Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
mr. D.Y.A. van Meersbergen B.V.M. Crul - arts
22 juli 2009 21 minuten leestijd

Van kus naar klacht

1 reactie

Wat tijdens een toevallige ontmoeting in de supermarkt als behandelrelatie begon, eindigt met een voorwaardelijke schorsing voor zes maanden. Het gaat hier weliswaar om een gezondheidszorgpsycholoog, tevens opleider, maar ook voor artsen bestaat het gevaar van rolvermenging tussen privé en praktijk. Deze psycholoog maakte er niet alleen vakinhoudelijk maar ook met betrekking tot de gedragsregels een zootje van. Hij bood zijn patiënte met mogelijk borderline een cognitieve gedragstherapie aan zonder enige bekwaamheid op dat gebied.

Maar ook stuurde hij haar sms-berichtjes met ‘kus’ en ‘lieve’ erin en liet hij haar zelfs eenmaal overnachten in een privé-vertrek. Zijn dossier was onvolledig en duidelijk later bijwerkt. Van intervisie of supervisie had de psycholoog ook nog nooit gehoord. Door zijn houding was de grens tussen privé en praktijk inmiddels wel heel erg vaag geworden. Alertheid blijft geboden, ook voor (huis)artsen die hun patiënten in goed vertrouwen verwijzen. De huisarts van latere klaagster voelde gelukkig nattigheid en verwees haar patiënte naar een psychiater. Niet ten onrechte dus.

B.V.M. Crul, arts
Mr. D.Y.A. van Meersbergen

Regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Groningen

Het college heeft het volgende overwogen en beslist over de op 14 februari 2008 binnengekomen klacht van de heer A en mevrouw B, wonende te C; klagers, gemachtigde: mw. mr. D, advocaat te E, tegen de heer dr. F, gezondheidszorgpsycholoog, wonende te C, verweerder,gemachtigde, prof. mr. G, advocaat te H.

1.Verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift d.d. 10 februari 2008 met bijlagen, ingekomen bij het secretariaat van het college op 14 februari 2008, een verweerschrift d.d. 30 mei 2008 met bijlagen, namens verweerder ingediend door prof. mr. G voornoemd en ingekomen bij het secretariaat van het college op 3 juni 2008, de repliek d.d. 2 juli 2008 met bijlagen zijdens klagers, de aanvulling op de repliek d.d. 14 juli 2008 met bijlage zijdens klagers, de dupliek d.d. 13 oktober 2008 met bijlagen zijdens verweerder, een brief d.d. 21 november 2008 van mw. mr. D voornoemd, een brief d.d. 24 november 2008 van prof. mr. G voornoemd, brieven d.d. 1 december 2008 van de secretaris van het college aan de gemachtigden van partijen, een brief d.d. 12 januari 2009 met bijlagen van prof. mr. G.


Na ontvangst van de klacht heeft de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen, gelet op het bepaalde in artikel 66 van de Wet BIG, een vooronderzoek gelast.
De klacht is behandeld ter zitting met gesloten deuren van het college, te Groningen gehouden op 27 januari 2009. Partijen zijn behoorlijk opgeroepen en verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd.

Van de behandeling ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Ter zitting is met partijen afgesproken dat zij enkele concreet aangeduide stukken alsnog zouden overleggen en dat daarop door de andere partij kon worden gereageerd, alles binnen drie weken na de zitting, en dat vervolgens op de klacht kon worden beslist.Verweerders raadsman heeft bij brief van 30 januari 2009 een stuk overlegd inhoudende verweerders persoonlijke visie.

De raadsvrouwe van klagers heeft bij brief van 3 februari 2009 twee stukken ingezonden en een nadere reactie op de persoonlijke visie van verweerder in het uitzicht gesteld. Bij brief van 17 februari 2009 -verzonden per fax en per post- heeft zij een reactie ingezonden, vergezeld van twee bijlagen.
Verweerders raadsman heeft gereageerd bij faxbrief d.d. 17 februari 2009.

2.Vaststaande feiten
Voor de beoordeling van de klacht gaat het College uit van de volgende feiten, die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

Klagers zijn echtgenoten. Klager -ten tijde van indiening van de klacht 48 jaar oud- was eerder gehuwd. Zijn eerste echtgenote is overleden. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren.
Klaagster -ten tijde van indiening van de klacht 34 jaar oud- was ook eerder gehuwd, welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

Klagers zijn in 2005 gehuwd. Klaagster heeft in het voorjaar van 2005 ontslag genomen uit haar werkkring om zich geheel te wijden aan de zorg voor de huishouding en de opvoeding van beider kinderen.

