Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Udo Reijnders Frank van de Goot Mehdi Jiwa Judith Fronczek
06 februari 2015 4 minuten leestijd

Klinische obductie verdient herwaardering

Plaats een reactie

PATHOLOGIE

Beter inzicht in doodsoorzaak maakt betere zorg mogelijk

Keer op keer blijkt obductie nieuwe feiten aan het licht te brengen over de doodsoorzaak. Door de gebrekkige aandacht voor obducties blijven ziektebeelden onderbelicht en soms zelfs verdachte overlijdens buiten beeld.

In veel gevallen blijkt de veronderstelde doodsoorzaak te verschillen van de daadwerkelijke doodsoorzaak. Van ziekenhuispatiënten is dit al langer bekend. Maar uit een kleinschalig onderzoek gedaan bij patiënten uit de eerste lijn blijkt de discrepantie tussen veronderstelde en werkelijke doodsoorzaak in deze gevallen nog groter te zijn. Daarom willen zowel forensisch artsen als eerstelijnszorgverleners vaker obducties aanvragen bij onverwacht of onverklaard overlijden. Aan de obducties zou ook in meer gevallen postmortaal onderzoek door obductiepathologen moeten worden toegevoegd. De huidige financieringsstructuur van de klinische obductie moet daarvoor op de schop.

Achtergrond
In Nederland verdwijnt de obductie steeds meer naar de achtergrond. Dat is te betreuren omdat het nog altijd de beste methode is om na overlijden de kwaliteit van het medisch handelen te toetsen.1-3 In een onlangs gepubliceerde studie waar, met behulp van de Goldman-classificatie, klinische diagnosen werden vergeleken met obductiebevindingen, bleek dat in ziekenhuizen in 23,5 procent van de gevallen de klinisch veronderstelde doodsoorzaak verschilde van de uiteindelijk bij obductie aanwijsbare doodsoorzaak.4

Deze bevinding is niet nieuw. Langlopende internationale studies komen op ongeveer dezelfde percentages uit.2 3

Dat de daadwerkelijke doodsoorzaak vaak afwijkt van de opgegeven doodsoorzaak is zorgelijk, omdat de betreffende patiënten al volledig in kaart gebracht zijn. De vraag is hoe dit is bij patiënten bij wie alleen een uitwendige schouw is uitgevoerd, of van wie alleen een summiere voorgeschiedenis voorhanden is – omstandigheden die in de eerste lijn gangbaar zijn.

Daadwerkelijke doodsoorzaak
In 2013 voerde de obductie-unit van Symbiant Pathology Expert Centre – opgericht door Medisch Centrum Alkmaar, Westfriesgasthuis uit Hoorn en Zaans Medisch Centrum – regelmatig onderzoek uit op overledenen die óf door forensisch artsen waren geschouwd en zo nodig in overleg met een officier van justitie werden vrijgegeven, óf door huisartsen waren geschouwd en beoordeeld. Dit onderzoek focuste op de vraag: verschilt de opgegeven doodsoorzaak bij overledenen van de daadwerkelijke doodsoorzaak en zo ja, in welke mate?

Voor deze studie zijn obducties gebruikt, aangevraagd door huisartsen en forensisch artsen die bij de lijkschouw betrokken waren. Er zijn 62 obducties uitgevoerd en beoordeeld, waarvan 38 aangevraagd door een forensisch arts en 24 door een eerstelijnszorgverlener. De resultaten bij deze groep waren, zoals verwacht, beduidend zorgelijker dan bij de in het ziekenhuis overleden groep.

Strikt kijkend naar de opgegeven natuurlijke doodsoorzaak en de feitelijke doodsoorzaak, vonden we een discrepantie van 50 procent, wat betekent dat in 31 gevallen de daadwerkelijke doodsoorzaak anders was dan de aanvrager had opgegeven.

