Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Martin Buijsen
13 maart 2013 8 minuten leestijd
recht

Zwijgplicht inperken is gevaarlijk

Plaats een reactie

recht

Plannen Schippers bedreigen vrije toegang tot zorg

Onder druk van maatschappelijke discussie wil minister Schippers het beroepsgeheim inperken. Ze houdt echter onvoldoende rekening met het belang dat de geheimhouding dient: onbelemmerde toegang tot de zorg.

Onlangs kondigde minister Schippers aan dat ze de wetgeving rond het medisch beroepsgeheim wil wijzigen.1 Dat het beroepsgeheim voor tal van maatschappelijke ambities een behoorlijke sta-in-de-weg kan zijn, is bekend. Dat is altijd voor lief genomen. Blijkens het kabinetsstandpunt is dat kennelijk aan het veranderen. Vooral de plannen met betrekking tot het beroepsgeheim van de UWV-verzekeringsarts zijn illustratief.

Over het beroepsgeheim bestaat verschillende misverstanden, zowel bij de buitenwacht als onder beroepsbeoefenaren. Zo wordt in de maatschappelijke discussies die steevast worden gevoerd na geruchtmakende (vermeende) schendingen van het beroepsgeheim (de tv-camera’s in het VUmc, de affaire-Tulleken) het woord ‘privacy’ vaak in de mond genomen. Het recht op (informationele) privacy en het medisch beroepsgeheim zijn echter verschillende dingen.

Privacy is een voortbrengsel van de Verlichting. De geheimhoudingsplicht kennen artsen al zeker tweeduizend jaar. Deze plicht is dan ook niet bedoeld om de privacy van patiënten als zodanig te beschermen, maar om onbelemmerde toegang tot zorg mogelijk te maken: een ieder moet zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies kunnen wenden tot een zorgverlener.2 Begrip van dit doel is voor beroeps-beoefenaren wezenlijk voor hun omgang met het beroepsgeheim.

Geen patiëntenrecht
De toenemende vereenzelviging met privacy bewerkstelligt een tweede misverstand. Zo valt vaak te vernemen dat het beroepsgeheim ‘het recht van de patiënt’ is. Dat is niet helemaal juist. Heeft een hulpverlener van zijn patiënt toestemming gekregen om medische gegevens aan derden te verstrekken, dan is hem dit toegestaan. In beginsel, want ook met toestemming kan het soms geboden zijn vast te houden aan het beroepsgeheim. Verzet het individuele dan wel collectieve belang van onbelemmerde toegang tot zorg zich tegen informatieverstrekking aan derden, dan rust op de hulpverlener onverminderd de verplichting het geheim te respecteren. Zo weigerde het Leids Universitair Medisch Centrum in 2007 de medische gegevens van een overleden baby aan het openbaar ministerie te verstrekken, hoewel beide ouders daarvoor toestemming hadden gegeven. De baby was een niet-natuurlijke dood gestorven en de moeder was verdachte. De betrokken artsen volhardden in hun verschoningsrecht omdat zij van mening waren dat de doorbreking van hun beroepsgeheim niet opwoog tegen het door de geheimhoudingsplicht te dienen collectieve belang. De Hoge Raad gaf hen daarin gelijk.3

Ten slotte is de geheimhoudingsplicht niet absoluut. Naast de toestemming van de patiënt zijn er andere doorbrekingsgronden. Ook rigide vasthouden aan het geheim kan op gespannen voet staan met het belang van onbelemmerde toegang tot zorg. En onveranderlijk is het beroepsgeheim evenmin. Al in 1959 schreef de juriste Hazewinkel-Suringa dat het ‘zich aan te passen (heeft) aan de evoluerende samenleving met haar telkens nieuwe omstandigheden en intermenselijke verhoudingen’. Daarom is het volgens haar nodig om ‘telkens te overwegen of niet nieuwe draden moeten worden geweven in het oude patroon, zij het zo dat het zijn karakter behoudt en dat zijn kracht niet wordt ondermijnd’.4

Observandi
Dat het kabinet het nodig heeft gevonden om te bezien of er niet ‘nieuwe draden’ geweven zouden moeten worden, is niet zo vreemd. Niet alleen hebben zich geruchtmakende incidenten voorgedaan, ook het aantal beleidsterreinen waarop het beroepsgeheim als probleem wordt ervaren, is inmiddels aanzienlijk. Het kabinetsstandpunt is gebaseerd op onderzoek verricht door mij en anderen. We hebben onder meer gekeken naar veiligheid en justitie, crisis- en rampenbestrijding, sociale zekerheid en de zorg.1 Soms is op deze terreinen nieuwe wetgeving in de maak. Deze strookt al met al met de grondslagen van het medisch beroepsgeheim. Op twee terreinen trekt het kabinet echter andere conclusies dan wij.