Deze thuis- en gezinssituatie heeft soms voor grote spanningen gezorgd. Klaagster is wegens spanningsklachten doorverwezen naar en behandeld door een psychotherapeut in I en gebruikte vanaf 2000 het medicijn Paroxetine. In de zomervakantie van 2006 stopte klaagster op eigen houtje per direct met inname van genoemd medicijn. In die vakantieperiode hebben zich soms hoog oplopende emotionele taferelen voorgedaan.

Klaagster ontmoette in september 2006 bij toeval verweerders echtgenote in een plaatselijke supermarkt waarbij klaagsters thuissituatie en emotionele problemen ter sprake kwamen. Men kende elkaar persoonlijk; verweerder kende klager een jaar of tien en zijn echtgenote sinds 2004. Verweerder noemt de band ‘vriendschappelijk’.

Uit dit contact in de supermarkt vloeide behandelcontact tussen verweerder en klaagster voort. Klaagster heeft verweerder voor een oriënterend gesprek bezocht op 21 september 2006. Op 26 of 28 september 2006 heeft verweerder met beide klagers gesproken. Klaagster heeft op 21 september 2006 te kennen gegeven verweerder en geen ander als therapeut te willen. In het vervolggesprek kwamen ter sprake de ‘puinzooi’ bij klagers thuis en slaande ruzie waar de kinderen bij waren. Verweerder geeft aan dat hij met instemming van klagers dit heeft teruggekoppeld naar de huisarts.

Verweerder is als (…) tot kort vóór 27 januari 2009 werkzaam geweest aan de J, in 2006 en 2007 gedurende vier dagen per week, erna drie.
Daarnaast heeft hij samen met zijn echtgenote (pedagoge) een praktijk aan huis. In die praktijk zegt verweerder wekelijks ongeveer vier tot vijf cliënten te behandelen, zijn echtgenote ziet per week gemiddeld vijftien kinderen met leer- en gedragsproblemen.

Er zijn twee praktijkruimtes, één behandelkamer beneden en één boven.

Verweerder zag klaagster op meerdere plekken: op zijn kamer, op kantoor en in de tuin. Soms nam zij een kind mee.

Verweerder richt zich op cognitieve gedragstherapie en heeft daarvoor geen speciale opleiding gevolgd, het ‘zit in zijn algemene pakket’.

Verweerder wenste vanwege zijn vriendschap met klagers geen relatietherapie te starten. Hij is met klaagster gedragstherapie gestart. Met klagers is besproken dat verweerder contact zou hebben met de huisarts -ook bij voor te schrijven medicatie- en dat klager bij de behandeling zou worden betrokken.
De behandeling vond plaats bij verweerder aan huis, wekelijks op woensdagavond van 20.30 tot 22.30 uur.

In oktober 2006 stelde verweerder de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis doch besprak dit nog niet met klaagster. Op een later moment heeft hij dat alsnog gedaan. Verweerder beoogde prioriteit te geven aan het geven van inzicht in de bestaande problematiek, het door opdrachten pogen daarin verandering aan te brengen en voorts te bemoedigen maar ook grenzen aan te geven.

Op 16 mei 2007 heeft de huisarts tijdens spreekuurcontact met klager voorgesteld contact te zoeken met psychiater K, te L. Toen op 18 mei klaagster instemde, heeft de huisarts genoemde psychiater telefonisch verzocht om hulp. Deze hulpvraag betrof allereerst psychiatrische diagnostiek van klaagsters toestand. Daarbij is ook ingegaan op de cliënt-hulpverlener-situatie zoals die tussen klaagster en verweerder was ontstaan, vanuit de indruk van de huisarts dat er een vermenging dreigde te ontstaan van een zakelijke en een privé-relatie. Vanaf 23 mei 2007 heeft er een therapeutisch contact bestaan tussen klaagster en genoemde psychiater, dat in eerste instantie nog parallel liep aan behandelcontact tussen klaagster en verweerder.

Na de zomer van 2007 heeft verweerder, zoals hij ook aan de huisarts van klagers heeft gemeld, op vriendschappelijke basis contact gehouden met klagers en vond in die periode ook -soms intensief- sms-verkeer plaats.

