Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
anoniem
10 april 2019 7 minuten leestijd
recht

Vogelvrij na euthanasie

18 reacties
getty images
getty images

Een huisarts verricht volgens de regels euthanasie en heeft ook twee SCEN-artsen geconsulteerd. Toch stelt het OM na het rapport van de toetsingscommissie een justitieel vooronderzoek in. De huisarts vertelt zijn verhaal als waarschuwing voor zijn collega’s.

Mijn patiënt is een 84-jarige weduwe met als hoofddiagnose COPD met ernstige inspanningsintolerantie. Daarnaast heeft ze slechte eetlust, geen reuk, geen smaak, valt ze langzaam af (BMI rond 20), is ze altijd koud en heeft ze functiebeperkingen in haar vingers en rugklachten. Zij heeft al meer dan vijftien jaar voor ogen dat als ze heel kortademig wordt, ze dan euthanasie wil. Dat punt was nu bereikt.

In de zeventien jaar dat ik haar huisarts was, heb ik heel veel, heel vaak en heel lang met haar over euthanasie gesproken. Alle alternatieven waren de revue gepasseerd, maar haar diepste wens was euthanasie. Ik ga daar pas toe over als aan alle zorgvuldigheidseisen is voldaan. ‘Ik wil niet op de voorpagina van de krant komen na uw dood’, is mijn stokpaardje. Dat gebeurde toch.

Twee SCEN-artsen

Deze zaak was anders dan de ‘gewone’ euthanasiezaken: het  betrof een opstapeling van ouderdomsfactoren en het moment van natuurlijk overlijden was nog niet duidelijk. Dit was de eerste keer dat ik een euthanasie uitvoerde bij een niet direct terminaal beeld.

Ik had met patiënte nog niet over een datum gesproken, maar ging ervan uit, dat ze het snel zou willen. Ze wilde echter nog kerst met familie vieren en daardoor zou de uitvoering meer dan vier weken verder zijn. In deze casus waren, bij toeval, twee SCEN-artsen betrokken.

De eerste SCEN-arts was akkoord, maar adviseerde op basis van bovenstaande na de kerst een collega-SCEN-arts te raadplegen. Dat deed ik en ook die SCEN-arts gaf een positief advies. Begin februari volgde de euthanasie.

De RTE

De RTE nodigde mij uit: ‘(…) Zo is het de commissie onvoldoende duidelijk geworden aan welke aandoeningen patiënte leed en die voor haar aanleiding waren voor haar verzoek om hulp bij zelfdoding. Het is de commissie voorts gebleken dat u meermalen met patiënte heeft gesproken over alternatieve manieren om haar lijden te verlichten, maar dat zij hier niet of nauwelijks voor open stond. De commissie wil graag weten hoe u hiermee om bent gegaan.’

Deze vragen kon ik goed beantwoorden. De arts uit de commissie vroeg echter ook of de diagnose COPD wel klopte? Die vraag stond niet in de uitnodiging en overviel me. Of patiënte nog bij een longarts was geweest? In 1989 was de diagnose door een longarts gesteld, daarna is ze nog gecontroleerd. Vanaf 2001 zat ze in ons eigen COPD-programma. Er was geen reden om haar weer naar de longarts te verwijzen. Zuurstof wilde ze niet; geen gedoe met al die slangen. Het zou haar bij de inspanningsmomenten waarschijnlijk wel hebben geholpen, maar op de overleving heeft het geen effect.

Stuitend

Vier maanden later kreeg ik het bericht dat de RTE vond dat ik onzorgvuldig had gehandeld. Ik kon me er niet meer tegen verweren. Het bericht ging ook naar het College van procureurs-generaal (strafrecht) en naar de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (tuchtrecht).