Allereerst op het terrein van justitie. In de Tweede Kamer is de vraag opgekomen naar
de wenselijkheid van doorbreking van het beroepsgeheim bij weigerachtige observandi. Steeds meer verdachten van ernstige strafbare feiten verlenen geen medewerking aan forensisch psychologisch onderzoek naar de aanwezigheid van psychische stoornissen. Dit gebeurt veelal op advies van hun advocaten, uit vrees voor oplegging van de tbs-maatregel. Deze zou namelijk een disproportionele strafverzwaring inhouden, omdat de gemiddelde behandelduur is opgelopen tot bijna
tien jaar en het moment van vrijkomen ongewis is.5 Voorgesteld is om in geval van weigering gegevensverstrekking over eerder verleende (ggz-)hulp mogelijk te maken. Dat komt neer op een wettelijke spreekplicht voor (ggz-)hulpverleners ten behoeve van strafvervolging.1 De wetenschap dat medische dossiers later in een strafprocedure zijn te gebruiken, kan uiteraard het mijden van hulp tot gevolg hebben, de toegang tot gezondheidszorg belemmeren.

Op het terrein van de sociale zekerheid is het kabinet voornemens korte metten te maken met fraude. Het UWV voert onder meer arbeidsongeschiktheidsregelingen uit. Fraude kan dan bestaan uit het simuleren van gezondheidsproblemen. De verzekeringsartsen van het UWV, die cliënten op arbeids(on)geschiktheid bezien, kunnen vermoedens van gezondheidsfraude hebben. Hoe moeten deze artsen, die geen behandelaars zijn, bij dergelijke vermoedens handelen? Hoe is hun beroepsgeheim te begrijpen? Hoe moeten zij daarmee omgaan?

Artsen werken in toenemende mate ook buiten de gezondheidszorg. UWV-verzekeringsartsen verlenen geen zorg. Deze beoordelende artsen zijn echter als BIG-geregistreerden wettelijk wel tot geheimhouding verplicht. Gezien de ratio van het beroepsgeheim zou een wettelijke beperking van hun geheimhoudingsplicht niet bezwaarlijk moeten zijn. Immers, hoe zou deze de toegang tot zorg kunnen belemmeren?

Precedent
De minister constateert dat deze verzekeringsartsen op grond van de huidige wetgeving en jurisprudentie een vermoeden van gezondheidsfraude niet kunnen melden zonder het risico tuchtrechtelijk te worden aangesproken en stelt voor deze belemmering voor de fraudebestrijding door middel van wetgeving weg te nemen.1 Waaraan zij precies denkt, is onduidelijk. Overweegt de minister de invoering van een meld- of spreekplicht voor deze artsen, dan zou daarmee een precedent worden geschapen, omdat artsen voor het eerst gedwongen worden andere belangen (te weten financiële) te laten prevaleren boven het belang dat het geheim bedoelt te dienen. Zij dient ook te beseffen dat daarmee de overheid betekenis verleent aan de geheimhoudingsplicht van artsen, en niet de betrokken beroepsbeoefenaren. Is het tenslotte niet hún beroepsgeheim? En is dat een voorbode voor de aantasting van het beroepsgeheim van andere artsen? De bedrijfsartsen misschien?

Voorts moet de minister begrijpen dat voor de burger dit verschil in omgang met het beroepsgeheim onder artsen moeilijk te rijmen zal zijn. Dit zou gevolgen kunnen hebben voor artsen die wel zorg verlenen, met alle gevolgen van dien voor de toegang tot gezondheidszorg. Van belang is ten slotte ook de vraag of behandelende beroepsgenoten (de huisartsen, de specialisten) dan nog wel zo genegen zullen zijn deze artsen van informatie te voorzien. En hoe goed kunnen deze verzekeringsartsen dan nog oordelen?

Denkt de minister aan een meld- of spreekrecht voor deze beroepsbeoefenaren, dan rijst de vraag naar de meerwaarde van wetgeving. Een meld- of spreekrecht hebben zij al op een andere erkende doorbrekingsgrond: de noodtoestand in de zin van conflict van plichten. Ligt het dan niet meer voor de hand dat de betrokken beroepsbeoefenaren zelf het gebruik van dat recht nader normeren? Is het niet aan hen om in kaart te brengen waar het gebruik van dat recht op gespannen voet staat met het belang dat door het beroepsgeheim wordt gediend? Ten slotte zijn het ook de eigen normen van de groep waarmee de tuchtrechter beroepsbeoefenaren de maat neemt.

