Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Mathijs Smit
11 september 2013 8 minuten leestijd
geschiedenis

Sarphati, armenarts met ambitie

Plaats een reactie

Door verbeteringen in hygiëne en voedselvoorziening en verhoging van de welvaart wist armenarts Samuel Sarphati (1813-1866) de Amsterdamse volksgezondheid structureel op een hoger peil te brengen. Maar hij verwaarloosde zijn werk als arts.

Dweilen met de kraan open. Voor de negentiende-eeuwse armenarts Samuel Sarphati was het al snel duidelijk. In individuele gevallen kon hij als arts van het joodse armenziekenhuis aan de Amsterdamse Rapenburgerstraat veel voor zijn patiënten betekenen. Maar vanwege de vaak erbarmelijke omstandigheden waarin zij leefden, kon hij geen structurele oplossingen bieden voor hun medische noden. Om de gezondheidstoestand van het arme bevolkingsdeel van de hoofdstad echt te verbeteren was meer nodig dan geneeskunde alleen. De razendsnelle ontwikkeling van wetenschap, techniek en industrie in zijn tijd brachten veel verbeteringen echter wel binnen handbereik.

Sarphati raakte gefascineerd door die kansen en ontpopte zich tot succesvol voorvechter van initiatieven op het gebied van onderwijs, vuilverwerking, voedselvoorziening, stadsuitbreiding, werkverschaffing en welvaartsverhoging. Uit de biografie van Sarphati die dit jaar ter gelegenheid van zijn tweehonderdste geboortejaar verscheen, rijst het beeld op van een buitengewoon vasthoudende arts vol baanbrekende ideeën. Ondanks de gemakzuchtige jansaliegeest in de vroege negentiende eeuw, de gebrekkige investeringsbereidheid van rijke Nederlanders en hardnekkige tegenwerking van wethouder van Openbare Werken James Teding van Berkhout (bijnaam: Treuzel van Berkhout) wist hij veel te bereiken.

Apothekersleerling

Sarphati werd in 1813 geboren als zoon van een redelijk bemiddelde orthodox-joodse Amsterdamse tabakshandelaar. Zijn vader deed Samuel op zijn 13de in de leer bij de apotheker Isaac Coronel, en arrangeerde daarbij dat hij op termijn diens dochter zou huwen en de zaak zou overnemen. Al vroeg echter bleek hoe eigenzinnig Sarphati was. Na een paar jaar wees hij zowel apotheek als dochter af, en vertrok naar Leiden om geneeskunde te gaan studeren.

Nadat hij was gepromoveerd op tuberculose en plantaardige verdovende middelen keerde Sarphati in 1839 als arts terug in Amsterdam. Daar ging hij als 27-jarige aan de slag bij het armenziekenhuis dat de Portugees-Israëlitische gemeente vijf jaar eerder had gesticht. Sarphati verdeelde het werk aanvankelijk met een andere dokter, en verdiende 250 gulden per jaar.

Als arts kon hij niet veel meer doen dan symptoombestrijding

In het bescheiden hospitaal werden niet alleen zieken behandeld, maar aanvankelijk ook oude vrouwen en krankzinnigen opgevangen. Daarnaast moest Sarphati zieke leden van de Portugees-joodse gemeente thuis bezoeken. Tijdens die bezoeken ondervond hij de ellendige leefomstandigheden van tienduizenden arme Amsterdammers aan den lijve. Zijn biografe Lydia Hagoort beschrijft de sloppen die zich achter de straten in de volksbuurten bevonden: plaatsjes waar zo’n tien gezinnen woonden in vervallen bouwsels. ‘Op het plaatsje lagen vuilnis- en mesthopen, waarop kinderen rondscharrelden op zoek naar eten. Een riool ontbrak, er was geen stromend water, wel rook, vocht, schimmel, modder, drek en stank. (…) Epidemieën als cholera en tyfus hadden in deze buurten vrij spel.’ Bij huisbezoeken aan dergelijke locaties realiseerde de joodse armenarts dat hij niet veel meer kon doen dan symptoombestrijding.

Stimulerende invloed

Dankzij zijn parttime functie bij het ziekenhuis kon Sarphati veel tijd besteden aan zijn nevenactiviteiten. Als student in Leiden was hij zich via het lidmaatschap van een aantal genootschappen bewust geworden van de revolutionaire ontwikkeling van wetenschap, technologie en industrie. Die stimulerende invloed zocht hij ook in Amsterdam door toe te treden tot praat- en leesclubs als het Chemisch Farmaceutisch Leesgezelschap en de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid.

Passief lidmaatschap was duidelijk niet zijn stijl. In 1842 nam hij het initiatief tot een landelijke fusie van scheikundige genootschappen tot de Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie. Sarphati zou bijna twee decennia als bestuurder bij deze voorloper van de huidige apothekersorganisatie KNMP betrokken blijven. Via de Maatschappij ter Bevordering van Nijverheid, waarvan hij ook bestuurder werd, stichtte hij in 1846 een Amsterdamse school die moderne kooplieden en industriëlen moest gaan opleiden. De beste manier om de immense armoede in de stad te bestrijden was immers een verhoging van de algehele welvaart.

Sarphati was er maar druk mee. Zo druk, dat hij zijn werk als arts begon te verwaarlozen. Dat blijkt ook uit de pittige briefwisseling met het ziekenhuisbestuur, waaruit Hagoort volop citeert. Keer op keer drongen de bestuurders aan op meer betrokkenheid bij het ziekenhuis en zijn patiënten. Even zo vaak beloofde Sarphati beterschap. Vlak voordat het bestuur hem uiteindelijk op straat wilde zetten, nam hij eind 1847 zelf ontslag.

Sarphati was er inmiddels van overtuigd geraakt dat hij de volksgezondheid in de stad op een betere manier kon dienen. Al een tijdje studeerde hij op mogelijkheden om stadsafval door scheikundige bewerking geschikter te maken als meststof. De stad Amsterdam betaalde destijds 35.000 gulden per jaar aan een particuliere vuilnisdienst. Volgens het businessplan dat Sarphati opstelde, kon de stad dat geld in de zak houden door de concessie aan een efficiëntere onderneming te geven. Daarnaast beloofde hij een betere verwijdering van het vuil, meer werkgelegenheid en betere bemesting van de landbouwgronden.

In de eerste plaats zou een betere vuilverwerking echter moeten bijdragen aan gezondere leefomstandigheden van de arme Amsterdammer. In een brief aan het stadsbestuur benadrukt Sarphati nog maar eens welke vernietigende gevolgen de gebrekkige verwijdering van uitwerpselen, huis- en straatvuil, markt- en slachthuisafval en dode dieren had voor de volksgezondheid. ‘De onreinheid en zedeloosheid, die daaruit voortspruit, gaan alle verbeelding te boven en worden een eerste bron dier ontelbare rampen welke de armen-artsen en allen die dikwerf de woningen onzer armen bezoeken gestadig waarnemen’, putte hij uit eigen ervaring.

Het stadsbestuur liet zich overtuigen. Nadat Sarphati genoeg startkapitaal bijeen had geschraapt, begon de gewezen armenarts in 1848 als directeur van zijn eigen afval- en mestbedrijf. Sarphati’s biografe erkent dat die niet uitgroeide tot de ‘zegenrijke onderneming’ die hij had beloofd. Stankoverlast van mestkarren, urinoirs en vuilnisbelten leidden tot aanhoudende botsingen met het stadsbestuur. Maar aan de andere kant verdween er daadwerkelijk veel meer vuil van de straten en uit de grachten. Dat leverde Sarphati veel krediet op.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding).
Zogenoemde Boldootkar. Bij gebrek aan een rioolstelsel wierpen veel Amsterdammers in de eerste helft van de 19e eeuw hun uitwerpselen en urine in de gracht, op straat of in beerputten. Deze onhygiënische praktijk werd teruggedrongen door de oprichting van een dagelijkse poepophaaldienst, die door Sarphati nog verder werd verbeterd. Sommige wijken waren tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw nog aangewezen op de Boldootkar, vernoemd naar een bekend eau de cologne merk.
Zogenoemde Boldootkar. Bij gebrek aan een rioolstelsel wierpen veel Amsterdammers in de eerste helft van de 19e eeuw hun uitwerpselen en urine in de gracht, op straat of in beerputten. Deze onhygiënische praktijk werd teruggedrongen door de oprichting van een dagelijkse poepophaaldienst, die door Sarphati nog verder werd verbeterd. Sommige wijken waren tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw nog aangewezen op de Boldootkar, vernoemd naar een bekend eau de cologne merk.


















Kruitvat

Het succes lijkt Sarphati te hebben aangespoord tot nieuwe projecten die de welvaart en het welzijn van de Amsterdammers zouden bevorderen. De vonk in het kruitvat was zijn bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Londen in 1851. In het Crystal Palace zag hij hoe beschamend ver Nederland op technologisch gebied bij veel Europese landen achterliep. Bij zijn terugkeer was hij vastberaden om zijn vaderland op te stoten in de vaart der volkeren.

In de zomer van 1852 richtte hij de Vereeniging voor Volksvlijt op. Dit negentiende-eeuwse Innovatieplatform wilde de Nederlandse industrie stimuleren door middel van publicaties, een bibliotheek, correspondentie met het buitenland en tentoonstellingen. Een jaar later nam Sarphati het initiatief tot de bouw van een tentoonstellingsgebouw aan de Amstel, op de plek van het huidige gebouw van de Nederlandsche Bank. Het zou nog tot 1864 duren voordat dit adembenemende Paleis voor Volksvlijt feestelijk kon worden geopend, maar het werd de kroon op zijn werk.

Intussen zat Sarphati niet stil. In 1856 stichtte hij de eerste meel- en broodfabriek van Amsterdam, die door industriële en hygiënische productie goedkoper en beter brood beschikbaar maakte. Dat betekende een wezenlijke verbetering in de voedselvoorziening van arme Amsterdammers, die eerder hooguit roggebrood of beschuit konden eten. In de reclame-uitingen kwam dr. Sarphati prominent in beeld, schrijft Hagoort. ‘Zijn doctorstitel verleende aan het brood een aura van gezondheid en degelijkheid.’ Van stadsvuil naar mest, van mest naar graan, en van graan naar brood; de cirkel was rond.

Sarphati’s plannen werden steeds groter en wilder. De lijst van initiatieven en besturen waarbij hij betrokken raakte, is te lang om op te noemen. Zo maakte hij in de jaren zestig vergaande plannen voor de eerste serieuze stadsuitbreiding van Amsterdam sinds de zeventiende eeuw. Rondom het Paleis voor Volksvlijt wilde hij een fraaie wijk laten verrijzen, met ruime woningen, parken en het chique Amstel Hotel. Ter ondersteuning van die plannen stichtte hij onder meer twee banken en een bouwbedrijf. In juni 1866, op het hoogtepunt van zijn activiteiten en ambities, overleed Sarphati echter plotseling na een kort ziekbed. Hij werd 53. Zonder zijn drijvende kracht werd maar een beperkt deel van zijn ambities bereikt.

'Hij was geen arts in hart en nieren'

In haar wat overcomplete biografie wijst Hagoort er onder meer op dat Sarphati niet de enige arts was die streefde naar structurele verbeteringen die de Nederlandse volksgezondheid op een hoger peil moesten brengen. In de jaren veertig van de negentiende eeuw legden deze geestverwante artsen de basis voor de beweging van de zogenoemde ‘hygiënisten’.

(Tekst gaat verder onder de afbeelding).

Toch kan Sarphati niet tot deze invloedrijke artsenbeweging worden gerekend, benadrukt zijn biografe. Zijn inspanningen waren vooral gericht op de verhoging van de welvaart en bestrijding van de armoede, maar vooral na zijn bezoek aan Londen in 1851 hadden ze een steeds indirecter effect op de volksgezondheid. Hagoort deinst er zelfs niet voor terug om Sarphati als dokter volledig te ontmythologiseren. ‘In de historische literatuur wordt vrijwel altijd met een bepaald ontzag geschreven over het feit dat Sarphati een arts was: een respectabel beroep. Het gaf hem een status, waarvan hij ook graag gebruik maakte.’ Maar volgens de biografie gaf het beroep hem weinig plezier, zoals onder meer blijkt uit de verwaarlozing van zijn ziekenhuispraktijk. ‘Hij was geen arts in hart en nieren.’

Sarphati's Amsterdam

1. Jodenbreestraat, opgegroeid in armoedige wijk.

2. Rapenburgerstraat, Portugees-Israëlitisch armen­ziekenhuis, werkzaam tussen 1840 en 1848.

3. Warmoesstraat, de eerste vestiging van de school voor aankomende kooplieden en industriëlen, geopend in 1846.

4. Nieuwendijk, eerste vergaderingen van de Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie, opgericht in 1842.

5. Roeterseiland, een van de vuilnisbelten van de ‘Maatschappij ter bevordering van Landontginning en landbouw’.

6. Einde van de Vijzelgracht, Broodfabriek, opgericht in 1856/’57.

7. Frederiksplein, Paleis voor Volksvlijt, geopend in 1864, afgebrand in 1929.

8. Sarphatipark, monument Samuel Sarphati, onthuld in 1886.

Samuel Sarpathi. Van Portugese armenarts tot Amsterdamse ondernemer, Lydia Hagoort, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 416 blz., 29,90 euro.
geschiedenis armoede
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.