Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws

'Ook bedorven water lest de dorst'

Plaats een reactie

Interview Manon Uphoff

Aan de binnenkant zijn we allemaal gelijk. Dat is een troostend idee, vindt schrijfster Manon Uphoff. Ze zou willen dat mensen zich meer bewust waren van het vergankelijke, het aardse van hun bestaan. ‘Van het genot van dikke zwarte modder tussen je tenen, van knisperend zand onder je nagels.’

Henk Maassen

‘De kinderen staan bij de tafel, de sterretjes in hun hand en wachten tot de vader de lucifers heeft aangestreken. Druppels wit en strepen en flitsen van zilver spatten van de stokjes af met een geknetter als water in olie. Als je de stokjes snel ronddraait, kun je er in de lucht brandende cirkels en ellipsen mee trekken. Met de armen voor zich uitgestrekt, tot ver boven het tafelkleed, volgen de kinderen de gloeiende punten die oranjegeel over de staafjes trekken.

Er spatten vonken op het kleed. “Niks aan de hand”, zegt vader. “Dat is koudvuur, daar kun je je niet aan branden.”’

Manon Uphoff beschrijft het decembertafereel in het begin van haar roman Koudvuur.

Een mooi beeld: want koudvuur bestaat niet. Het vuur ontspringt aan een kern die wel degelijk gloeiend heet is en dus gevaarlijk. In het gezin staat die hete kern voor de mix van verdriet en frustratie bij de ouders – er is een kind verongelukt, het huwelijk kent grote hoogte- en dieptepunten – die zij en de grote kinderschare steeds weer trachten uit de weg te gaan. Maar dat is tot mislukken gedoemd. Want koudvuur is ook een ziekte. Een ziekte die niet meer te stoppen is. Anders gezegd: wat er in dat gezin is gebeurd (en blijft gebeuren), zal geen van de gezinsleden ooit nog van zich af kunnen zetten. In de filosofie van Uphoff is het onzinnig, ja onmogelijk om ‘op zijn Amerikaans’ alles wat je gemaakt heeft tot wie je bent van je af te werpen, je af te zonderen en opnieuw te beginnen.


Zintuiglijk

Die wat oudere vader komt vaker voor in haar werk. Net als de gehandicapte broer, het literair begaafde meisje, of de kettingrokende moeder met longproblemen, die enige tijd in een sanatorium doorbrengt. Om letterlijk op adem te komen: schone lucht, schone longen.

In Koudvuur beschrijft ze de instelling als ‘een groot wit pand midden in de dennenbossen.’ Als de moeder het pakje sigaretten ziet dat haar man heeft verstopt in wat ondergoed, knapt ze zienderogen op en zegt dat de problemen met haar longen niets te maken hebben met roken en dat haar ademnood het gevolg is van astmatische bronchitis.

In een essay, De poëzie van de kleine kwaal, vertelt Uphoff hoezeer al haar broers en zusters bedreven waren in het geven van precieze omschrijvingen van lichamelijke kwalen en vooral kwaaltjes. ‘Het draaide niet alleen om de pijnen, een kwaaltje op zichzelf, maar ook om de fraaiste omschrijving, de nauwkeurige benadering, de beste verwoording van een fysieke sensatie. Door accent te leggen op wat er met jou aan de hand was, kon je de aandacht op jezelf vestigen.’

Het verklaart waarom Manon Uphoff van alle hedendaagse Nederlandse schrijvers, zeker in haar verhalen, één van de meest zintuiglijke is. Ze schrijft over mensen die zich willen ‘verliezen’, die zich willen uitleveren aan krachten die ze zelf niet in de hand hebben, zoals pijn, geweld, ziekte, maar ook liefde, seks en erotiek. Of het nu gaat om begeerte en gemis, wat mensen in elkaar aantrekt én afstoot, of om verlangens die vaak krachtiger zijn dan de mens zelf, huiveren en genieten liggen vaak dicht bij elkaar in haar verhalen.


Gemankeerde arts

Ze schenkt, zegt ze, ‘slobberkoffie’. Ze bedoelt: oploskoffie. ‘Drink ik al sinds mijn studententijd.’ In haar hoge, lichte kamer zitten we aan een lange tafel.

