Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Achter het nieuws

Sportartsen ontsnappen aan faillissement

Plaats een reactie
Marcel van den Bergh / HH
Marcel van den Bergh / HH

Financiële wanorde bleek afgelopen jaar troef binnen de wereld van sportgeneeskunde. Door dreigende faillissementen van sportartsorganisaties kwam zelfs de opleiding tot sportarts in gevaar. De recente ontwikkeling tot volwassen specialisme blijkt niet zonder groeipijnen te verlopen.

Na een jarenlange strijd kreeg sportgeneeskunde in 2014 erkenning als medisch specialisme. ‘De eerste die erbij kwam na 35 jaar’, zegt hoogleraar sportgeneeskunde Frank Backx (UMC Utrecht) en momenteel voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG) terugblikkend nog altijd niet zonder trots.

Het is nog een kleine club, die van sportartsen. Afgelopen jaar telde Nederland er 160 (van wie zo’n 20 niet-praktiserend), plus nog eens een kleine 30 aiossen. Het had niet veel gescheeld of er waren dit jaar geen nieuwe sportartsen in opleiding gegaan. Opleidingsziekenhuizen – die geld tegoed hadden van de Stichting Beroepsopleiding tot Sportarts (SBOS) – dreigden afgelopen zomer het faillissement aan te vragen van de SBOS, de organisatie die de opleiding van aiossen uitvoert met de beschikbaarheidsbijdragen van het ministerie van VWS.

Dramatische situatie

De SBOS is gehuisvest in een pand aan de Professor Bronkhorstlaan in Bilthoven. In hetzelfde gebouw huizen de wetenschappelijke vereniging VSG en de brancheorganisatie Federatie van Sportmedische Instellingen (FSMI). Aparte organisaties met elk een eigen bestuur. Maar ook met één gezamenlijke directeur en een gezamenlijke rekening, schetst bestuurder Kees Esser van SBOH. De SBOH, die voor huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, artsen verstandelijke gehandicapten en artsen maatschappij & gezondheid eenzelfde rol heeft als de SBOS voor sportartsen, redde de SBOS van een faillissement door een lening van 1,5 miljoen euro te verstrekken.

De grootste aios-werkgever kreeg van zijn kleine broer in het voorjaar van 2018 de vraag of hij te hulp wilde schieten bij financiële problemen. De SBOH stond welwillend tegenover de hulpvraag, zegt Esser, om de continuïteit van de sportartsenopleiding te waarborgen. Maar wel pas nadat er een boekenonderzoek door accountantsbureau Mazars plaatsvond.

Daaruit kwam volgens Esser ‘een dramatische financiële situatie’ naar voren: de SBOS stond voor circa 1 miljoen in het rood bij de opleidingsziekenhuizen, en was technisch failliet. Ziekenhuisorganisaties NVZ en NFU dreigden daarom in augustus namens die opleidingsziekenhuizen het faillissement van de SBOS aan te vragen. Dan zouden de ziekenhuizen zelf de sportartsenopleiding overnemen – aldus NVZ- en NFU-woordvoerders – om de voortgang van de opleiding te waarborgen. Volgens de NFU-woordvoerder is de opleiding nooit in gevaar geweest.

Pinautomaat

De SBOS kon de ziekenhuizen niet betalen omdat ze zelf nog geld tegoed had van de gelieerde organisaties, met name van de FSMI (twee ton) en de ook aan de Bronkhorstlaan ondergebrachte certificeringsorganisatie Stichting Certificering Actoren in de Sportgezondheidszorg (SCAS), die voor maar liefst acht ton bij SBOS in het krijt stond. Ook de VSG was een bedrag aan de SBOS verschuldigd, maar dat ging om een relatief bescheiden tienduizend euro.

Volgens Esser betroffen de geldstromen tussen de sportartsenorganisaties onderling vooral salariskosten: er werd door de jonge, kleine, met elkaar verbonden clubs nogal eens personeel aan elkaar uitgeleend in de opbouwjaren, zonder dat er meteen voor werd afgerekend. En de ziekenhuizen stuurden hun opleidingsrekeningen volgens hem soms laat naar de SBOS, waardoor die uitgaven niet meteen gevoeld werden. Hij spreekt van een ‘heel ingewikkelde’ constructie aan de Professor Bronkhorstlaan. ‘Die organisaties woonden onder één dak, met één directeur en één betaalrekening. De governance was niet in orde. Er was onvoldoende controle op de uitgaven. De SBOS was pinautomaat voor de andere clubs.’