In januari 2008 heeft klaagster klager ingelicht over de gebeurtenissen tijdens de therapie. Eind december 2007 hadden klagers verweerder nog een Kerst- en nieuwjaarskaart gestuurd met ‘Heel veel liefs’, gevolgd door de namen van klagers en zes kinderen. Op 10 februari 2008 volgde de klacht.

3.De klacht
De klacht laat zich als volgt samenvatten.
In het klaagschrift ligt het accent op seksueel grensoverschrijdend gedrag waaraan verweerder zich sinds februari 2007 zou hebben bezondigd. Een verslag van situaties die zich hebben voorgedaan, is overgelegd.

Gesteld wordt dat verweerder onprofessioneel en/of onzorgvuldig heeft gehandeld, met seksueel grensoverschrijdend gedrag en psychisch/emotioneel machtsmisbruik gedurende de behandelperiode en geruime tijd daarna. De normen als bedoeld in artikel 47 van de Wet BIG zijn overschreden. Gehandeld is in strijd met de zorg die een geregistreerd hulpverlener behoort te betrachten ten opzichte van de patiënt en diens naaste betrekkingen. Ook is gehandeld in strijd met het belang van een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.

Bij repliek is aangevoerd:

betwist wordt dat verweerder vóór aanvang van de behandeling met hen heeft besproken of hij, gezien de privé-contacten, aan behandeling kon beginnen en dat voorwaarden zouden zijn besproken waarmee zij zouden hebben ingestemd;

onwaarschijnlijk is dat verweerder al in oktober 2006 de diagnose borderline persoonlijkheidsstoornis stelde en er heeft ook geen aanvullend onderzoek plaatsgevonden;
klaagster heeft tijdens de behandeling nooit een behandelplan gezien en terzake is ook niets met haar besproken;

zgn. haptonomie tijdens de behandeling startte eerder en ging veel verder dan verweerder aangeeft, was volgens klagers een excuus om met klaagster lichamelijk contact te hebben;

er zijn in het overgelegde dossier geen onderzoekgegevens en gestructureerd weergegeven observaties vermeld en ook geen behandeldoelen gesteld en met klaagster besproken;

een behoorlijke overdracht heeft bij het einde van de behandeling niet plaatsgevonden;verweerder was degene die het initiatief nam tot sms-contact sinds het najaar van 2006, welke contacten hebben voortgeduurd tot in mei 2007 is afgesproken dat zou worden geminderd vanwege klagers reactie;

het was volstrekt ongepast van verweerder om sms-berichten te versturen als overgelegd;

er vond maar gebrekkige dossiervoering plaats;waar professionele distantie en vooral duidelijkheid pasten in verweerders relatie met klaagster heeft verweerder het omgekeerde gedaan door te grote nabijheid resulterend in een ernstig gebrek aan het respecteren van klaagsters lichamelijke integriteit;

naast verwijtbaar seksueel contact heeft verweerder ook overigens grensoverschrijdend gedrag vertoond en was sprake van een rolvermenging die hij had moeten vermijden. Woorden als ‘lieve M’, ‘liefs’ en ‘kus’ en het uitbouwen van de gestelde vriendschap met verjaarsbezoekjes, etentjes over en weer, e.d. schiepen onduidelijkheid jegens klagers en wellicht ook ten opzichte van verweerder zelf. Dit was des te erger bij de gestelde diagnose borderliner;

verweerder heeft niet adequaat gereageerd op de gevoelens van overdracht van klaagster;

ook in andere opzichten heeft verweerder ondeskundig gehandeld en waar hij een zeer complexe situatie aantrof had hij een psychiater dienen te consulteren;

verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen beslissen om klaagster op enig moment in zijn eigen inpandig gastenverblijf crisisopvang aan te bieden;

verweerder heeft klaagster niet tijdig doorverwezen en heeft niet te kennen gegeven enig inzicht te hebben in de ernst en de gevolgen van zijn ondeskundig en onprofessioneel gedrag;

er vond niet regelmatig en gestructureerd overleg plaats met de huisarts, zoals verweerder stelt.

4.Het verweer

Het verweer luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Als gezondheidszorgpsycholoog daartoe bevoegd en deskundig, en voldoende opgeleid en ervaren, heeft verweerder bij klaagster een borderline-persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd, met toepassing van DSM-IV criteria. Hij ging daarbij af op de afgenomen anamnese, zijn observatie van en gesprekken met klaagster, zijn gesprekken met klager, zijn overleg met de huisarts en aanvullende bestudering van literatuur. Hij heeft klaagster behandeld met een cognitieve gedragstherapie.