Los van de onjuiste conclusies en onjuiste aannames in de beoordeling van de RTE vond ik de volgende zin het meest stuitend, waardoor het oordeel van de SCEN-arts niets waard blijkt te zijn:

‘De arts zal ook steun voor zijn voorgenomen handelen hebben ervaren door de conclusie van de tweede SCEN-consulent dat inmiddels aan de wettelijke zorgvuldigheidseisen was voldaan. Dit doet echter niets af aan het feit dat de arts in de ogen van de commissie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot de overtuiging kon komen dat er bij patiënte sprake was van uitzichtloos lijden.’

Ik heb mij erover verbaasd dat de RTE de SCEN-artsen niet heeft gehoord. Overigens hebben beide SCEN-artsen – (mede) door deze zaak – hun functie als SCEN-arts neergelegd.

Met de inspectie heb ik een gesprek gehad. De inspectie concludeerde dat ik mij toetsbaar heb opgesteld en dat zij erop vertrouwen dat ik mijn toekomstig professioneel handelen zal aanpassen aan het RTE-oordeel.

Hulp bij zelfdoding is per definitie een opzetdelict

Rechtsbijstand

De officier van justitie belde mij keurig op voordat ik een brief op de mat kreeg waarin hij bevestigde dat ik verdacht werd van een strafbaar feit. Hij adviseerde mij een advocaat in de arm te nemen. Ik meldde me voor rechtsbijstand bij VvAA, maar mijn verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand werd afgewezen omdat het recht op dekking vervalt als er sprake is van opzet bij het strafbare feit waarvan je wordt verdacht. Hulp bij zelfdoding is per definitie een opzetdelict.

Mijn advocaat, Robert-Jan van Eenennaam, nam hierop contact op met VvAA en met de officier van justitie. Hij en de officier dienden een beargumenteerd verzoek voor rechtsbijstand in. Daarop bood VvAA rechtsbijstand in natura aan: een advocaat van VvAA. Maar ik had al een advocaat en Van Eenennaam heeft al enige ervaring op dit vlak en is gespecialiseerd in het sanctie- en strafrecht, iets wat wel nodig was in deze zaak.

De onzekerheid over mogelijke grote financiële gevolgen waarvoor je denkt verzekerd te zijn, heeft mij hoofdbrekens gekost. Onder andere door deze zaak heeft VvAA haar beleid veranderd: vanaf het moment dat de RTE je uitnodigt, krijg je bijstand. Daarna bij het vervolg bij de inspectie en wat de strafkant betreft tot en met het einde van het vooronderzoek. Daarna geen vergoeding, tenzij vrijspraak of sepot.

Feitelijke onjuistheden

Er volgde een heel proces van overleggen met mijn advocaat, collega-artsen en vrienden, het doorpluizen van de oordelen van RTE en inspectie. En er was een uitgebreid politieverhoor dat ik minutieus voorbereidde met mijn advocaat.

We kwamen samen tot de conclusie dat de beoordeling van de RTE vier (!) fouten bevatte. Zo stelde de RTE: ‘De commissie heeft uit de stukken en de nadere toelichting van de arts begrepen dat patiënte circa 30 jaar leed aan astma/COPD, mogelijk erfelijk emfyseem.’ Dit was onjuist. Patiënte leed niet aan astma, wél aan COPD.

En ook: ‘Behandeling met Ventolin had onvoldoende tot geen effect’. Echter, patiënte werd behandeld met Spiriva, Ventolin was überhaupt nergens genoemd in het medisch dossier dat aan de RTE was verstrekt.

Ten derde was er volgens de RTE sprake van een wisselend beeld van uitademingsbelemmeringen (terwijl de spirometrieën geen wisselend beeld lieten zien, met uitzondering van één meting die ik kon verklaren).

En tot slot: ‘Het is de commissie opgevallen dat patiënte niet reageerde op de medicatie die zij op grond van de werkdiagnose kreeg voorgeschreven en dat haar benauwdheidsklachten toenamen. Daardoor is bij de commissie twijfel ontstaan of de kortademigheidsklachten ook werkelijk het gevolg waren van COPD.’ Feitelijk onjuist is dat het een ‘werkdiagnose’ betrof. De diagnose is door een longarts gesteld in het verleden en is door ons bevestigd.

