dat er een goed vangnet bij de patiënt was. Geen van beide is gebeurd. Er was geen adequaat vangnet, nu – anders dan verweerder veronderstelde – het personeel van het verzorgingshuis waar patiënt een zelfstandige seniorenflat bewoonde niet voortdurend de vinger aan de pols hield en de bejaarde echtgenote van patiënt daartoe niet in staat kon worden geacht.

5.11     Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdeel a gegrond is.

Klachtonderdeel b. calamiteit niet gemeld

5.12.    De plicht om een calamiteit te melden rust op de huisartsenpost, die dat in dit geval (uiteindelijk) ook heeft gedaan. Het college heeft geen aanwijzingen dat verweerder aan het vervolgens ingestelde calamiteitenonderzoek niet zijn volledige medewerking heeft verleend. Verweerder treft dus geen tuchtrechtelijk verwijt en klachtonderdeel b is ongegrond.

Klachtonderdeel c.geen excuses

5.13.    Verweerder heeft aangevoerd dat hij in de week na het overlijden van patiënt contact heeft gezocht met de eigen huisarts van patiënt om met haar van gedachten te wisselen en met de familie van patiënt in contact te komen om zijn medeleven te betuigen en uitleg te geven. Deze huisarts reageerde echter niet op de drie verzoeken om contact op te nemen met verweerder. Wel heeft zij de laatste keer kort contact gehad met de AIOS en gezegd dat zij eerst contact op zou nemen met de familie. Op 29 maart 2018 ontving verweerder toestemming om met de familie te spreken. Op 1 mei 2018 heeft verweerder ongeveer 45 minuten gesproken met klaagster en haar schoonzoon. Ter zitting heeft de schoonzoon verklaard, dat de familie op 28 maart 2019 voor het eerst met de eigen huisarts heeft gesproken en verder dat hij het gesprek met verweerder op 1 mei 2018 als prettig heeft ervaren, maar dat hij geen goede verklaring voor het niet insturen heeft gehoord. Op 2 mei 2018 heeft de schoonzoon gebeld met Zorgpunt Nederland, hetgeen tot de calamiteitenrapportage heeft geleid.

5.14     Het college ziet niet in welk tuchtrechtelijk verwijt verweerder kan worden gemaakt bij deze gang van zaken. Niet gebleken is dat hij een gesprek met de familie zou hebben afgehouden of geen openheid van zaken zou hebben willen geven(vgl.ECLI:NL:TGZCTG:2016:345), integendeel. Klachtonderdeel c is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel d. bij tweede bezoek niet zelf gekomen

5.15     Verweerder heeft aangevoerd, dat de assistente die ‘s avonds gebeld werd door de familie telefonisch heeft overlegd met verweerder. Hij begreep dat patiënt zieker en verwarder was geworden en concludeerde dat er een nieuwe visite moest volgen, waarvan naar verwachting de uitkomst was dat patiënt moest worden ingestuurd. Omdat verweerder op dat moment druk was met consulten op de HAP en de andere dienstdoende huisarts die dag nog geen visites had gedaan, is de andere huisarts naar patiënt gegaan. Een andere dan deze praktische reden zat daar niet achter. Verweerder heeft vooraf zijn bevindingen van die middag overgebracht aan de andere huisarts.

5.16     Deze gang van zaken is voorstelbaar en op zichzelf ook niet door klaagster betwist.  Naar het oordeel van het college heeft verweerder niet klachtwaardig gehandeld door de tweede visite niet zelf te doen. Daartoe bestond geen plicht of medische noodzaak, nog daargelaten de vraag of het praktisch mogelijk was. Klachtonderdeel d is ongegrond.

Conclusie

5.17     De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klaagster had behoren te betrachten. Nu verweerder naar de overtuiging van het college een inschattingsfout heeft gemaakt maar naar eer en geweten heeft gehandeld, zich toetsbaar heeft opgesteld, ervan heeft geleerd en niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld, is het college van oordeel dat een waarschuwing een passende maatregel is.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, in het bijzonder het onder de aandacht brengen van de vrij recente kennis over het herkennen van sepsis bij met name ouderen, zal de beslissing zodra zij onherroepelijk is op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

 

6. De beslissing

Het college:

-         verklaart klachtonderdeel a gegrond;

-         verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

-         legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-         bepaalt dat de beslissing ingevolge artikel 71 van de Wet BIG in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan het tijdschrift Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

 

Aldus beslist door:

mr. E.A. Messer, voorzitter,

J.C. van der Molen, D.E. de Jong, G.J. Dogterom, leden-arts,

mr. M.A.H. Verburgh, lid-jurist,

bijgestaan door mr.J.M. Sodderland-Elzas, secretaris.

en in het openbaar uitgesproken op11 april 2019door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • GJ Bonte, Neuroloog, Dalfsen 15-07-2019 11:30

    "@Leenders:
    Ach ja... U heeft in theorie waarschijnlijk helemaal gelijk. Maar de praktijk is nu eenmaal een ander verhaal en over het algemeen iets weerbarstiger.