Zijn behandelplan hield in: inzicht geven in de problematiek en de optredende mechanismen, door opdrachten pogen dat te veranderen, daarbij bemoedigen en steunen teneinde klaagsters vertrouwen ter winnen en gelijktijdig steeds grenzen aangeven, aanleren van sociaal gedrag en toewerken naar impulscontrole teneinde de fysieke en verbale woede-uitbarstingen te reduceren. Hij heeft soms gebruik gemaakt van haptonomie-elementen maar geen haptonomie toegepast.

Gezien de al bestaande vriendschappelijke relatie met klagers, wilde hij geen relatie-therapie geven, wat met hen ook besproken is. De voorwaarden voor behandeling zijn eveneens besproken; voorts heeft hij terzake van het aangaan van een behandelrelatie overleg gehad met de huisarts van klagers. Er was aan hun zijde een duidelijke wens dat hij de behandeling zou verzorgen.

Verweerder behandelt en begeleidt in zijn praktijk aan huis volwassenen met uiteenlopende psychische problemen, ook mensen met borderline problematiek. Met de behandeling van borderline patiënten heeft verweerder de nodige ervaring.

Bij cognitieve gedragstherapie van mensen met een borderline persoonlijkheids-stoornis is permanente beschikbaarheid van de therapeut een van de therapeutische instrumenten, waar lang niet alle therapeuten ook toe bereid zijn. Verweerder was dat wel.

Bij klaagster was een tijd sprake van heftige overdrachtsgevoelens, die een grote vlucht namen. Volgens verweerder heeft zich bij klaagster waarschijnlijk het fenomeen voorgedaan dat de verlangens en overdrachtsgevoelens jegens verweerder de status van werkelijkheid hebben gekregen, wat nog groeide naarmate zij zich erop meer focuste. Dat is onder meer gebeurd in het klaagschrift.

Er was sprake van een gecompliceerde situatie: idealiserende overdracht, agressie en relatieproblematiek tegelijk. En ofschoon de behandeling was gericht op klaagster, heeft klager zich daarin intensief gemengd; hij controleerde klaagsters sms-berichten, sloeg ze op en maakte er foto's van. Klager en klaagster vonden vervolgens een gemeenschappelijke vijand, blijkbaar om hun relatie te redden, wat nog werd gecompliceerd door de vermenging door klager van zijn werkrelatie (er was sprake van coaching van een collega van klager door verweerder) met de verhouding tot verweerder.
Verslaglegging van elke sessie zou een overdreven eis zijn. In de sessies van twee uur was klaagster vaak erg emotioneel. Het ging erom aantekeningen te maken van therapiesessies. In het dossier wordt verantwoording afgelegd over de voorlopig gestelde diagnose en de therapeutische waarnemingen in relatie tot de DSM-IV criteria die bijdroegen aan de totstandkoming van de definitieve diagnose.

Toen klaagster en klager op 3 november 2007 tijdens een etentje bij verweerder en zijn vrouw behoorlijk ruzie kregen en klaagster in ontredderde toestand door klager werd achtergelaten, is aan klaagster het gastenverblijf aangeboden omdat een andere optie op dat moment ontbrak.

Vanaf eind januari 2007 begon bij verweerder de gedachte te ontstaan dat de behandeling van klaagster te complex was, ook gezien de gezinssituatie. Doorverwijzing was echter op dat moment onbespreekbaar. Verweerder achtte doorverwijzing op dat moment niet verantwoord.

In maart 2007 meldde ook de huisarts dat ze niet gelukkig was met de situatie en suggereerde voorbereidingen voor overdracht aan een andere behandelaar. Verweerder is daarmee gestart maar door crisissituaties binnen het gezin van klagers ging de maand april op aan ‘crisisbeheersing’.
In mei 2007 gaf verweerder aan klaagster aan dat op termijn een andere behandelaar moest worden gezocht. Klaagster had zich vanwege ondersteunende medicatie toen al tot een psychiater gewend.

Bij brief van 17 juli 2007 meldde klaagster de behandeling bij verweerder te willen stoppen en samen met klager relatietherapie te willen volgen bij de psychiater. Zij gaf aan voortzetting van de vriendschap met verweerder op prijs te stellen. Verweerder heeft de huisarts van klagers toen meteen ingelicht over de beëindiging van de behandeling. Erna heeft verweerder zich ervan vergewist dat de voorgaande professionele relatie geen onevenredige betekenis meer had. Wel bood hij een luisterend oor.
Later heeft verweerder op verzoek van klager enkele werknemers van diens kantoor gecoacht.

