Inloggen
Blogs & columns
Column

Schreeuwen is zelden een teken van genialiteit

Plaats een reactie

Mijn perifere coschap chirurgie liep ik ooit in een klein ziekenhuis dat bekendstond vanwege de leuke diensten op de Spoedeisende Hulp, maar berucht was door een chirurg die daar rondliep. Die man was van het archaïsche type: neerbuigend, verbaal agressief en – om niet geheel duidelijke redenen – ook soort van permanent kwaad op alle andere medewerkers, stagiairs en patiënten die er rondliepen. Regelmatig begon hij tegen mensen te schreeuwen.

De eerste twee weken met hem op de ok waren al geen feest, maar echt vervelend werden de laatste twee op de afdeling. Ik liep mee met een zaalarts die vooral gespitst leek op het onthullen van alles wat ik niet wist. Je merkte dat ze zelf bang was voor haar bazen en als ik wat opmerkte over de schreeuwer was haar frase doorgaans iets van ‘maar hij heeft wel gelijk’.

Op een van die dagen moest ik een patiënte opnemen bij wie de schreeuwer een aortabuisprothese zou implanteren. Deze dame gaf geen antwoord op vragen die je stelde, maar gijzelde je in uitweidingen over verschrikkelijke medische ervaringen van dertig jaar eerder. Aan leesbare en begrijpelijke statusvoering deed de schreeuwer helaas niet, dus over de indicatie had ik ook geen idee. Uit de brieven van andere specialisten kwam ik nog wel tot een redelijke voorgeschiedenis, met abundante cardiale en pulmonale problematiek, en vol buikoperaties.

Sinds dat coschap associeer ik intimidatie op de werkvloer een-op-een met medische fouten

De middag na de operatie stond de schreeuwer in de artsenkamer. Kennelijk was de operatie helemaal mislukt en dat was mijn schuld, omdat mijn opname­status zo slecht was. Even vreesde ik dat ie me fysiek zou aanvallen, maar uiteindelijk liep hij gelukkig weer weg. ‘Hij heeft wel gelijk’, zei de zaalarts hoofdschuddend.

Drie dagen later liepen we ochtendvisite bij de patiënte die klaagde over pijnlijke buik. De zaalarts drukte op de buikwond en er kwam bruine troep uit. ‘Weet je wat dat is?’ vroeg ze.

Poep, dacht ik, maar ik had al zo vaak iets gezegd wat hoon of agressie uitlokte dat ik me beperkte tot moeilijk kijken.

‘Pus’, vulde ze zelf aan. ‘Verband wisselen en goed schoon houden.’

’s Middags waren de zaalarts en de schreeuwer vrij. Ik belde een wat normalere chirurg, die de buikwond van de patiënte beoordeelde en haar meteen naar ok liet brengen om een darmperforatie te hechten. (‘Weet je wat dat is? Poep!’) Twee weken later hoorde ik van collega’s dat de patiënte was overleden. Over de indicatie voor haar operatie tast ik nog steeds in het duister.

Sinds dat coschap associeer ik intimidatie op de werkvloer een-op-een met medische fouten en veel minder met onvervangbare genialiteit, al wordt dat laatste vaak aangevoerd als argument waarom intimidatie en kleutergedrag – van Aribs of Van Nieuwkerks – zo lang wordt getolereerd. Misschien is die acceptatie terecht: daar mogen onderzoekscommissies een oordeel over vellen. Zéker is echter dat de schreeuwers tijdens het foeteren hun organisaties schade berokkenen: ze schreeuwen omdat ze ongelijk hebben, anders zou een rustig woord wel volstaan. 

Meer van Miquel Ekkelenkamp

VERDER LEZEN?

U heeft gratis en volledig toegang als

  • Lid van een wetenschappelijke vereniging
  • Lid van De Geneeskundestudent
  • Abonnee
inloggen

Lid of abonnee maar nog geen inloggegevens?

registreren

Geen lid? Bekijk de abonnementen!

abonneren

Bent u geen lid en hebt u geen interesse in een abonnement? Zes weken na publicatie wordt dit artikel voor iedereen beschikbaar om te lezen.

    Cookies op Medisch Contact

    Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.