Inloggen
Laatste nieuws
Uitspraak tuchtcollege

Van doorhaling naar doorwerken

2 reacties

Een alternatief werkend arts – over wie op blz. 1748 ook wordt bericht – blijkt vrolijk te hebben doorgewerkt nadat haar inschrijving in het BIG-register door het regionaal tuchtcollege in juli 2010 met onmiddellijke ingang was doorgehaald. Toch vreemd dat niemand dit was opgevallen. Zeker omdat de argumentatie voor onmiddellijke schorsing was (zie de niet-ingekorte uitspraak op onder dit artikel) dat er na eerdere berispingen een aanzienlijke kans bestond op verder disfunctioneren.

De arts had onbekwaam de diagnose ‘schizofrenie’ bij een patiënte gesteld en op basis daarvan een behandeling gegeven die bestond uit orthomanuele therapie van de nekwervels en propranolol. Die diagnose had ze niet mogen stellen en de behandeling was onvoldoende. In hoger beroep blijft dit grotendeels overeind. Maar het was volgens het college niet nodig om patiënte door te verwijzen voor een juiste behandeling. Er was immers geen correcte diagnose gesteld en daarom zou er dus ook geen reden zijn om te verwijzen. Die redenering is op z’n minst opmerkelijk. Als je de diagnose schizofrenie stelt en je kunt dit niet zelf behandelen, dan moet je toch gewoon doorverwijzen. Ook als achteraf blijkt dat de diagnose niet correct was.

De doorhaling wordt door het Centraal Tuchtcollege omgezet in een voorwaardelijke schorsing van een jaar. Dit betekent dat de 88-jarige arts weer aan de slag mag, tenzij er binnen een jaar een nieuwe tuchtrechterlijke veroordeling volgt. Het tuchtcollege schuift hiermee de verantwoordelijkheid af naar een potentiele nieuwe klager. En die moet ook nog als een haas te werk gaan om binnen dat jaar een tuchtrechtelijke veroordeling te bewerkstelligen.

Ben Crul, arts
mr. Diederik van Meersbergen, jurist KNMG

Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 5 juli 2011

(ingekort door redactie MC)

Beslissing in de zaak onder nummer C2010.206 van A, arts, wonende te B, appellante, verweerster in eerste aanleg, gemachtigde mr. I. Goedings,
advocaat te Ede, tegen C en D, beiden wonende te E, verweerders, klaagsters in eerste aanleg, gemachtigde mr. P. van der Nat, advocaat te Amsterdam.

1. Verloop van de procedure

C (dochter) en D (moeder), hierna te noemen klaagsters of klaagster 1 en klaagster 2, hebben op 26 mei 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te ‘s-Gravenhage tegen A, hierna te noemen de arts, een klacht ingediend. Bij beslissing van 13 juli 2010, onder nummer 2009 O 101 heeft dat college – zakelijk weergegeven – de arts de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG-register en schorsing met onmiddellijke ingang opgelegd.(…).

2. Beslissing in eerste aanleg

‘2. De feiten

2.1 Klaagster 1, geboren in 1977 als dochter van klaagster 2, heeft na een val op haar elfde jaar een schedelbasisfractuur en coma doorstaan. Eind april 2004 overkwam haar een ongeluk tijdens het paardrijden. Daardoor had zij last van rugklachten, duizeligheid en evenwichtsproblemen.

2.2 Op aanraden van klaagster 2, die eerder door de arts was behandeld voor een hernia, heeft klaagster 1 op 10 mei 2004 de arts geconsulteerd. De arts stelde na kort lichamelijk onderzoek de diagnose beginnende schizofrenie als gevolg van scheefstand van de nekwervel. De arts heeft klaagster 1 vervolgens behandeld met orthomanuele manipulatie van de nekwervels en medicatie met propanolol gedurende drie maanden. Daarna heeft klaagster 1 zich niet meer door de arts laten behandelen.

3. De klacht

(…) Zij verwijt de arts kwade trouw en oplichting.