Verweerder meent, gemeten naar de professionele standaard, te hebben gehandeld zoals van een deskundig en vakbekwame gezondheidszorgpsycholoog mag worden verwacht. Hij meent zich niet te hebben schuldig gemaakt aan enig handelen of nalaten in strijd met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg noch overigens te hebben gehandeld in strijd met de zorg die hij behoorde te betrachten jegens klaagster en/of klager.

5.Beoordeling van de klacht
Naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het college als volgt.

1. Het college zal zich bij zijn oordeels- en besluitvorming baseren op de overlegde gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting van 27 januari 2009. Het college zal ook acht slaan op de inhoud van enkele na die zitting ontvangen stukken en de reactie daarop -zoals afgesproken ter zitting- doch niet op andere na de zitting ingekomen stukken. Het bezwaar van de raadsman van verweerder tegen kennisneming door het college van de inhoud van de brief d.d. 17 februari 2009 van mw. mr. D en van de bijlage daarbij, wordt onderschreven.

2. Hoewel aanvankelijk het accent van de klacht is gelegd op gesteld seksueel grensoverschrijdend gedrag van verweerder en psychisch/emotioneel misbruik gedurende de behandeling en geruime tijd daarna, zijn zowel op hoofdlijnen als in onderdelen door klagers zeker in de repliek expliciet vele aspecten genoemd waarop het college acht kan en moet slaan.

Terzake van die aspecten heeft verweerder zich kunnen verweren en hij heeft van de mogelijkheden daartoe ook ten volle gebruikgemaakt.

Het college zal hierna vooral ingaan op de behandeling van klaagster maar ziet niet over het hoofd dat de klacht ook de coaching van klager door verweerder betreft.

3. Alvorens over te gaan tot een bespreking van elk klachtonderdeel, zal het college aandacht geven aan meer algemene aspecten met betrekking tot de hulpverlening door verweerder zoals die ter toetsing voorligt.

Het gaat dan om de volgende aspecten.
a) verweerders deskundigheid, zijn opleiding en registraties;
b) de gehanteerde diagnostiek;
c) het behandelplan en de zittingen;
d) afsluiting van de behandeling, overdracht en doorverwijzing;
e) dossieropbouw;
f) omgang met klaagster, nabijheid en afstand, rolvermenging;
g) intervisie en ruggespraak;
h) grensoverschrijdend seksueel en ander gedrag/lichamelijke aanraking.

ad a)
Verweerder geeft aan te werken op basis van cognitieve gedragstherapie (CGT). Het college stelt vast dat dit niet wordt ondersteund door de gehanteerde werkwijze, verweerders beschrijving van diagnostiek, het behandelplan, evaluaties, uitvoering van huiswerkopdrachten en duur en aantal van de behandelsessies.
Verweerder mist ook een specifieke opleiding. Het college stelt daarbij vast dat hij directieve therapie, CGT en dialectische gedragstherapie als synoniemen bezigt en dit samenvat als eclectische werkwijze.
Hij heeft geen therapieopleiding gedaan, ook niet van een specialistische vereniging. Hij hanteert naar zijn zeggen een aan de haptonomie ontleende werkwijze om de patiënt zich te laten ontspannen. Indien gewerkt wordt volgens CGT is een haptonomische werkwijze echter niet nodig.
Van een bijzondere deskundigheid ten aanzien van borderline stoornis blijkt niets, maar verweerder geeft aan wél dergelijke patiënten te behandelen.
Verweerder geeft aan zelfgemaakte vragenlijsten te hebben gehanteerd; die zijn echter afwezig.
 
ad b)
Verweerders diagnostiek is noch navolgbaar noch reproduceerbaar. Verwacht mag worden dat in het dossier te achterhalen is op basis waarvan de behandelaar tot zijn behandeling komt. In dat opzicht is verweerder tekortgeschoten.
De verwerking van de diagnostiek in de verslaglegging is geheel onvoldoende. Uit het dossier en/of ter zitting is niet gebleken dat verweerder op basis van zijn bevindingen andere diagnoses heeft overwogen, zo ja, welke en op grond waarvan die diagnoses zijn verworpen. Het vermelden van differentiaal diagnostische overwegingen is naar het oordeel van het college essentieel en had niet mogen ontbreken.
Bij de beoordeling van het vakbekwaam en zorgvuldig handelen van verweerder neemt de wijze waarop hij zijn diagnostiek heeft bedreven een cruciale plaats in. Dat is in casu niet te toetsen.
Een persoonlijkheidsstoornis als aanwezig geacht, wordt beschreven door verwijzing naar een website.

