Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
C. Das
29 oktober 2003 8 minuten leestijd

Verwarring bij lijkvinding

1 reactie

De zaak van de dokter en de onbekende datum van overlijden

Als iemand 'als een lijk' wordt gevonden, is er sprake van lijkvinding. Maar er is onderscheid te maken tussen een formele en een materiële lijkvinding, die volgens verschillende gerechtelijke procedures moeten worden afgehandeld. De taak van de behandelend arts hangt af van de vraag of de datum en de aard van het overlijden kunnen worden vastgesteld

.



Het begrip 'lijkvinding' geeft in de praktijk vaak verwarring,1 omdat het niet afdoende is gedefinieerd. De term 'lijkvinding' in het algemeen spraakgebruik komt vaak niet overeen met het begrip zoals politie, justitie en burgerlijke stand dit gebruiken.


Niet elke situatie waarin een lijk wordt gevonden, is een lijkvinding in formele zin. Daarvan spreekt men in een situatie waarin de plaats of de dag van overlijden niet kan worden vastgesteld. De term 'lijkvinding' is terug te voeren op de aanhef van artikel 19f, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. De bepaling luidt: 'Indien een lijk is gevonden en de plaats of de dag van overlijden niet met voldoende nauwkeurigheid kan worden vastgesteld, wordt de akte van overlijden opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waarin het lijk is gevonden of aan land gebracht.' Het is een aanvulling op de normale situatie dat aangifte wordt gedaan in de plaats van overlijden: 'Een akte van overlijden wordt opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het overlijden heeft plaatsgevonden' (artikel 19f, lid 1). Gezien de context betreft deze bepaling vooral gevallen waarbij de plaats van het overlijden niet vaststaat, maar in de praktijk wordt volgens de letter van de wet ook van een lijkvinding gesproken als de plaats van overlijden wel met zekerheid vaststaat, maar de datum van overlijden niet. In de praktijk is vooral een onbekende datum van overlijden een reden om een sterfgeval als lijkvinding aan te duiden.


Bij een lijkvinding geschiedt de aangifte schriftelijk door de hulpofficier van justitie, een politiefunctionaris (artikel 19h, lid 4). Dit is in afwijking van de hoofdregel dat aangifte van overlijden wordt gedaan door iemand die 'daar- van uit eigen wetenschap kennis draagt'; dat is gewoonlijk de partner of een familielid. Deze kan de begrafenisondernemer machtigen om aangifte te doen. Meer is in het Burgerlijk Wetboek over de lijkvinding niet geregeld. In de Wet op de lijkbezorging (WLB) komt de term ‘lijkvinding’ in het geheel niet voor.


Het lijkt voor de hand te liggen dat de wetgever bij een lijkvinding in de zin van artikel 19f is uitgegaan van een natuurlijke dood, aangezien bij een niet-natuurlijke dood altijd aangifte van het overlijden wordt gedaan door de politie. Niettemin zijn blijkbaar gevallen van niet-natuurlijke dood niet uitgesloten; de zinsnede ‘aan land gebracht’ duidt immers op verdrinking of een andere wijze van niet-natuurlijk overlijden.

Verlof tot begraven


Men onderscheidt een aangifte van overlijden, een akte van overlijden en het verlof tot begraven. Wie kan aangifte doen, wie kan een akte opmaken, wie kan verlof geven?


Bij een normaal natuurlijk sterfgeval doet gewoonlijk de begrafenisondernemer, gemachtigd door de familie, aangifte bij de burgerlijke stand. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft een akte van overlijden af. Na ontvangst van de verklaring van natuurlijk overlijden, afgegeven door de behandelend arts of door de gemeentelijk lijkschouwer, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een verlof tot begraven af.


Bij een niet-natuurlijke dood doet de politie gewoonlijk (telefonisch) aangifte van het overlijden. Volgens de WLB moet ook de gemeentelijk lijkschouwer ‘onverwijld’ de ambtenaar van de burgerlijke stand waarschuwen (artikel 10, eerste lid WLB), maar in de praktijk gebeurt dat vaak niet. Naderhand doet de familie of de begrafenisondernemer officieel aangifte. Na ontvangst van een verklaring van de officier van justitie dat er geen bezwaar bestaat tegen begraven, geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een verlof tot begraven af.


Bij een lijkvinding doet de politie (de hulpofficier van justitie) volgens artikel 19h BW aangifte van het overlijden. Ook hier moet de begrafenisondernemer of de familie nogmaals aangifte doen (de ‘dubbele aangifte’) om een verlof tot begraven te krijgen. Bij een natuurlijke dood is een verklaring van geen bezwaar van de officier van justitie niet nodig, bij een niet-natuurlijke dood wel.

