Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Wetenschap

Ouders betrekken op neonatale ic meetbaar zinvol

Plaats een reactie
getty images
getty images

Premature kinderen én hun ouders hebben er baat bij als de ouders op neonatale intensivecare-units (NICU’s) actief meehelpen bij de verzorging van hun kind. Dat blijkt uit vergelijkend onderzoek waarover Karel O’Brien e.a. in The Lancet Child and Adolescent Health publiceren. Enige vertekening van de resultaten valt echter niet uit te sluiten, zegt een commentator.

O’Brien e.a. voerden een clustergerandomiseerde trial uit, waaraan 26 NICU’s uit Canada, Nieuw-Zeeland en Australië meededen. Bij prematuren (geboren bij minder dan 33 weken zwangerschap) werd in de helft van de NICU’s aan de ouders gevraagd of zij mee wilden en konden doen aan zogenaamde Family Integrated Care (FICare). Dat hield in dat zij een groot deel van de verzorging op zich namen, een groot deel van de medische handelingen uitvoerden en bij visites aanwezig waren. Zij moest minimaal vijf dagen per week, zes uur per dag aanwezig zijn, gedurende minimaal drie weken. Ook moesten zij educatieve bijeenkomsten bijwonen. In de andere helft van de deelnemende centra kregen ouders deze keuze niet. Van de deelnemers in de FICare-groep voldeden er 1789 aan de inclusiecriteria, waarvan er 894 niet meededen. In de andere groep ging het respectievelijk om 969 en 155 deelnemers.

Drie weken na aanvang bleek de gemiddelde gewichtstoename per dag groter bij de kinderen in de FICare-groep  (26,7 versus 24,8 gram). Ook na correctie voor verschillen bij aanvang bleef het verschil significant. De stress- en angstscores waren wat lager bij de ouders in de FICare-groep, en er was vaker sprake van volledige borstvoeding. Wat betreft mortaliteit, ernstige morbiditeit, opnameduur en duur van beademing waren er geen verschillen.

Mooie resultaten, die commentator Chris Gale wel wat nuanceert: de ouders die meededen aan de FICare moesten veel tijd (kunnen) steken in de verzorging. Daardoor verschillen de twee groepen mogelijk aanzienlijk, op manieren waarvoor niet volledig te corrigeren valt. Ook met betrekking tot de verschillen in borstvoeding is hij kritisch: het aantal vrouwen dat de vragenlijst hierover invulde was in de FICare-groep lager dan in de controlegroep (60 versus 89%). Mogelijk waren vrouwen die gestopt waren in die FICare-groep minder gemotiveerd om te vertellen dat ze gestopt waren, door de nadruk die daarop was gelegd.

Lancet Child Adolesc Health 2018. Doi: 10.1016/S2352-4642(18)30039-7 en 10.1016/S2352-4642(18)30038-5

Les ook:

print dit artikel
Wetenschap kindergeneeskunde
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.