Verweerder doet nergens een uitspraak over de duurzaamheid van het patroon, het brede terrein waar last moet zijn, significante beperkingen/lijden, aanwezigheid van een stabiel patroon van lange duur.
Een verwijzing dat de stoornis terug te voeren is naar adolescentie of vroege
volwassenheid, ontbreekt. Verweerder heeft een andere psychische stoornis niet uitgesloten. Niet is getoetst in hoeverre sprake is van middelengebruik of een andere somatische oorzaak.

ad c)
Het aanwezige behandelplan is niet conform de state of the art. Ook is niet duidelijk of en hoe verweerder dit heeft gehanteerd tijdens de vele sessies. Informatie over voortgangbewaking ontbreekt. Niet is duidelijk of en in hoeverre tijdens de therapie ook diagnostische verschuivingen zijn opgetreden. De tijdslijn ontbreekt.
Verweerder meldt opdrachten maar die staan niet beschreven in het behandelplan. Regie was zo te zien afwezig. Daar waar verweerder aangeeft dat hij zich opnieuw heeft verdiept in het fenomeen borderline-persoonlijkheidsstoornis, wordt niet duidelijk wat deze verdieping heeft opgeleverd en of dit van invloed is geweest op het vervolg van de behandeling en het overwegen van wijziging daarvan.
Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij er niet in slaagde een goed behandelklimaat te creëren en dat hij structuur wilde aanbrengen. Onvoldoende maakt verweerder duidelijk hoe hij dit hanteerde in het vervolg van de behandeling. Evenzo blijft onduidelijk waarom hij dit niet in intervisie/ supervisie of intercollegiaal overleg heeft besproken.

ad d)
De afsluiting van de behandeling is onprofessioneel te noemen. Al in januari 2007 heeft verweerder zich gerealiseerd dat de situatie te complex werd. Niet duidelijk is wat verweerder met die constatering heeft gedaan, wat hij daarbij heeft overwogen en waarom hij toch is doorgegaan met de behandeling.
Verweerder geeft toe dat er een onbeheersbare situatie is ontstaan en dat hij te laat heeft gedacht aan overdracht.De behandeling had zijns inziens beter gekund en het was beter geweest om de uitvoering te noteren.
Bij een langdurige behandeling zonder voldoende succes behoort intervisie/supervisie evenals overweging om de patiënt door te verwijzen. Echter, ook nadat verweerder had geconcludeerd dat de behandeling niet goed liep en te complex was geworden, is hij er nog geruime tijd mee doorgegaan.

ad e)
Het dossier is qua opbouw slordig en zeer onvolledig. Het is achteraf tot stand gebracht en oogt als geïmproviseerd en gehaast opgesteld. Notities zijn gemaakt via een terugblik. Een goed inzicht in beloop en voortgang van de behandeling is op basis van dit dossier niet mogelijk. De zittingsduur was twee uur, er waren veel sessies over langere tijd en er vond buiten de sessies therapeutisch bedoeld contact plaats wat onvoldoende in het dossier is terug te vinden. De discrepantie tussen de uitgebreide beschrijving van algemene criteria van borderline persoonlijkheidsstoornis en de ultra korte verslaglegging is opvallend. De diagnose is tentatief vastgesteld en onvoldoende onderbouwd.

ad f)
Verweerder heeft onvoldoende duidelijk onderscheid gemaakt tussen privé- en behandelrelatie. Het bezigen -in sms-berichten en correspondentie- van woorden als ‘lieve M’ en ‘kus’ past niet in een behandelrelatie. Ook na afloop van een sessie samen nog iets drinken is ongewenst. Onduidelijk is de verhouding van verweerders luisterend oor in de sms-berichten tot het behandelplan. Toon en inhoud van de sms-berichten zijn niet passend te achten, ook niet indien de behandeling al zou zijn afgelopen.
Bij de behandeling van patiënten met een borderline problematiek weegt rolvermenging des te zwaarder; verweerder had terzake meer alert moeten zijn.

De afwegingen om met klaagster een behandelrelatie aan te gaan terwijl er al sprake was van vriendschappelijke contacten (verweerder relativeert dat, maar men ging wel met elkaar om en stuurde kaarten) en er zakelijke contacten waren (met klager), zijn onduidelijk gebleven.