    Ik kan u verzekeren dat iets niet melden waar dat misschien wel had gemoeten een stuk minder trammelant oplevert dan het wel melden als niemand daar op zit te wachten.

    Bovendien, ik vind dat ik dit leven wel genoeg heb gemeld. Een neurochirurg die zijn neus iets te vaak poederde met een wit goedje en met zijn handen niet van vrouwelijke co-assistenten kon afblijven, een neuroloog die de verzorging van zijn vrouwelijke MS patiënten waarschijnlijk tot in zijn bed voortzette, een tweetal radiologen met de bijnamen ”Stevie & Ray”, een neuroloog die niets opschreef, geen brieven schreef of corrigeerde, DBC’s niet invulde, en haar afspraken niet nakwam en een neuroloog die DBC’s stal van zijn collega’s om aan zijn productie te komen omdat ie anders gekort zou worden op zijn inkomen…

    Dat is wel voldoende, vind u niet? Ik heb waarschijnlijk meer gemeld dan menig andere dokter in tien levens zou doen, en daar meer dan eens de bijzonder wrange vruchten van geplukt. Ik verwijs u ter illustratie naar een artikeltje in een zeker medisch opinieblaadje hetgeen verscheen in 2008... En dat was nog maar het begin. Het is maar goed dat ik toen nog zo naïef was en geen enkel idee had wat me nog te wachten stond. "

  • GJ Bonte, Neuroloog, Dalfsen 15-07-2019 11:29

    "Ook in het betreffende ziekenhuis heb ik wel degelijk stevig aan het klokkenkoord gehangen. En als ik daar met mijn gewicht aan ga hangen, dan hoor je de klok wel, hoe zwaar ie ook mag zijn. Tenzij je de klok niet wilt horen. Verder heb ik in het betreffende ziekenhuis de maatschapsvoorzitter geadviseerd een heel dik tapijt te kopen voor in de maatschapskamer. Dat dempt het geluid van de klok goed en bovendien kun je er dan heel veel onder vegen zonder dat je bobbels in het tapijt ziet. De neuroloog die de divisie zou moeten aansturen heb ik geadviseerd wat meer Brinta te eten, omdat ik enige slapte in de wervelkolom constateerde...

    En als het nu nog iets opleverde, dan was het nog tot daar aan toe. Maar het leverde niets op, nada, noppes. Zo ook bij alle andere meldingen die ik heb gedaan. Resultaat nul, behoudens een hele boel stress en ellende voor mezelf.

    Bovendien, recentelijk ben ik bekeerd tot het stoïcisme. Behalve het mediteren dan, daar ben ik als nuchtere boerenzoon dan toch net weer iets te aards voor. De stoïcijnen hebben een uitspraak die te boek staat als de ”Serenity Prayer”. Ik vind hem prachtig en qua praktiseren bevalt hij me ook bijzonder goed, beter dan welke strategie dan ook tot nu toe:

    ”God, grant me the serenity to accept the things I cannot change, the courage to change the things I can, and the wisdom to know the difference.”

    Het eerste aspect heb ik altijd ernstig onderschat, het tweede aspect bijzonder ernstig overschat, aan het laatste punt wordt hard gewerkt. Het moet gezegd, het had ook wel wat onderhoud nodig.

    Dat ik het tweede punt altijd ernstig overschat heb, is zeer waarschijnlijk te wijten aan het feit dat de grootte van mijn ego lange tijd gelijke tred hield met mijn buikomvang. Maar die correlatie begint te verdwijnen. Hoewel ik vrees dat mijn buikomtrek nog steeds een stijgende lijn vertoont, begint mijn ego enigszins te involueren. Nog niet heel ernstig, maar toch…"

  • GJ Bonte, Neuroloog, Dalfsen 15-07-2019 11:28

    "Kortom, ik meld dus helemaal niets meer. Als ik dingen constateer die niet door de beugel kunnen of het daglicht niet kunnen verdragen, leg ik dat onder vier ogen bij de persoon zelf neer, en als ik daar geen gehoor vind, bij de vakgroepvoorzitter. Over het algemeen weet men donders goed wat er speelt in de maatschap of ziekenhuis, maar kiest men er bewust voor om de andere kant op te kijken. En ik begin te begrijpen waarom dat zo is. En dus laat ik het daar tegenwoordig bij. Het valt dan buiten mijn invloedssfeer en ik kan er niets aan veranderen.