Anderzijds is het billijk om aan artsen die geen zorg verlenen, te vragen na te denken over wat het beroepsgeheim voor hen inhoudt. Dat de betekenis van dat geheim voor niet-behandelaars een andere is, moge duidelijk zijn.

Onbegrip
Veel onduidelijkheden over het beroepsgeheim zijn het gevolg van onbegrip. Het medisch beroepsgeheim is er om de onbelemmerde toegang tot gezondheidszorg te bewerkstelligen. Dat staat voorop. Privacybescherming is bijkomstig. Waar weinig begrip over het eigen beroepsgeheim bestaat, pleit het kabinet – in navolging van ons onderzoek – voor meer scholing van en zelfregulering door de beroepsbeoefenaren. Terecht. Maar waar het kabinet wettelijke inperking van het beroepsgeheim voorstaat, blijkt het zelf van weinig begrip te getuigen. Het beroepsgeheim is geen door de overheid te verlenen privilege, maar een dure plicht die ook zij te koesteren heeft.


prof. mr. dr. Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam

Correspondentieadres: buijsen@bmg.eur.nl; c.c.: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld.



Standpunt KNMG

Martin Buijsen hecht, net als de KNMG, zeer aan het medisch beroepsgeheim. Ook minister Schippers erkent, in haar reactie op het onderzoeksrapport van Buijsen e.a., het grote belang van het beroepsgeheim voor samenleving en individu. Toch pleit de minister, anders dan Buijsen e.a. in hun rapport, voor wetgeving ter doorbreking van het beroepsgeheim om zorg- en arbeidsongeschiktheidsfraude te bestrijden en bij weigerachtige observandi.

De KNMG deelt deze conclusie van de minister niet; wetgeving is geen geschikt middel om ervaren knelpunten op deze deelterreinen tegen te gaan. Dat heeft de KNMG de Kamer en de minister ook schriftelijk laten weten. De KNMG gaat tegelijkertijd niet zo ver als Buijsen, die lijkt te stellen dat beoordelend (en behandelend) artsen nooit hun beroepsgeheim mogen doorbreken als dat geen rechtstreeks gezondheidsbelang dient. De KNMG verdedigt al jaren het standpunt dat op artsen een grote verantwoordelijkheid rust bij de bestrijding van kindermishandeling. Volgens de KNMG-meldcode (2012) kan dit doel, als laatste redmiddel, een doorbreking van het beroepsgeheim rechtvaardigen. De KNMG vindt voorts dat een doorbreking van het beroepsgeheim toelaatbaar kan zijn als een arts slachtoffer of getuige is van bijvoorbeeld geweld of fraude. Een arts is geen verlengstuk van de politie, maar heeft wel maatschappelijke verantwoordelijkheden. Dat betekent niet dat een arts in dergelijke situaties volledig ontslagen is van zijn zwijgplicht; hij kan het beroepsgeheim zo nodig gepast doorbreken, dat wil zeggen zo beperkt mogelijk.

Beoordelende, maar ook behandelende, artsen hebben hierbij behoefte aan handvatten. Grofmazige wetgeving, gebaseerd op spreekplichten voor artsen, is daarvoor volgens de KNMG niet geschikt. Samen met anderen zet de KNMG zich ervoor in om via richtlijnen, voorlichting en onderwijs duidelijk te maken hoe het beroepsgeheim in bijzondere situaties juist moet worden toegepast.

Aart Hendriks, coördinator gezondheidsrecht KNMG




Meer lezen

Voetnoten

1 Brief van minister Schippers (VWS) aan de Tweede Kamer met haar reactie op het onderzoeksrapport Medisch beroepsgeheim in dubio.

2 Buijsen M, Floris O, Hulst E, Van Noord Th. Medisch beroepsgeheim in dubio. De verhouding van het medisch beroepsgeheim tot zwaarwegende maatschappelijke belangen. Rotterdam: iBMG; 2012.

3. HR 26 mei 2009, NJ 2009, 263.

4. Hazewinkel-Suringa D, De doolhof van het beroepsgeheim. Haarlem: H.D. Tjeenk-Willink; 1959, 1-2.

5. Louwe T, Aantasting beroepsgeheim in de GGZ, MGv, 2012/3, 116.



beeld: Getty Images
beeld: Getty Images
<b>Download dit artikel</b>
recht privacy beroepsgeheim
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.