Ik ben ten onrechte als verdachte aangemerkt

De RTE concludeerde vervolgens op basis van deze feitelijke onjuistheden het volgende: ‘Alle verkregen informatie overziend is de commissie van oordeel dat de arts onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de kortademigheid van patiënte, zich te weinig kritisch heeft opgesteld ten aanzien van de uitslagen van metingen in de ketenzorg en te lichtvaardig heeft geoordeeld dat haar lijden uitzichtloos was. Het had op de weg van de arts gelegen het belang van nader onderzoek naar de oorzaak van haar lijden meer te benadrukken.’

Helaas was dit onzorgvuldige handelen van de RTE de basis voor mijn verdere proces. Dat betreurde ik zeer, temeer daar de RTE het eindstation was. Er was geen beroep mogelijk tegen haar oordeel, dat ook nog eens werd gepubliceerd.

Mijn advocaat en ik waren van oordeel dat er geen grond was om mij te vervolgen. Het lijkt erop dat de RTE gezocht heeft naar een stok om de hond te slaan, mogelijk gevoed door het feit dat patiënte in 2016 een uitgebreide verklaring heeft geschreven waarin ze de woorden ‘voltooid leven’ gebruikte. Van Eenennaam diende een sepotverzoek in. De uitkomst was gunstig: ik ben ten onrechte als verdachte aangemerkt. Case closed.

Aanbevelingen

Als (huis)arts ben je momenteel vogelvrij door de jacht van de RTE en het Openbaar Ministerie om jurisprudentie op te bouwen. Het effect is dat er angst heerst onder artsen en dat de meldingscijfers zakken. Ik doe dan ook de volgende aanbevelingen.

Doordat de RTE het oordeel van de SCEN-arts volledig van tafel veegt, heeft hun oordeel voor ons bij de RTE geen enkele rechtswaarde meer.

Als arts ben je niet/maar deels verzekerd voor rechtsbijstand als je strafrechtelijk wordt vervolgd in een euthanasiezaak. Dat kan heel kostbaar zijn.

De RTE is onzorgvuldig geweest bij het trekken van conclusies. Gebruik nooit het woord ‘voltooid’ ergens in de verslagen. Zeer waarschijnlijk was dat hier de trigger voor de RTE.

Pas goed op met wat je aanlevert aan verslagen. In je eerlijkheid en oprechtheid geef je alles wat je hebt. In een strafzaak is dat meteen ‘bewijsmateriaal’.

Ik beveel de RTE aan om bij een stapeling van ouderdomsfactoren, dementie of psychiatrie bereikbaar te zijn voor een vooraftoetsing waarbij ze binnen twee weken een voorlopig oordeel vellen over een op handen zijnde euthanasie. Zo krijg je als arts nog enige zekerheid.

Schakel al in een vroeg stadium een gespecialiseerde advocaat in. Iemand die eventueel mee kan naar het gesprek met de RTE, of die je er althans op kan voorbereiden. Dat geldt ook voor het gesprek met de inspectie. Onvoorbereid zijn kan grote gevolgen hebben!