    Bovendien ben ik als waarnemer ”te gast”, en ik moet me ook gedragen als gast. Niemand zit te wachten op een waarnemer die komt vertellen wat er allemaal fout gaat in de vakgroep en het ziekenhuis. Als het me al te dol wordt, en ik het moeilijk vind om me nog in de spiegel aan te kijken, kan ik altijd voortijdig vertrekken.

    Bovendien hebben we genoeg medici en andere zelfbenoemde deskundigen die menen dat het allemaal reuze goed gaat in het ziekenhuis, en als dat niet zo is, instrumenten zoals de IFMS en visitaties een uitermate geschikt middel vinden om dergelijke zaken te corrigeren. Daar zijn mensen bij met veel meer titels dan ik, die dan ook geacht worden veel slimmer en wijzer te zijn dan ik. Eentje daarvan publiceert er regelmatig over een zeker medisch opinieblaadje, toevallig hetzelfde blaadje waar ik in 2008 acte de présence gaf. Ook dat valt ruim buiten mijn invloedssfeer dus lach ik er tegenwoordig smakelijk om.

    Eigenlijk komt het misschien wel neer op de volgende levenswijsheid. Die is dan weer niet van de stoicijnen, maar komt in praktijk min of meer op hetzelfde neer:

    ”The Road to Inner Peace Starts with Only Four Words: Not My Fucking Problem.”

    In dit specifieke geval: Niet mijn patiënt en daarom niet mijn probleem. Laat staan dat ik het meld. "

  • JH Leenders, huisarts , Leeuwarden 15-07-2019 07:17

    "Voor collega Bonte, neuroloog:
    Mbt de story vd gemiste sepsis in top-hospitaal: U zegt: "geen haan die er naar kraait "
    Weet wel dat U, eenmaal bekend met de zaak, verplicht bent de zaak als een calamiteit te melden; zo niet , dan bent U ernstig in overtreding, waarvan acte!"

  • Wim Hartgers, Huisarts, Amsterdam 11-07-2019 22:27

    "Het valt op, dat Tuchtcolleges weinig begrip hebben voor het moeilijke parket, waarin huisartsen zich vaak bevinden. Met weinig middelen moeten we een beslissing nemen over het thuis behandelen van een patiënt of deze insturen naar een ziekenhuis. De ervaring is, dat het al lastig is om obligaat zieke patiënten te laten opnemen, laat staan patiënten waarbij er twijfel bestaat over het wel of niet opnemen. Niet zelden hang ik een half uur aan de telefoon om een opname te regelen. Bovendien is het ziekenhuis ook niet altijd veilige plek voor kwetsbare ouderen. 20 % van deze groep overlijdt door een in het ziekenhuis opgelopen ziekenhuisbacterie. In onderhavige casus voldeed de patiënt niet aan de criteria van een beginnende sepsis, zoals andere collega's hieronder al hebben aangetoond. Het is dan ook verdedigbaar, dat betreffende collega heeft besloten om patiënt in eerste instantie thuis te behandelen. Dit soort situaties doen zich regelmatig voor en bijna altijd gaat het ook goed. Die zaken komen dan ook nooit bij een Tuchtcollege terecht. Soms gaat het anders dan je verwacht, maar dan is er meestal nog genoeg tijd om patiënt alsnog in te sturen. Uitspraken als deze zullen ongetwijfeld leiden tot defensieve geneeskunde en insturen van patiënten, die heel goed thuis hadden kunnen worden behandeld. Ziekenhuizen zullen dan nog meer als nu niet kunnen voldoen aan de zorgvraag. Bovendien leiden dit soort uitspraken tot het beeld, dat huisartsgeneeskunde een riskant vak is met een groot risico op tuchtrechterlijke maatregelen. Veel jonge collega's laten zich hierdoor afschrikken om huisarts te worden en dit draagt ongetwijfeld bij aan het grote tekort aan huisartsen, waar we op dit moment mee te maken hebben. "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.