Lijkschouw


Het is niet wettelijk geregeld welke arts de lijkschouw bij een lijkvinding moet verrichten. Het is onduidelijk of dat  altijd de gemeentelijk lijkschouwer moet zijn of dat ook de behandelend arts - aannemende dat hij overtuigd is van een natuurlijke dood -  de lijkschouw mag verrichten. De wet spreekt zich daarover niet uit. De richtlijn in het informatiebulletin voor artsen2 dat bij een lijkvinding altijd de gemeentelijk lijkschouwer moet worden gewaarschuwd, berust dus niet op een wettelijke bepaling. In de praktijk accepteert de burgerlijke stand bij een lijkvinding een A-verklaring van een huisarts, waarop de datum van overlijden dus niet is ingevuld, als daarnaast aangifte wordt gedaan door de hulpofficier van justitie. Bij een lijkvinding waarbij vaststaat dat het een natuurlijke dood betreft, is op grond van de wet de betrokkenheid van de gemeentelijk lijkschouwer en officier van justitie niet vereist. Huisarts, politie en burgerlijke stand kunnen de zaak buiten lijkschouwer en justitie om afhandelen.


De verwarring ontstaat doordat veel sterfgevallen die als lijkvinding worden aangemeld bij de politie of de gemeentelijk lijkschouwer, dat niet blijken te zijn of anders geformuleerd: veel gevallen van lijkvinding in materiële zin zijn geen gevallen van lijkvinding in de zin der wet. Ook het omgekeerde komt voor: gevallen die volgens de wet als een lijkvinding zouden moeten worden beschouwd, worden anders gekwalificeerd.

Criterium


In de genoemde bepaling van het wetboek over de lijkvinding wordt geen onderscheid gemaakt tussen een natuurlijke dood en een niet-natuurlijke dood. Het criterium is slechts of de plaats en de datum van overlijden kunnen worden vastgesteld. De vraag is door wie. In veel gevallen waarin geen twijfel bestaat aan de natuurlijke aard van het overlijden schakelt de huisarts de gemeentelijk lijkschouwer in omdat er sprake is van een lijkvinding, dat wil zeggen dat de huisarts de overlijdensdatum niet kan vaststellen. De gemeentelijk lijkschouwer kan de overlijdensdatum (soms in samenwerking met de politie) in een groot deel van de gevallen vervolgens wel vaststellen. Is dit nu een lijkvinding in


formele zin of niet? Veel forensisch-medische diensten boeken een lijkschouw als ‘lijkvinding’ als een onbekende datum van overlijden de reden van de aanvraag was, ook al kon de gemeentelijk lijkschouwer na zijn onderzoek wel de overlijdensdatum vaststellen.


De diagnose ‘lijkvinding’ wordt pas achteraf gesteld. Alleen als na de lijkschouw, het onderzoek van het lijk en de omstandigheden waaronder het overlijden plaatsvond, inclusief navraag bij nabestaanden, de datum van het overlijden niet kan worden vastgesteld, is er sprake van een lijkvinding in de zin der wet. Vanzelfsprekend kan het voorkomen dat de datum van overlijden door onderzoek van het lijk, bijvoorbeeld door rectale meting van de temperatuur of door verklaringen van nabestaanden, kan worden vastgesteld. Er is dan wel sprake van een lijkvinding in materiële zin, maar niet in formele zin.


Andersom bestaat er ook verwarring: veel gevallen die in formele zin als lijkvinding (dus plaats of datum van overlijden onbekend) zouden moeten worden gekwalificeerd, worden in de praktijk niet als zodanig aangeduid, namelijk alle gevallen van een niet-natuurlijke dood. Als duidelijk is dat er sprake is van een misdrijf of een suïcide, wordt het sterfgeval als zodanig gekwalificeerd en niet als lijkvinding, ook al is de plaats of datum van het overlijden onduidelijk.


De term ‘lijkvinding’ is dus om twee redenen verwarrend. Ten eerste hangt het van deskundigheid van de onderzoeker en de grondigheid van diens onderzoek af of de datum van overlijden kan worden vastgesteld. En ten tweede wordt een evidente niet-natuurlijke dood in de statistieken van forensische diensten en politie niet als een lijkvinding gekwalificeerd, ook al is de plaats of datum van het overlijden onbekend.

Nieuwe regeling gewenst


Het zou wenselijk zijn als de regelgeving zou aansluiten bij wat men gewoonlijk onder een lijkvinding verstaat. Er wordt een lijk gevonden in een woning, in een hotel, in een auto, in een bos of in het water en in eerste instantie is niet duidelijk wat de doodsoorzaak, de aard van het overlijden en de plaats of de datum van overlijden is. Dit zou altijd een reden moeten zijn om een deskundig lijkschouwer (een forensisch arts) in te schakelen. Het onderzoek (eventueel in samenwerking met de politie) zal moeten uitwijzen wat de doodsoorzaak, de aard van het overlijden en de datum van overlijden zijn geweest.


