Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Column

Publish or perish: nou en?

1 reactie

In 2015 hebben Nederlandse wetenschappers opnieuw meer artikelen gepubliceerd dan in voorgaande jaren. Ongeveer 45 procent van de totale wetenschappelijke output van Nederland betreft medisch onderzoek, dat zijn zo’n 15.000 artikelen per jaar. Nederland heeft daarmee het hoogste aantal medische publicaties per hoofd van de bevolking. Critici zullen direct opmerken dat het niet gaat om de kwantiteit maar om de kwaliteit, bijvoorbeeld uitgedrukt in citaties per artikel. Maar ook bij die parameter staat Nederland (na Zwitserland) hoog, op de tweede plaats, van de wereldranglijst. En in 2015 behoorden ongeveer 2500 van de medische artikelen uit Nederland tot de 10 procent beste van hun vakgebied.

Wetenschappers publiceren graag in de meest gerenommeerde bladen op hun vakgebied. Hoe sterk die wens is werd onlangs duidelijk in een boeiend artikel in PloS One. Hierin werd met functionele MRI bij neurowetenschappers aangetoond dat alleen al het zien van een (fictief) titelblad met de betreffende onderzoeker als auteur van een artikel in een toptijdschrift de nucleus accumbens in de hersenen deed oplichten als de Brandaris op Terschelling. Het MRI-signaal was zelfs aanzienlijk sterker dan dat bij het vooruitzicht van een financiële beloning van vele duizenden euro’s.

Toch is er ook commentaar op het produceren van al die artikelen. Critici beweren dat de drang om veel te publiceren de aandacht te veel afleidt van het beoefenen van goede wetenschap. En dat het verkrijgen van financiële steun voor research of het in aanmerking komen voor een aanstelling aan de universiteit of een wetenschappelijke bevordering te zeer afhangt van het aantal artikelen dat een wetenschapper schrijft. Zo erg zelfs dat sommige onderzoekers luidkeels klagen over publicatiestress. Interessant genoeg lijkt die klacht vooral van hen te komen die niet zo veel publiceren, bijvoorbeeld omdat hun wetenschappelijk werk niet (meer) zo veel resultaten oplevert. En hoe spijtig dat ook is, wetenschap kent nu eenmaal een competitieve kant, waarbij degene die het beste idee heeft of als eerste iets nieuws ontdekt, meer succesvol is. In de eredivisie hoor je ook nooit voetballers klagen dat er te veel nadruk op doelpunten wordt gelegd en dat de druk om te scoren te veel stress oplevert.

Uiteraard moeten we waakzaam zijn dat de druk om te publiceren niet leidt tot perverse prikkels, zoals oneigenlijke auteurschappen of minder integere resultaten. Het lijkt me echter beter die uitwassen te bestrijden dan vanwege deze ongewenste neveneffecten dan maar te streven naar minder publicaties. En natuurlijk kleven er problemen aan het feit dat met de explosieve hoeveelheden artikelen kennis slecht bij te houden is. Maar is dat niet sowieso een achterhaald concept? Weinigen lezen wetenschappelijke tijdschriften op hun gebied nog van kaft tot kaft. Eerder zoeken artsen en wetenschappers gericht naar kennis als ze worden geconfronteerd met een medisch of wetenschappelijk probleem. Dus vindbaarheid en beschikbaarheid van de juiste artikelen is waar het om draait. Toegang tot medische literatuur is in de 21e eeuw net zo belangrijk als de stethoscoop of de reflexhamer.

Hoe je het ook wendt of keert, de opbrengst van wetenschap is nieuwe kennis en die is pas iets waard als deze ook aan anderen wordt overgebracht. En het best beproefde vehikel om dat te doen is nog steeds het wetenschappelijke artikel. Met andere woorden: de meest solide ‘productie-eenheid’ van research is een artikel, zoals er bij Bolletje beschuitjes uit de fabriek rollen. Dat klinkt misschien niet zo verheven als wetenschappers graag zouden willen, maar is wel gewoon de realiteit.


Marcel Levi


Marcel Levi is internist en bestuursvoorzitter van het AMC

print dit artikel
  • Marcel Levi

    Marcel Levi is internist en sinds 1 januari 2017 CEO van het University College London Hospitals (UCLH). Daarvoor was hij bestuursvoorzitter van het AMC.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • GJ Bonte, Neuroloog, Dalfsen Nederland 03-02-2016 00:00

    "Nou, als dat geen goed nieuws is! 15.000 artikelen per jaar, alleen uit Nederland. En 2500 daarvan zijn top, want hebben het grootst aantal citaties per artikel. En daarmee is Nederland een topland in de (medische) wetenschap, is het meten van kwaliteit van wetenschap weer zo eenvoudig dat zelfs ik het snap, kan iedereen weer rustig gaan slapen, en morgen vol vertrouwen en goede moed verder waar ie mee bezig was.

    Over de 12500 artikelen die blijkbaar niet top zijn, wil ik het niet eens hebben. Of er geen relevante zaken bij zitten al helemaal niet. Soms wordt ik in de kliniek enorm geholpen door een lullig klein artikeltje in een obscuur tijdschriftje, maar dat terzijde.

    Maar met die topartikelen, hoe zit het daarmee? Hoe zit het met de zelfreferenties, en de referentie-gezelschappen die met elkaar afspreken elkaars werk bij voorkeur te refereren? Hoe zit het met de referenties naar sexy en populaire onderwerpen ten opzichte van minder populaire en minder snel-scorende, maar soms erg belangrijke onderwerpen? En gaan al die 2500 artikelen over relevante onderwerpen, of gaat het alleen maar om wetenschapsmasturbatie? Volgens mij verwart Levi het meten van kwantiteit deels met kwantiteit en populariteit.

    Ik stel voor om het meten van wetenschappelijke kwaliteit van medische artikelen met vijf of tien jaar uit te stellen. Na deze periode kan worden gekeken in hoeverre een wetenschappelijke publicatie de dagelijkse klinische werkelijkheid veranderd of verbeterd heeft. Statistici en methodologen kunnen hiervoor vast wel een leuke schaal bedenken. Ik ben heel benieuwd in hoeverre de 2500 artikelen over 5 of 10 jaar van nu dan nog als "top" zouden worden gezien. De oudpapierhandel zou wel eens gouden tijden kunnen gaan beleven...
    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.