4. Het standpunt van de arts

(…) De arts wijst er verder op dat zij bij vele patiënten (autisten, parkinson, MS, manisch depressiviteit, asperger, fobieën, alzheimer, ALS, gilles-de-la-tourettesyndroom, gaullian-barrésyndroom) de diagnose ‘scheve stand van de nekwervel’ heeft gesteld en hen met succes heeft behandeld.

( …)’

3. Vaststaande feiten en omstandigheden

Het Centraal Tuchtcollege gaat voor de beoordeling van het hoger beroep uit van de feiten en de omstandigheden zoals zijn vastgesteld door het regionaal tuchtcollege en hierboven onder 2.1 staan weergegeven.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Procedure

4.1 De arts acht de door het regionaal tuchtcollege opgelegde maatregel excessief en disproportioneel en beoogt de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Zij concludeert – zakelijk weergegeven – tot gegrond verklaring van haar beroep, vernietiging van de opgelegde maatregel en tot oplegging van een andere meer gepaste tuchtrechtelijke maatregel.

4.2 Klaagsters hebben in hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij concluderen tot bekrachtiging van de door de arts bestreden uitspraak.

Beoordeling

4.3 In het eerste klachtonderdeel wordt de arts – zakelijk weergegeven – verweten dat zij een verkeerde diagnose, namelijk een ernstige psychiatrische stoornis (schizofrenie), heeft gesteld.

Wat betreft dit klachtonderdeel overweegt het Centraal Tuchtcollege het navolgende. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de arts – naar zij in hoger beroep ook heeft toegegeven – de diagnose (beginnende) schizofrenie niet definitief heeft mogen stellen. Zij was voor het stellen van deze diagnose noch bekwaam, noch bevoegd (zie artikel 36 lid 15 BIG). Afgezien daarvan heeft de arts ook onvoldoende onderzoek gedaan door geen anamnese af te nemen, geen navraag te doen naar de bevindingen van de eerdere behandelaars van klaagster 1 en geen voor de vermoedelijke diagnose schizofrenie geschikt onderzoek te verrichten. Dat de arts deze diagnose toch heeft gesteld op basis van de haar toen ter beschikking staande gegevens, acht het Centraal Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar.

Het Centraal Tuchtcollege acht voorts aannemelijk dat de arts de diagnose (beginnende) schizofrenie niet alleen definitief heeft gesteld maar ook aan een van de klaagsters heeft medegedeeld. De stellige ontkenning daarvan door de arts in hoger beroep, acht het Centraal Tuchtcollege ongeloofwaardig. Zo schrijft klaagster 2 in het levensverhaal van haar dochter (‘Een geschiedenis van C’) gevoegd bij de brief van 29 oktober 2004 : ‘Haar eerste consult bij A was op 10 mei van dit jaar. Toen vertelde ze ook over de geesten die ze zag en waarmee ze in contact stond, naar aanleiding van de vraag of ze stemmen hoorde. Ze leed aan het hoge nek syndroom en zou binnen niet al te lange tijd schizofreen zijn geworden.’ Dit laatste kan klaagster 2 alleen van de arts zelf of via haar dochter van de arts hebben vernomen. Dat klaagster 2 naderhand bij brief van 16 december 2009 het levensverhaal van haar dochter heeft ingetrokken, doet hieraan niet af.

Het eerste klachtonderdeel is gegrond.

4.4 In het tweede klachtonderdeel verwijten klaagsters de arts dat zij verkeerde medicijnen heeft voorgeschreven, niet de goede behandeling heeft gegeven, door de behandeling de klachten heeft doen verergeren, de gezondheid van klaagster 1 op het spel heeft gezet, haar zelfbeeld onnodig heeft geschaad en haar onnodig heeft bang gemaakt, als gevolg waarvan klaagster 1 zich gestigmatiseerd voelt en zij studievertraging heeft opgelopen. Het heeft klaagster 1 bovendien haar relatie gekost en zij verwijt de arts dat deze haar niet heeft doorverwezen naar een andere deskundige beroepsbeoefenaar.