Een onvoldoende duidelijke scheiding tussen werk- en privé-afspraken met klaagster spreekt tevens uit het feit dat verweerder klaagster heeft toegestaan af en toe een kind mee te nemen naar de sessies. Dit klemt temeer daar het twee uur durende sessies betrof waarbij klaagster gedurende het eerste uur ‘uitraasde’ c.q. ‘stoom afblies’.

Ook is het niet professioneel om klaagster een keer te laten overnachten in een privé vertrek; verweerders verklaring terzake acht het college onvoldoende om als motivering aanvaardbaar te zijn en deze ontbreekt ook in het dossier. Verweerder blijkt achteraf ook zelf van mening te zijn dat het laten overnachten van klaagster geen goede beslissing is geweest.

ad g)
Duidelijk is geworden dat de behandeling van klaagster voor verweerder een ingewikkelde casus is geweest.
Onduidelijk is echter wat er aan intervisie is gedaan en supervisie -waarvan verweerder nu zelf aangeeft dat die had moeten plaatsvinden- ontbrak ondanks de duidelijk aanwezige privé-aspecten. Van samenspraak met relevante intervisoren is kennelijk geen sprake geweest. Verweerders suggestie dat de huisarts als cotherapeut optrad, wordt door laatstgenoemde ontkracht; zij ontkent het. In het behandelplan is dit ook niet terug te vinden.

ad h)
Voor zover het betreft seksueel grensoverschrijdend gedrag, is het college uiteindelijk van oordeel dat niet met voldoende stelligheid kan worden geconcludeerd dat van seksuele handelingen sprake is geweest.De lezingen van partijen staan hier lijnrecht tegenover elkaar.

Enerzijds geldt dat klaagster, wier verklaringen verder betrouwbaar zijn gebleken, met betrekking tot seksueel contact heel concreet is geweest in de beschrijving van de aanloop, aard en frequentie van dat contact. Dit geldt ook voor de beschrijving van enkele specifieke kenmerken aan verweerders zijde. Die specifieke kenmerken zijn echter van dien aard dat ze niet met voldoende zekerheid tot (alleen) verweerder zijn te herleiden, en voorts toch ook zodanig dat nader medisch onderzoek het college naar verwachting niet dichter bij de waarheid zal (kunnen)brengen.

Anderzijds geldt dat verweerder de aantijgingen categorisch en stellig ontkent en dat het opvalt dat klaagster retrospectief wel erg stellig en gedetailleerd is zowel wat data als gebeurtenissen betreft, hoewel zij daarvan geen notities heeft bijgehouden. De lezing van klaagster verdient niet duidelijk de voorkeur boven die van verweerder.

Het college is al met al niet tot een zodanige overtuiging van het gestelde seksueel misbruik kunnen komen dat het verantwoord is om daarvan uit te gaan. Wel was er ander grensoverschrijdend gedrag van verweerder, in erotische zin in de correspondentie en in sms-berichten (kus, lieve) en in de soms wel erg persoonlijk getinte teksten c.q. onprofessionele taal in dergelijke berichten van na de behandelperiode. Voorts in het laten overnachten van klaagster bij zich thuis en het samen wandelen de volgende dag.

Dit gold zeker ook voor het te berde brengen van potentieproblemen waarvan klaagster op de hoogte was, en in het bieden van een niet-therapeutisch luisterend oor.

Nog wat drinken na de sessie is ook niet professioneel te achten daar waar zakelijk en privé-contact toch al gemakkelijk door elkaar liepen, wat nog in de hand is gewerkt doordat verweerder praktijk aan huis hield en het informeel en soms geïmproviseerd karakter van die praktijk aan het college is opgevallen.
Verweerders erkenning dat er niet in alle gevallen sprake was van therapie, dat er ook informele uren waren en dat er sprake was van rolvermenging (waarvoor hij zich verantwoordelijk acht) en dat de informele toonzetting van de contacten en de sms-berichten anders had gemoeten, laat zien dat hij dit inzicht deelt.

Alles overziende, oordeelt het college dat van een zeer onprofessionele behandeling sprake is geweest waardoor klaagster is geschaad. Dit klemt temeer nu verweerder als docent en opleider van toekomstige hulpverleners beter op de hoogte had moeten zijn van juiste gedragsregels. Verweerders reactie terzake is niet overtuigend en hij kan deze ook in onvoldoende mate onderbouwen.Ten onrechte is nagelaten supervisie- of intervisiebesprekingen aan te gaan.