Tot slot heb ik ervaren dat gespecialiseerde rechtsbijstand van levensbelang is. Je hebt als arts geen idee wat er allemaal over je heen gaat komen. Daarin moet je echt goed begeleid worden, anders ga je er, als arts én als mens mogelijk aan onderdoor. 

anoniem

naam van de auteur is bij de redactie bekend

contact

Reacties via advocaat Robert-Jan van Eenennaam:

info@ske-advocaten.nl ; cc: redactie@medischcontact.nl

lees ook

download

euthanasie levenseinde recht huisartsgeneeskunde
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • André Jansen, Huisarts, DE KRIM 15-05-2019 00:46

    "Ik snap de column van collega Keizer ook wel; tussen de regels door blijft bij de ongetwijfeld te goeder trouw handelende arts "Overstuur" in zijn relaas iets hangen van weinig zelfkritiek en verongelijktheid die niet steeds begrip oproept. "

  • Florien van Heest, huisarts, Schoonoord 08-05-2019 16:40

    "Een anonieme huisarts verricht volgens de regels euthanasie, maar wordt na het rapport van de toetsingscommissie toch geconfronteerd met een justitieel vooronderzoek door het OM (MC 15/2019: 18).
    Mij is iets dergelijks overkomen. Ik had hulp bij zelfdoding gegeven aan een man met meerdere ouderdomskwalen, die na overlijden van zijn vrouw de moed had verloren.
    Omdat ik geen euthanasie wilde verrichten, nam hij contact op met de levenseindekliniek; een eerste bezoek zou echter nog minimaal drie maanden duren.
    Toen heb ik hulp bij zelfdoding voorgesteld – uiteraard na raadpleging van een SCEN-arts en het invullen van het hele formulier. De hulp is gegeven tot grote tevredenheid van iedereen. Maar de RTE vond dat ik niet aan de criteria had voldaan. Ik moest het toelichten.
    Een collega ging mee naar de toetsingscommissie, maar hij mocht niet mee naar binnen. Dat mocht pas na een belofte dat hij niets zou zeggen.
    Ook bij mij gebeurde het dat ze dingen vroegen die niet van te voeren waren aangekondigd. Uiteindelijk kreeg ik toestemming om het formulier te herschrijven met daarbij veel nadrukkelijker formuleringen volgens de criteria.
    Zes maanden later kreeg ik bericht dat het alsnog beoordeeld werd als volgens de regels.
    Analyse:
    1. Specialisten en juridisch opgeleide mensen formuleren anders dan huisartsen. We worden gedwongen onze taal aan te passen omdat het anders niet wordt verstaan.
    2. De RTE heeft altijd gelijk; maar dat is natuurlijk niet zo.
    3. Huisartsen zullen we dus heel specifiek maat en getal aan ziekteprocessen moeten geven omdat ‘leken’ het toetsen.
    4. In een dergelijke situatie moet rechtsbijstand mogelijk zijn.
    5. Bijstand moet sowieso veel beter als je je moet verantwoorden; het is allemaal al moeilijk genoeg."

  • Jan A.M. van Eijck, forensisch geneeskundige GGD Hart voor Brabant, Goirle 26-04-2019 18:01

    "Graag betuig ik mijn adhesie aan mijn collega m.b.t. zijn euthanasie-zaak.
    Ik heb 39 jaar gewerkt bij de GGD als forensisch arts en in die hoedanigheid ca. 500 keer een euthanasie mee mogen afhandelen als gemeentelijk lijkschouwer.

    Hier is vooral de RTE in de fout gegaan. Volstrekt onnodig stellen zij het OM voor het blok: doe iets of doe niets.
    Het OM kan het inhoudelijk vaak moeilijk beoordelen. Dus moet de RTE voor haar zaak staan. En heeft in dit geval volstrekt onnodig aan de bel getrokken en paniek gezaaid! Als het niet over kanker gaat met een snel te verwachten overlijden, schieten ze bij het RTE in de stress. Een stapeling van ouderdomsfactoren met een zo duidelijke wens, ondersteund door 2 SCEN-artsen, is zeker voldoende! Het OM kan na de vraag van de RTE dan niet anders meer doen dan uitgebreid onderzoek (met het risico van de verkeerde conclusies…). Stom stom…!

    Het is erg vervelend voor de betrokken huisarts, en volstrekt onnodig. Dat wordt vaak niet onderkend, maar je kunt er weken van wakker liggen…
    Ik wens u veel sterkte, en weet dat u goed zat en de rest verkeerd!"