Als een patiënt van een huisarts dood in zijn woning wordt gevonden, mag de huisarts alleen een verklaring van natuurlijk overlijden afgeven als hij de natuurlijke aard van het overlijden en de datum van overlijden met voldoende zekerheid kan vaststellen. In alle andere gevallen zouden forensisch arts en politie bij de zaak moeten worden betrokken (zie overzicht).

Spraakgebruik


Het is wenselijk de term ‘lijkvinding’ alleen in materiële zin te gebruiken, overeenkomstig het spraakgebruik, dus in alle gevallen waarin waar dan ook een lijk wordt gevonden. Dat is niet noodzakelijkerwijs een overlijden waarbij


niemand aanwezig is geweest, want ook als iemand een ander ombrengt en het lijk achterlaat, al of niet op de plaats van overlijden, wordt het lijk (gewoonlijk) ooit gevonden. Men dient altijd uit te gaan van de beginsituatie. De frase in de wet ‘als een lijk gevonden’ duidt ook op een beginsituatie. De term ‘lijkvinding’ in formele zin geeft daarentegen een eindoordeel aan.


Hetzelfde probleem speelt overigens bij de aanduidingen ‘natuurlijke dood’ en ‘niet-natuurlijke dood’. De verschillende procedures bij een natuurlijke dood en een niet-natuurlijke dood, zoals neergelegd in de WLB, gaan ervan uit dat de aard van het overlijden al bij voorbaat vaststaat, terwijl in de praktijk pas na onderzoek door schouwarts (en patholoog) en eventueel politie komt vast te staan wat de doodsoorzaak en de aard van het overlijden waren.

mr. C. Das,
sociaal-geneeskundige, hoofd Afdeling Algemene Gezondheidszorg, GG&GD Amsterdam


Correspondentieadres: Postbus 2200, 1000 CE Amsterdam E-mail:

CDas@gggd.amsterdam.nl

.

 

 

Referenties
1. Das C, Wal G van der. Overlijdensverklaringen in Nederland: ontoereikende procedures bij niet-natuurlijke dood, lijkvinding en overledenen met onbekende identiteit. Ned Tijdschr Geneeskd 2001; 145: 1806-10.  2. Informatie voor artsen met betrekking tot de Wet op de lijkbezorging. Geneeskundige Hoofdinspectie 1991.

SAMENVATTING


l Een lijkvinding betreft vooral gevallen waarbij de plaats van het overlijden niet vaststaat. In de praktijk wordt volgens de wet ook van lijkvinding gesproken als de datum van overlijden onbekend is.


l Alleen als na de lijkschouw en navraag bij de nabestaanden de datum van het overlijden niet kan worden vastgesteld, is er sprake van een lijkvinding in de zin der wet.


l Het hangt mede af van de deskundigheid van de onderzoeker of de datum van overlijden kan worden vastgesteld.


l Als bij lijkvinding vaststaat dat het een natuurlijke dood betreft, is betrokkenheid van gemeentelijk lijkschouwer en officier van justitie wettelijk niet vereist.


l Als in eerste instantie niet duidelijk is wat de doodsoorzaak, de aard van het overlijden en de plaats of de datum van overlijden zijn, zou dit altijd een reden moeten zijn om een forensisch arts in te schakelen.

Natuurlijke/niet-natuurlijke dood

aard van het overlijden   datum van overlijden   datum van overlijden
   bekend   onbekend

natuurlijke dood

lijkschouw en A-verklaring door behandelend arts of door forensisch arts en aangifte van overlijden door familie

lijkschouw en A-verklaring door forensisch arts en aangifte van overlijden door de politie

 onduidelijk/twijfel   gerechtelijke procedure   gerechtelijke procedure
niet-natuurlijke dood   gerechtelijke procedure   gerechtelijke procedure


De gerechtelijke procedure houdt in:


l lijkschouw door de forensisch arts;


l aangifte van overlijden door de politie (hulpofficier van justitie);


l overlijdensverklaring naar de officier van justitie;


l eventueel inbeslagname van het lijk en gerechtelijke sectie;


l vrijgave van het lijk door de officier van justitie.

print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • P.J. Bil, huisarts, ZAANDAM 03-01-2013 00:00

    "Ik mis: wanneer wordt de gemeentelijk lijkschouwer als eerste geraadpleegd bij lijkvinding? of moet de huisarts de lijkschouw doen?"