Verweerder heeft zijn rol als privépersoon en als behandelaar onvoldoende gescheiden; er was sprake van een ernstige vorm van rolvermenging. Er was sprake van grensoverschrijdend gedrag.
Of klaagster nu wel of niet lijdt aan een borderline-stoornis, hoeft door het college niet te worden uitgezocht.
Storend is vooral dat de argumentatie uiterst onvoldoende is, ook in het licht van hetgeen andere betrokken professionals terzake opmerken.

In het licht van het vorenstaande hecht het college vooral betekenis aan de grote manco’s bij de behandeling van klaagster. Hoewel ook geklaagd is over de beoogde coaching van klager, die niet uit de verf is gekomen, zal het college daaraan geen verdere overwegingen wijden.

Het vorenoverwogene houdt in dat bijna alle belangrijke aspecten van de klacht gegrond zijn en dat het bekritiseerde handelen en nalaten van verweerder in ernstige strijd is te achten met een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Bij het opleggen van na te noemen maatregel – die zwaar is maar door het college aangewezen wordt geacht gezien de ernst van de manco's en de gevolgen van verweerders tekortschieten op elementaire onderdelen – heeft het college overwogen dat het dringend aangewezen is dat verweerder bij zijn praktijkvoering inhoudelijk wordt begeleid door een supervisor via persoonsgerichte supervisie waarbij aandacht ware te besteden vooral aan die aspecten die in deze beslissing zijn genoemd.

De duur van deze noodzakelijk geachte supervisie bepaalt het college op 50 uren. De supervisor dient door een Specialistische Psychotherapie Vereniging te zijn erkend.

Het wordt aangewezen geacht dat vanwege de Inspectie voor de Gezondheidszorg controle plaatsvindt op de naleving van de nu gestelde voorwaarde.

Deze maatregel duldt geen uitstel, zodat vanwege mogelijk schorsende werking van hoger beroep wordt bepaald dat onmiddellijke tenuitvoerlegging dient plaats te vinden.

Het college verzoekt de genoemde inspectie zich met verweerder te verstaan over de wijze waarop aan de voorwaarde invulling wordt gegeven, en aan het toezicht inhoud, en terzake afspraken te maken.
In geval van gebrek aan medewerking van verweerder aan dit toezicht en deze supervisie, verzoekt het college de inspectie om dit te melden aan het secretariaat van het college. Dit kan leiden tot tenuitvoerlegging van de op te leggen schorsing.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing, geanonimiseerd, als aangegeven in artikel 71 van de Wet BIG, zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

4.De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen:

verklaart de klacht gegrond;
schorst de inschrijving van verweerder in het BIG-register voor de duur van zes maanden;
legt deze maatregel voorwaardelijk op met een proeftijd van anderhalf jaar;
verbindt hieraan de voorwaarde dat verweerder gedurende de proeftijd zich zal onderwerpen aan supervisie als hierboven aangegeven en aan toezicht op de naleving van deze voorwaarde door de bevoegde regionale Inspectie voor de Gezondheidszorg, en zich zal gedragen naar de hem in voormeld kader gegeven aanwijzingen.

Bepaalt dat deze maatregel onmiddellijk van kracht wordt.
Bepaalt voorts dat de beslissing, ingevolge artikel 71 van de Wet BIG, geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact, Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, De Psycholoog en Bulletin van de Vereniging voor Gedragstherapie en Cognitieve Therapie ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus gegeven door mr. T. Duursma, voorzitter, R. Poll, lid-gezondheidszorgpsycholoog, mw. dr. G.F.E.C. van Linden van den Heuvell, lid-gezondheidszorgpsycholoog, dr. Th.A.M. Deenen, lid-gezondheidszorgpsycholoog, mr. A.H.M. Dölle, lid-jurist, bijgestaan door mw. mr. H.T.J. van de Meerendonk, secretaris, en uitgesproken op 24 maart 2009 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

gedragstherapie
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • me, ospel 11-09-2010 00:00

    "6 maanden schorsing is m.i. veel te kort. Iemand met dergelijke opleiding had zelf een proces door moeten gaan en had dan geheel begrepen waar grenzen liggen ! Helaas veel hulpverleners willen zich alleen op de borst kloppen en hebben geen idee waar ze mee bezig zijn. Twee jaar schorsen en deel opleiding herhalen, dan laten ze het wel, m.i. veel machogedrag ! "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.