  • Ben Terstegge, SCEN-arts, Rotterdam 17-04-2019 14:05

    "Vogelvrij na euthanasie
    In het artikel (MC 15 201) lijkt het er sterk op dat ook de RTE steken kan laten vallen en dat er in sommige situaties tunnelvisie kan optreden.
    Ik vind het moedig dat de aangeklaagde huisarts de casus van zijn kant publiek maakt. Wat heeft hij niet allemaal moeten doorstaan!
    In situaties als deze, waarbij een (of meer) SCEN-artsen in hun verslag hebben weergegeven dat er naar hun oordeel aan de wettelijke eisen voldaan is zou het mijns inziens aanbeveling verdienden dat de RTE’s altijd ook de SCEN-artsen uitnodigen voor een toelichting alvorens tot het oordeel te komen dat niet aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Moet het (medische) oordeel van de SCEN-arts nu zoveel minder gewicht in de schaal leggen dan dat van de arts in de RTE?
    Zeker als je de uitspraak van de RTE nog eens nauwkeurig naleest zijn daarbij (medisch) toch ook wel de nodige kanttekeningen te plaatsen. Toelichting te vragen aan de betrokken SCEN-arts zou in dergelijke gevallen een zorgvuldigheidseis voor de RTE moeten zijn.

    "

  • Jenne Wielenga, Medisch manager Levenseindekliniek; tevens SCEN-arts, Rotterdam 17-04-2019 08:12

    "Als medisch manager van de Levenseindekliniek (SLK) heb ik acht keer te maken gehad met een negatief RTE-oordeel. Ik heb hierbij de conclusie van de RTE niet altijd gedeeld. Echter, mijn oordeel is op zo’n moment niet gepast. Ik ben geen lid van de RTE. Ik kan een mening hebben, maar ik ben niet bevoegd te oordelen.
    Van deze casus begrijp ik het oordeel van de RTE niet. Bij discutabeler problematiek kwam de RTE soms wel tot een positieve conclusie. Van deze casus ken ik niet alle details en ben ik dus nog minder bevoegd tot oordelen.
    Het geniale van de WTL is m.i. dat de begrippen uitzichtloos, ondraaglijk, vrijwillig, en weloverwogen niet zijn gedefinieerd. Er staat: ‘De zorgvuldigheidseisen houden in, dat de arts de overtuiging heeft gekregen, dat…’. Dit maakt de interpretatie moeilijker.
    Bij de meest complexe vragen kan men van mening verschillen over de vraag of aan de eisen voldaan is of niet. Onder SCEN-artsen is hiernaar onderzoek gedaan: de verhouding tussen positieve en negatieve oordelen blijkt 50/50. Interpretatieverschillen zijn inherent aan de WTL.
    Het is dus een moeilijke taak voor een RTE om vast te stellen of de arts een overtuiging heeft gekregen en of hij op voldoende gronden die overtuiging heeft gekregen.
    Binnen de SLK is ieder negatief RTE-oordeel reden tot grondige evaluatie. Hierbij zijn wij nooit tot de conclusie gekomen dat de euthanasie ten onrechte was uitgevoerd. Wel was altijd onze conclusie, dat we ‘de overtuiging, dat…’ voor de RTE blijkbaar onvoldoende duidelijk gemotiveerd hadden. Leerpunt voor ons was om al vóór de toezegging om het verzoek te honoreren te bedenken waar de RTE vragen over zou kunnen stellen, zo nodig op die punten actie te ondernemen en om in elk geval in het ‘modelverslag’ te melden dat je hieraan gedacht hebt.
    Juist omdat de beoordeling zo moeilijk is en de gevolgen van een negatief oordeel voor de betrokken collega heftig kunnen zijn, zou de mogelijkheid van een hoger beroep binnen de RTE overwogen kunnen worden"

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.