Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
03 februari 2016 7 minuten leestijd

Sportartsen eindelijk erkend

Plaats een reactie

SPORTGENEESKUNDE

‘We moesten al die specialismen overtuigen van onze toegevoegde waarde’

Vanaf dit jaar vallen de diagnostiek en behandeling die sportartsen leveren onder de verzekerde zorg. Het duurde lang om dit te bereiken, vertellen hoogleraar sportgeneeskunde Frank Backx (UMCU) en Rhijn Visser, voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG).

Gefeliciteerd, het is eindelijk gelukt. Jullie zijn hier lang mee bezig geweest, toch?

Backx: ‘Absoluut. Het verhaal begon eigenlijk al in 1986, toen werden wij voor het eerst erkend door het College Sociale Geneeskunde (CSG). Destijds waren er nog drie verschillende colleges, en wij dachten dat we makkelijk konden overwippen naar het College Medisch Specialisten. Dat bleek een misvatting. Eind jaren negentig wilden we die overstap maken, en die poging strandde uiteindelijk, na een lange procedure bij het college, in 2002. Toen wees de Raad van State ons bezwaar af.’

Visser: ‘Maar we wilden het nog een keer proberen, en dat mondde in juli 2014 uit in erkenning als geneeskundig specialist.’

Waarom is dat zo belangrijk? Jullie hadden toch ook sociaal geneeskundigen kunnen blijven?

Visser: ‘Omdat we door de jaren heen veel meer curatief zijn gaan werken. We waren volgens het CSG niet meer herkenbaar als sociaal geneeskundigen. Veel sportartsen werken tegenwoordig in het ziekenhuis, als gelijken van andere medisch specialisten met wie we veel samenwerkten. Maar we konden niet zelfstandig dbc’s openen, of aanvullend onderzoek aanvragen. Het was een onduidelijke status, ook voor de patiënt. En we zaten niet in de basisverzekering.’

Backx: ‘Zo kwam het voor dat een patiënt die van ons een kniebrace voorgeschreven kreeg, die zelf moest betalen. Maar als de orthopeed een deur verderop het papiertje tekende, werd het wel vergoed.’

Maar patiënten kunnen ook niet zomaar meer naar jullie toe nu.

Backx: ‘Voor een keuring wel, maar voor andere diagnostiek en behandeling niet. Huisartsen zullen dus meer verzoeken gaan krijgen van patiënten en fysiotherapeuten om naar ons door te verwijzen.’

Rond de eeuwwisseling lukte het niet om erkenning te krijgen, waarom nu wel?

Visser: ‘We hebben lering getrokken uit die afwijzing. Destijds zijn we op een aantal punten, op het gebied van wetenschap en opleiding bijvoorbeeld, afgewezen. Daar hebben we hard aan gewerkt.’

Backx: ‘Doordat we de eigenheid van onze opleiding hebben vormgegeven, en zelf wetenschap bedrijven – onder meer door mijn aanstelling, als eerste eigen hoogleraar – hebben we ons domein afgebakend. Wij kunnen nu onze toegevoegde waarde ten opzichte van andere specialismen aantonen. We moeten ook het ministerie van VWS een pluim geven. Staatssecretaris Vliegenthart zag, nog tijdens die eerste ronde, de meerwaarde van sport-geneeskunde. Zij heeft in 1999 een rapport laten opstellen over de vraag waar op onderzoeksgebied de niches zaten. Dat heeft tot een ZonMw-programma geleid, waardoor onderzoeksgroepen van vijf universiteiten zijn gaan samenwerken om sport, beweging en gezondheid, inclusief sportgeneeskunde, beter te onderbouwen. Dat is van groot belang geweest. Bij de tweede poging werd er door het toen net opgerichte College Geneeskundige Specialismen (CGS) een adviescommissie gevormd om te bepalen of we aan tien objectieve criteria voldeden om een geneeskundig specialisme te worden. Daar zaten wij zelf in, maar ook een vertegenwoordiger vanuit de orthopedie, traumatologie, cardiologie, revalidatie-geneeskunde, huisartsgeneeskunde en sociale geneeskunde.’

Was het moeilijk om iedereen mee te krijgen?

Visser: ‘Dat ging inderdaad niet van een leien dakje. We moesten al die specialismen overtuigen van onze toegevoegde waarde ten opzichte van die andere 27 specialismen. Voornamelijk de orthopeden en cardiologen boden veel weerstand. Niet voor niets is de financiële paragraaf, waarin stond wat de mogelijke financiële gevolgen zouden zijn van erkenning, niet mee beoordeeld, we zijn puur op inhoud beoordeeld.’

Backx: ‘Dat laatste is essentieel geweest, want de opmerkingen die er kwamen, gingen vaak over geld. Maar goed, het is gelukt, na anderhalf jaar is er een positief advies van de commissie aan het College Geneeskundig Specialismen gekomen.’

Visser: ‘En dat heeft bepaald dat wij per 1 juli 2014 officieel erkend zijn als geneeskundig specialisme.’

Dat is niet hetzelfde als een medisch specialisme, toch?

Visser: ‘Klopt. Vroeger zaten er duidelijke schotten tussen sociaal geneeskundigen, medisch specialisten en huisartsen, maar die zijn ertussenuit gehaald. Nu zijn we allemaal geneeskundig specialist, maar de kaderbesluiten zijn nog niet aangepast. Dus hadden we een status, die geen status was. Aangezien het onbekend was hoe lang het zou duren voor het kaderbesluit zou worden aangepast, wilden wij ook erkenning als medisch specialisme. Dat is na nog meer gedoe gelukt, in november 2015.’

Worden jullie nu ook lid van de FMS?

Visser: ‘Ja, dat besluit is begin vorig jaar genomen. Dat was ook nog een verhaal, omdat we geen medisch, maar geneeskundig specialist waren. De onderliggende reden was natuurlijk budget en kwaliteitsgelden: er komt niet meer bij, dus wij eten uit dezelfde ruif mee.’

Het was dus een goedkope beslissing van de minister, om jullie te erkennen en zorg te vergoeden.

Visser: ‘Zeker. Wij moeten het in feite onderling uitvechten, in de ziekenhuizen.’

Jullie zien als een van de speerpunten voor sportartsen het tegengaan van gebrek aan beweging, maar het lijkt me dat jullie die inactieve groep juist niet zien. Jullie zien toch vooral mensen die al sporten?

Backx: ‘Nee, iedereen kan in principe bij ons terecht: van mensen bij wie we lichamelijke inactiviteit willen tegengaan en chronisch zieken tot topsporters. Ons imago is helaas nogal heterogeen: de een denkt aan een arts die op de bank zit bij PSV, de ander denkt aan een eenpitter die op een zolderkamer keuringen doet. Weer een ander ziet ons als slaafje van de orthopeed. Dat is lastig, want de huisarts weet niet goed welke patiënt hij kan verwijzen. Omdat we ook niet werden vergoed, koos hij bij een patiënt met een probleem van het houdings- of bewegingsapparaat steeds voor de orthopeed of de fysiotherapeut. We hoeven natuurlijk ook niet al die patiënten te zien, maar bij chronische overbelasting zijn wij de aangewezen persoon. De orthopeden en fysiotherapeuten weten dat al, omdat we daar nauw mee samenwerken. Als de orthopeed bij iemand met knieklachten een operatie niet opportuun vindt, zijn wij degenen naar wie hij verwijst, om de hele bewegingsketen te analyseren. Wij zijn echt complementair aan de orthopedie en geen concurrent.’

Waar verwijzen huisartsen nog te weinig bij?

Visser: ‘Vooral die groep met langer bestaande blessures waarbij de huisarts en de fysio er niet uitkomen. Maar het kan ook gaan om conditieproblemen, chronische vermoeidheid, of atypische pijn op de borst, waarvan de cardioloog niet weet wat hij ermee moet. Wij kunnen uitstekend zeggen waar dat conditie­gebrek zit: in de longen, het hart of de spieren. Wij zijn de experts op het gebied van inspanningsfysiologie, meer dan longartsen en cardiologen. En we kunnen er vervolgens een trainingsadvies aan vastplakken.’

Ook patiënten die niet sporten, maar last hebben van hun knie en daardoor minder kunnen bewegen?

Visser: ‘Ja. Niet iedere sportarts vindt dat, maar wij willen dat als vereniging wel uitdragen. Ik snap wel dat een collega die alleen met topsporters werkt daar minder mee heeft, maar dat is een minderheid.’

Maar die andere groep, met pijn op de borst, of vermoeidheid. Ik vraag me af of huisartsen dan naar jullie verwijzen. Waarom zouden ze?

Visser: ‘Omdat wij dat heel goed kunnen analyseren. Natuurlijk, als je denkt dat het cardiaal is, stuur je naar de cardioloog. Maar onbegrepen klachten, vermoeidheid die de internist, cardioloog en longarts niet kunnen doorgronden: wij onderzoeken of daar iets achter zit. Maar ook mensen met vermoeidheid na kanker, of door hartfalen kunnen wij helpen.’

Die kunnen toch naar de hartrevalidatie?

Visser: ‘Nou, ze moeten heel specifiek getraind worden, en cardiologen verwijzen daarvoor naar ons.’

Echt? Wat kunnen jullie dan dat zij niet kunnen?

Visser: ‘Echte inspanningsdiagnostiek hoort heel erg bij sportgeneeskunde. En vervolgens kunnen wij de juiste trainingsprikkels geven.’

Hebben jullie niet gewoon last van jullie naam?

Visser: ‘Ja, dat klopt wel een beetje.’

Jullie zouden bewegingsarts moeten heten.

Visser: ‘In de aanloop naar de erkenning hebben we daar een enorme discussie over gehad met onze leden. Sportarts bekt lekker, maar het dekt de lading inderdaad niet. Maar we konden geen betere naam vinden. In Engeland heet ons vak sports and exercise medicine, dat komt veel meer overeen met de inhoud.’

Een flink deel van de sportartsen werkt in de ziekenhuizen goed samen met andere specialismen, maar hoe zit het op een hoger niveau? Praten jullie mee over richtlijnen of wetenschappelijk onderzoek bijvoorbeeld?

Backx: ‘We worden steeds vaker gevraagd om mee te denken, als er een bewegingscomponent in zit. Bijvoorbeeld bij NHG-Standaarden.’

Visser: ‘Maar ook multidisciplinaire richtlijnen, zoals oncologie en hartrevalidatie. Wij doen onderzoek samen met oncologen. Dat was twintig jaar geleden ondenkbaar.’

Al dat gedoe om erkend te worden heeft dus wel wat opgeleverd.

Backx: ‘Ja, we hebben ons vak enorm ontwikkeld. Ik denk dat menigeen al was afgehaakt, maar die eerste afwijzing heeft alleen maar extra kracht opgeroepen. Dat is typerend voor topsporters, en ook voor sportartsen.’

Sportgeneeskunde in Nederland

In Nederland staan 139 sportartsen geregistreerd, en 27 aiossen. Zij werken in vijftig sportmedische instellingen, waarvan er zich achttien volledig in het ziekenhuis bevinden. Naast de sportartsen zijn er nog zo’n 250 andere artsen met interesse in het vakgebied lid van de Vereniging voor Sportgeneeskunde (VSG). Maar liefst één op de vijf sportartsen is gepromoveerd. De opleiding bestaat uit een jaar (sport)orthopedie, een jaar (sport)cardiologie/pulmonologie en twee jaar sportgeneeskunde. Daarnaast volgen de aiossen aparte modules.

De VSG beheert de site sportzorg.nl, waar veel informatie staat over blessures en preventie. De huisarts kan toegang krijgen tot een besloten gedeelte, waar informatie over verwijzen te vinden is.

Auteur

Sophie Broersen

s.broersen@medischcontact.nl | @sbroersen

Frank Backx, hoogleraar sportgeneeskunde. Beeld: Erik van 't Woud
Frank Backx, hoogleraar sportgeneeskunde. Beeld: Erik van 't Woud
Rhijn Visser, voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde. Beeld: Erik van 't Woud
Rhijn Visser, voorzitter van de Vereniging voor Sportgeneeskunde. Beeld: Erik van 't Woud
Lees ook:
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.