De SBOH stelde een aantal voorwaarden aan de lening, en één daarvan was dat de gezamenlijke directeur van SBOS, VSG en FSMI, Anja Bruinsma, zou vertrekken. Ook moest er worden bezuinigd op personeels-, huisvestings- en managementkosten. En door SBOH-directeur bedrijfsvoering Meindert van Rumpt als interim-directeur bij de SBOS neer te zetten, heeft de SBOH daar ‘een flinke vinger in de pap’.

Puinhopen

Van fraude was volgens Mazars geen sprake. Esser denkt dat de jonge geschiedenis van sportgeneeskunde meespeelt in het ontstaan van de puinhopen. ‘Er moest bijvoorbeeld een accreditatiesysteem komen om erkenning als specialisme te krijgen. Dat is opgetuigd waarbij de kost voor de baat is uitgegaan.’

De vorig jaar bij SBOS, VSG en FSMI vertrokken Anja Bruinsma was al tientallen jaren actief voor het overkoepelende Sportgeneeskunde Nederland. Bruinsma, op dit moment werkzaam als ad-interimdirecteur voor het Nederlands Genootschap voor Sportmassage (in hetzelfde Bilthovense pand als de sportartsen), laat weten dat ze is gebonden aan een geheimhoudingsafspraak die ze vorig jaar met SBOS, VGS en FSMI sloot.

Dat er onderling personeel werd uitgewisseld tussen de kleine sportartsenclubs ‘heeft ons een periode sterk gemaakt’, aldus Bruinsma, ‘maar ons uiteindelijk de das omgedaan.’ Dat financiële reddingsboei SBOH zich wel uitspreekt, neemt haar vrees voor haar boeteclausule niet weg. Het enige wat Bruinsma nog wil zeggen, is dat wat haar betreft niet zij, maar de verschillende besturen eindverantwoordelijk zijn geweest voor de ontstane financiële situatie.

Niet alleen de SBOS stond er slecht voor, ook de VSG was bijna failliet – iets wat volgens sportarts en hoogleraar Frank Backx, die sinds december voorlopig het VSG-voorzitterschap waarneemt, in september aan het licht kwam. Dat faillissement werd afgewenteld na ‘een fundraising onder onze leden’, aldus Backx. ‘We hebben anderhalve ton opgehaald en een betalingsregeling met schuldeisers kunnen treffen.’ De Federatie Medisch Specialisten laat weten door de VSG op de hoogte te zijn gesteld over de ‘ontstane situatie en hun stappen om de problemen op te lossen’.

Misère

Backx noemt ook de ‘verstrengeling’ van de sportartsenclubs als factor voor de ontstane misère. Hij spreekt van ‘verweven splinterpartijtjes met één directeur, die met de beste bedoelingen mensen uitleende aan elkaar en geld van de ene partij naar de andere doorzette’. ‘Die verstrengeling heeft toch te maken met dat het specialisme zo jong is. Niemand, ook niet bij het ministerie, wist wat je allemaal moest regelen om te worden erkend. Dat regelen heeft veel geld en energie gekost. Als kleine organisaties met een beperkt aantal werknemers, schoot je elkaar weleens te hulp en leende je wel eens personeel aan elkaar uit.’

Backx erkent dat boven die directeur besturen met eigen verantwoordelijkheden zaten. Besturen die blijkbaar ook niet opletten. Dat is volgens hem dan ook de reden dat zowel binnen de VSG als binnen FSMI nu eigen onderzoeken lopen naar hoe het zover heeft kunnen komen. Er wordt gesproken met alle mensen die de afgelopen tien jaar voorzitter of penningmeester waren. ‘Het is een opeenstapeling van jaren geweest’, aldus Backx. ‘We willen leren van de fouten, geen schuldigen aanwijzen.’

SBOH-bestuurder Esser staat niet echt te kijken van wat er is gebeurd. ‘Dat het zo uit de hand is gelopen is niet uniek. Het komt nu naar buiten; op zich gebeurt dit overal. Dokters en besturen gaan niet altijd goed samen.’

download dit artikel (pdf)

print dit artikel
Achter het nieuws
  • Ilse Kleijne

    Ilse Kleijne-Thoonsen is journalist bij Medisch Contact, met een focus op politiek en financiën.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.