Het Centraal Tuchtcollege stelt vast dat de arts op basis van de door haar onbevoegdelijk gestelde diagnose bij klaagster een behandeling heeft ingezet door orthomanuele manipulatie van de nekwervels en het voorschrijven van medicatie (propanolol). De arts had dat niet mogen doen, temeer nu niet is aangetoond dat propanolol een adequaat medicijn is tegen schizofrenie. Dat de nekklachten door de behandeling van de arts zijn verergerd – zoals klaagsters stellen – acht het Centraal Tuchtcollege, mede gelet op de inhoud van de bedankbrief van klaagster 2 (moeder) aan de arts van 29 oktober 2004 overigens niet aannemelijk.

De verwijten van klaagsters dat klaagster 1 zich door het stellen en mededelen van de diagnose gestigmatiseerd voelt, studievertraging heeft opgelopen, haar relatie beëindigd zag en haar onnodig bang heeft gemaakt, acht het Centraal Tuchtcollege, mede in het licht van de hiervoor bedoelde bedankbrief, evenmin aannemelijk, zodat die aspecten bij de beoordeling van de klachten geen rol van betekenis kunnen spelen.

Verwijzing naar een daartoe bevoegde en bekwame beroepsbeoefenaar had dienen plaats te vinden indien de arts op goede gronden tot de voorlopige diagnose (beginnende) schizofrenie had kunnen komen. Nu klaagsters (die niet in persoon in hoger beroep zijn verschenen) uitdrukkelijk hebben betwist dat er van een (beginnende) schizofrenie sprake was, kan niet door het Centraal Tuchtcollege worden vastgesteld dat bij klaagster destijds sprake was van zodanige symptomen dat doorverwijzing naar een psychiater of een psycholoog had dienen plaats te vinden. Anders dan het regionaal tuchtcollege heeft geoordeeld, is derhalve niet komen vast te staan dat een verwijzing als hiervoor bedoeld had dienen plaats te vinden, zodat de arts dienaangaande geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Dit klachtonderdeel slaagt derhalve ten dele.

4.5 Wat betreft de grief van de arts dat de opgelegde maatregel excessief en disproportioneel is, overweegt het Centraal Tuchtcollege naast het bovenstaande nog het navolgende.

Het Centraal Tuchtcollege rekent het de arts zwaar aan dat ter terechtzitting in beroep is gebleken dat zij nog steeds als arts werkzaam is en (naar eigen zeggen) zich niets aantrekt van de haar door het regionaal tuchtcollege opgelegde maatregel van schorsing met onmiddellijke ingang en doorhaling van de inschrijving.

Mede in het licht van de twee eerder aan de arts opgelegde berispingen, welke geen betrekking hadden op inhoudelijk medisch handelen, acht het Centraal Tuchtcollege echter geen zwaardere sanctie gerechtvaardigd dan een voorwaardelijke schorsing, als hieronder aangegeven.

Dit alles afwegende ziet het Centraal Tuchtcollege aanleiding de door het regionaal tuchtcollege opgelegde maatregel te matigen.

4.6 Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal de publicatie van deze beslissing worden gelast.

5. Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

- verklaart het beroep van de arts gegrond;

- vernietigt de bestreden beslissing op onderdelen zoals in rechtsoverweging 4.4 is overwogen en tevens wat betreft de opgelegde maatregel;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- verklaart de betrokken onderdelen van de klacht alsnog ongegrond;

- legt aan de arts de maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de periode van een jaar op met als voorwaarde dat de arts gedurende deze periode niet tuchtrechtelijk zal worden veroordeeld. Voor het geval het onverwijld toch tot een tuchtrechtelijke veroordeling komt, zal de reeds ten uitvoer gelegde schorsing hiervan in mindering worden gebracht;

- bekrachtigt de bestreden beslissing voor het overige;

Bepaalt dat deze beslissing op de voet van artikel 71 Wet BIG zal worden bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, en zal worden aan-geboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact met het verzoek tot plaatsing.

Deze beslissing is gegeven in raad-kamer door mr. K.E. Mollema, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. G.P.M. van den Dungen, leden-juristen, en dr. W.J. Rijnberg en H.J. Blok, leden-beroepsgenoten, en mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2011, door mr. W.D.H. Asser, in tegenwoordigheid van de secretaris. 

<b>Niet-ingekorte versie van deze uitspraak</b> <b>PDF van dit artikel</B>
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.