Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Tuchtrecht
Sophie Broersen Robinetta de Roode
11 februari 2020 5 minuten leestijd
tuchtrecht

Arts in werkgeversrol niet tuchtrechtelijk aanspreekbaar

1 reactie

Een arts in een leidinggevende functie kan ook door de tuchtrechter worden beoordeeld. Tenminste, als wat de arts in die rol deed, voldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg.

In deze casus was dat niet het geval. Een sociotherapeut wordt mishandeld tijdens zijn werk in een tbs-kliniek en raakt daarbij ernstig verwond. Nadien verwijt hij de directeur behandelzaken, een psychiater, onder meer dat zijn negatieve houding zijn herstel negatief heeft beïnvloed, en dat hij risicovolle situaties heeft genegeerd, waardoor de mishandeling plaats kon vinden.

De psychiater draagt als directeur behandelzaken de eindverantwoordelijkheid voor de zorg van de patiënten in de kliniek. Als daar structureel iets misging, had hij daarop kunnen worden aangesproken door de tuchtrechter. Onder omstandigheden kunnen ook collega’s over elkaar bij de tuchtrechter terecht, als het probleem de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg raakt. Tussen de sociotherapeut en de psychiater was echter geen sprake van een behandelrelatie, maar van een hiërarchische arbeidsrechtelijke verhouding. Daar gaat de tuchtrechter niet over. De sociotherapeut is daarom niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Auteurs

Sophie Broersen, arts en journalist

mr. Robinetta de Roode, adviseur gezondheidsrecht


Download de ingekorte versie van dit artikel (PDF)

Voor meer uitspraken zie tuchtrecht.nl.

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2019.082 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: C. (vader),

tegen

D., psychiater, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. H. Vorsselman, advocaat te Groningen.

1. Verloop van de procedure

A. – hierna klager – heeft op 5 oktober 2018 bij het Regionaal Tuchtcollege te Groningen tegen psychiater D. – hierna de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 5 maart 2019, onder nummer G2018/157, heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De arts heeft een verweerschrift en desgevraagd een aanvullend verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2019, waar klager bijgestaan door zijn vader tevens gemachtigde, C. alsmede de arts bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. H. Vorsselman zijn verschenen.

De zaak is over en weer bepleit. Klager heeft dat gedaan aan de hand van een

pleitnota die aan het Centraal Tuchtcollege is overgelegd.

2. Beslissing in eerste aanleg

2.1       In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.

“2. Vaststaande feiten            

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten.

2.1

Klager werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als sociotherapeut in de E.-kliniek in B., een forensisch psychiatrische instelling waar onder meer TBS-gestelden worden behandeld. Verweerder is directeur behandelzaken van die kliniek.

2.2

Op 7 november 2016 is klager, door een in die kliniek behandelde TBS-patiënt met een houten voorwerp op het aangezicht en schedel geslagen. Het gevolg daarvan was een ernstige verwonding.

2.3

Klager heeft de kliniek aansprakelijk gesteld op de voet van het bepaalde in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek. De kliniek heeft deze aansprakelijkstelling bij haar verzekeraar gemeld. Na een calamiteitenonderzoek heeft de kliniek aansprakelijkheid erkend.

2.2       De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.

“3. De klacht

De klacht luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

1.     Verweerder heeft zijn beroepsgeheim geschonden door zonder toestemming van klager persoonlijke en medische informatie over hem te geven aan daartoe niet bevoegde personen. Deze informatie was overigens ook nog eens gedeeltelijk onjuist.

2.     Verweerder heeft door een systematische negatieve houding het psychisch herstel van klager op een negatieve wijze beïnvloed.

3.     Verweerder heeft risicovolle situaties systematisch genegeerd en medewerkers – onder wie klager – daaraan blootgesteld. Deze situaties hebben geleid tot een ernstige calamiteit op 7 november 2016.

4.     Verweerder heeft deze calamiteit niet transparant afgehandeld jegens klager en derden.

4. Het verweer

Verweerder heeft de klachtonderdelen gemotiveerd weersproken.”

2.3       Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5. Beoordeling van de klacht

De klachtonderdelen betreffen naar het oordeel van het college in wezen arbeidsrechtelijke verwijten aan het adres van verweerder als leidinggevende, tevens medicus, in een forensisch psychiatrische kliniek. Tussen klager en verweerder bestond geen behandelrelatie. Verweerder is verder alleen tuchtrechtelijke verantwoordelijk, indien sprake is van een handelen of nalaten dat in strijd is met het belang van de goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg, de toets van artikel 47 lid 1 sub b Wet BIG (de zogenaamde tweede tuchtnorm). Ook dat is hier niet in het geding, omdat klagers verwijten zien op de arbeidsomstandigheden en omstandigheden in de arbeidsrelatie. Het (medisch) tuchtrecht is daarvoor niet bedoeld. Aldus zal klager niet-ontvankelijk worden verklaard.”

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de rechtsoverweging “2. Vaststaande feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4. Beoordeling van het beroep.

Procedure

4.1 Met zijn beroep beoogt klager de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die hij reeds in eerste aanleg heeft geuit. Klager concludeert (impliciet) tot nietigverklaring van de bestreden beslissing en tot gegrondverklaring van zijn klachten.

4.2 De arts heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege – zakelijk weergegeven – het beroep te verwerpen en de bestreden beslissing, zo nodig met verbetering van de gronden, te bevestigen.

Beoordeling van het beroep.

4.3 Het Centraal Tuchtcollege overweegt als volgt.

Het door klager aan de arts verweten handelen of nalaten betreft geen handelen dat wordt bestreken door de eerste tuchtnorm (artikel 47 lid 1, aanhef en onder a, Wet BIG) en kan evenmin worden beschouwd als een handelen dat op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen kan opleveren (artikel 47 lid 1 sub b van de Wet BIG).  De verhouding tussen de arts, die in die hoedanigheid aan tuchtrechtspraak is onderworpen, en klager was geen behandelrelatie maar die van  leidinggevende (in de functie van directeur behandelzaken) en werknemer (sociotherapeut) in de instelling, waar beiden werkzaam waren. Met het Regionaal Tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat klager in een arbeidsrechtelijke verhouding tot de directeur/arts stond en dat de verwijten van klager zien op aspecten en omstandigheden die de arbeidsrelatie betreffen. Als leidinggevende heeft de arts zich beziggehouden met het veiligheidsbeleid in de instelling en de afwikkeling van de gevolgen van het ernstige incident, waarbij klager gewond is geraakt. Nu de arts ten opzichte van klager niet heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van BIG-geregistreerde arts, maar als zijn leidinggevende, kan hij terzake van dat handelen niet op grond van de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk worden aangesproken omdat dit handelen onvoldoende weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

4.4 Het bovenstaande betekent dat het beroep wordt verworpen.

4.5Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden gelast dan wel verzocht.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep;

bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Staatscourant, en zal worden aan­geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven door: C.H.M. van Altena, voorzitter; J. Legemaate en

T.W.H.E. Schmitz, leden-juristen; G.T. Blok en E.J. Stevelmans, leden-beroepsgenoten en H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2019.

Voorzitter  w.g.                                                        Secretaris  w.g.

tuchtrecht
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Naam en adres bij de redactie bekend, , 15-04-2020 14:29

    "Deze uitspraak van het CTG omvat twee kernvragen: is de tweede tuchtnorm na de verruiming in april 2019 überhaupt van toepassing op arts-bestuurders, en zo ja, valt het systematisch negeren van onveilige en risicovolle werksituaties voor zorgverleners onder hun tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid?
    Vóór de wettelijke aanpassing stond het weerslagcriterium ‘handelen op het gebied van de individuele gezondheidszorg’ centraal in het toetsen van deze norm. Onder de nieuwe wetgeving is het ‘handelen of nalaten hiervan, echter onafhankelijk van de hoedanigheid van de hulpverlener en zijn gedragingen tuchtrechtelijk verwijtbaar, indien ze in strijd zijn met hetgeen een behoorlijke beroepsbeoefenaar betaamt.’ In deze casus valt het handelen van de bestuurder-arts volgens het CTG niet onder de individuele gezondheidszorg. Het is echter onduidelijk welke overwegingen bepalend zijn in het besluit de gedragingen niet aan de ruimere norm te toetsen. De psychiater als directeur behandelzaken draagt wel eindverantwoordelijkheid en is volgens het CTG tuchtrechtelijk aanspreekbaar als er iets structureel misging in de zorg van de patiënten in de forensische kliniek. In deze casus werden zorgverleners systematisch aan risicovolle situaties blootgesteld met onnodige incidenten en calamiteiten tot gevolg. Onveilige werksituaties hebben repercussies op de kwaliteit van zorg voor patiënten, zeker binnen (forensische) ggz-instellingen. Secundair lijdt de zorg ook onder het potentieel personeelsverloop als gevolg van deze situatie. De vraag is in hoeverre men in de tuchtrechtelijke toetsing, de omstandigheden waarin deze patiëntenzorg wordt verleend, kan betrekken in de besluitvorming. Het aansprakelijk stellen van arts-bestuurders blijft ook na de wettelijke aanpassing lastig daar hij zich als een kameleon wisselend in de functies van arts of bestuurder bevindt."

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.