Dit komt omdat bij het invullen van de directe doodsoorzaak op de B-verklaring meestal gekozen wordt voor ‘acute hartdood’ of ‘hartinfarct’, daar dat nu eenmaal vaak voorkomt. Als daarvoor echter geen duidelijke aanwijzingen bestaan, is het beter te kiezen voor doodsoorzaak ‘onbekend’. Bij Opmerkingen op de achterzijde van de B-verklaring kan de arts dan zoveel mogelijk invullen wat er over de ziektegeschiedenis van de overledene bekend is. Vervolgens zal de ambtenaar van het Centraal Bureau voor de Statistiek er een code aan geven.5

De helft van de gevallen had een
andere doodsoorzaak dan opgegeven

Doodsoorzaken die het meest gemist
werden in dit onderzoek, waren hartinfarct, longembolie, hartinfarct in combinatie met een pneumonie, cerebrovasculair accident en lymfocytaire myocarditis. Dit percentage in discrepanties is significant hoger dan in andere studies waarin klinische en obductiediagnosen met elkaar vergeleken werden.1-4 Hierbij dient vermeld te worden dat de huidige studie niet zonder meer vergelijkbaar is met de voorgenoemde studies omdat nu uitsluitend naar de doodsoorzaak is gekeken en klinische gegevens veelal summier waren of ontbraken.

Niet-natuurlijk overlijden
In 55 van de 62 obducties (88,7%) was het overlijden natuurlijk en in de overige 7 obducties (11,3%) niet-natuurlijk van aard. Als de daadwerkelijke wijze van overlijden (natuurlijk versus niet-natuurlijk) werd vergeleken met die opgegeven door de aanvrager, dan werd een discrepantie van 8,1 procent gevonden, wat betekent dat in 5 van de 62 obducties de wijze van overlijden anders was dan opgegeven door de aanvrager. In één geval werden tijdens de obductie bevindingen gedaan waarbij een strafrechtelijk vervolgbaar feit niet uitgesloten kon worden en werd besloten de klinische obductie te beëindigen. Na overleg met de officier van justitie vond alsnog een gerechtelijke sectie plaats bij het Nederlands Forensisch Instituut.

Deze korte studie geeft opnieuw het belang aan van de obductie. De kwaliteit van de obductie neemt substantieel toe als er een obductiepatholoog wordt ingeschakeld.4


Judith Fronczek, klinisch patholoog, Symbiant
Frank van de Goot, klinisch en forensisch patholoog, Symbiant
Mehdi Jiwa, klinisch patholoog, directeur Symbiant
Udo Reijnders, forensisch geneeskundige, GGD Amsterdam

contact: j.fronczek@symbiant.nl; cc: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld

 

 

De uitzending van zondag 8 februari vindt u via: reporterradio.kro-ncrv.nl

Lees ook

Voetnoten

1. Graber M. Diagnostic errors in medicine: a case of neglect. Jt Comm J Qual Patient Saf 2005;31:106–13.
2. Shojania KG, Burton EC, McDonald KM, et al. Changes in rates of autopsy-detected diagnostic errors over time: a systematic review. JAMA 2003;289:2849–56.
3. Wittschieber D, Klauschen F, Kimmritz AC, et al. Who is at risk for diagnostic discrepancies? Comparison of pre- and postmortal diagnoses in 1800 patients of 3 medical decades in East and West Berlin. PLoS ONE 2012;7:e37460.
4. Kuijpers CCHJ, Fronczek J, van de Goot FRW, et al. The value of autopsies in the era of high-tech medicine; discrepant autopsy findings persist. J Clin Pathol. 2014 Jun;67(6):512-9
5. Reijnders UJL, Das C. De lijkschouw in de praktijk. Prelum Uitgevers, 4e druk 2012

© LAIF / HOLLANDSE HOOGTE
© LAIF / HOLLANDSE HOOGTE
<b>Download dit artikel (PDF)</b>
print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties