Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Saskia de Maat; psychiater Frans de Jonghe; psychi
08 januari 2009 1 minuut leestijd

Pseudowetenschap (2)

Plaats een reactie

In zijn column ‘Pseudowetenschap’ (MC 47/2008: 1974) bespreekt Bonneux een meta-analyse van Leichsenring en Rabung (JAMA, 2008, 300: 1551-65). De meta-analyse is gebaseerd op 11 randomized controlled trials (RCT’s) en 12 observationele onderzoeken, en stelt de vraag naar de absolute en relatieve werkzaamheid van langdurige psychoanalytische therapie (LPT). De absolute (prepost) effectgrootten, die Bonneux niet vermeldt, zijn gebaseerd op 1053 LPT-patiënten uit de 23 onderzoeken. Zij spreiden tussen 0,78 en 1,98 en zijn dus alle groot te noemen. Ze blijven behouden bij follow-up. De auteurs vinden geen verschil tussen de RCT-resultaten en de resultaten van de observationele onderzoeken – een bevinding die al door anderen is gerapporteerd en die RCT-fanaten tot nadenken moet stemmen.


Bonneux richt zijn pijlen op de relatieve effectiviteit. Hij stelt dat er 800 controlepatiënten zijn verdwenen, maar die zijn er nooit geweest. Twaalf onderzoeken bevatten anders dan met LPT behandelde controlepatiënten. De auteurs excluderen er 4 vanwege het ontbreken van eindpuntmetingen, onvoldoende gegevens om effectgrootten te berekenen of te grote spreiding in het aantal zittingen. Hiermee vervallen 480 controlepatiënten en 360 LPT-patiënten.


Bonneux stelt dat er 4 studies zijn opgenomen in de gecontroleerde resultaten maar de relatieve werkzaamheid is gebaseerd op 8 onderzoeken (7 RCT’s en 1 observationeel onderzoek; 186 LPT-patiënten en 265 controlepatiënten). Zeven ervan betreffen complexe psychopathologie en hier spreiden de relatieve effectgrootten tussen 1,8 en 6,9. Bij een relatieve effectgrootte van 1,8 is de gemiddelde LPT-patiënt beter af dan 96 procent van de controlepatiënten.


Bonneux stelt dat cognitieve gedragstherapie in de controlegroep ontbreekt. Maar uit een tabel blijkt dat 91 van de 265 patiënten in de controlegroepen (34%) werden behandeld met (een vorm van) cognitieve gedragstherapie. Bonneux stelt dat de auteurs een correcte controle onmogelijk achten. Maar die stellen alleen dat een dubbelblind onderzoek bij psychotherapie, om voor de hand liggende redenen, niet mogelijk is. 

Baarn, november 2008

print dit artikel
gedragstherapie
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.