‘Ik kom’, vertelt ze, ‘uit zo’n groot gezin dat het onmogelijk was om je aan het menselijk lichaam te onttrekken. Je hebt misschien gezinnen waar iedereen cerebraal met elkaar omgaat, waar weinig fysiek contact is. Maar bij ons zag, rook, voelde en hoorde je altijd alles.’

Ze noemt zichzelf misschien wel daarom een gemankeerde arts. Het boek dat ze twee jaar geleden schreef, Het moet eten, ademhalen, slapen. Het menselijk lichaam volgens Manon Uphoff opent zelfs met die ‘bekentenis’. Ze is behept met ‘een eeuwige fascinatie voor het lichaam en de processen die het ondergaat, de organisatie waaruit het bestaat, het organisme dat het is, en de organismen die het doortrekken en mede bevolken’. Wel met deze clausule, zegt ze: ‘Een dokter die mensen wil genezen, zou ik nooit kunnen zijn. Ik val al flauw bij het zien van nepbloed.’

In Koudvuur staat een passage waarin de vader The Concise Gray’s Anatomy van de plank haalt en zijn kinderen afbeeldingen van het inwendige van de mens laat zien. En hij zegt dan: ‘Dit zit aan de binnenkant van iedereen’.


Een autobiografisch gegeven?

‘Mijn vader was beeldend kunstenaar, hij had een grote interesse voor het menselijk lichaam. Hij schilderde veel en graag naakten. Een broertje van me, dat ik nooit heb gekend, is op 6-jarige leeftijd overreden door een betonmolen. Mijn vader heeft hem moeten identificeren. Hij heeft toen de binnenkant van zijn lichaam gezien, zou je kunnen zeggen. Voor mijn vader was dat een van de rampzaligste, verschrikkelijkste ervaringen in zijn leven. Hij refereerde er wel eens aan, zijns ondanks, ontroerd en beangstigd door onze “heelheid”. Dat heb ik in die passage gebruikt.’

‘Al die beelden lieten zien dat het niet
nodig is om je
te onderscheiden
van anderen’



Ze vertelt dat ze in het voorjaar van 2008 in Barcelona de tentoonstelling Bodies ... the exhibition bezocht, waar twintig opengewerkte en gefixeerde lichamen te zien waren. Alsof ze die beelden nog voor zich ziet, zegt ze: ‘Daar zag ik de binnenkant van iedereen.’ In Nederland had ze dezelfde expositie aan zich voorbij laten gaan, want ‘te gruwelijk’. Ze durfde het in Barcelona wel aan en de ervaring was weldadig: ‘Ik vond het ongelooflijk mooi, geruststellend en kalmerend. Omdat al die beelden lieten zien dat het niet nodig is om je te onderscheiden van een ander. Ik ben opgegroeid in een tijdperk en een land waar het je onderscheiden als individu het hoogste goed is. Dat het akelig zou zijn als we erg veel op anderen lijken. Daar ben ik anders over gaan denken. Al die gelijke binnenkanten: ze waren een troostend inzicht. De ander is gelijk aan mij; dat heft de grens tussen mij en de ander in zekere zin op.’


Dat het allemaal doden waren, was geen bezwaar?

‘Ook dat vond ik een geruststellend idee. Als wij geconfronteerd worden met dode lichamen zien we ze in een proces van ontbinding. Deze lichamen waren puntgaaf, droog, en als het ware versteend. Je keek ernaar zoals ze van binnen zouden zijn als ze nog hadden geleefd. Wat zitten we goed georganiseerd in elkaar, dacht ik toen. Een esthetische, troostende ervaring.’

Maar waar die ‘esthetische ervaring’ holistische trekken krijgt, loopt ze uit op kitsch. Het idee dat niet alleen het menselijk lichaam fraai in elkaar steekt, maar domweg alles met elkaar samenhangt, is niet aan haar besteedt. Misprijzend: ‘Het is gevaarlijk. Niets gebeurt zonder reden, heet het dan. Het is een kwestie van goed afstemmen op de grote klankschalen van de kosmos.’

In Het moet eten, ademhalen, slapen... schrijft ze: ‘In de naïeve holistische visie verandert de westerse geneeskunde in een kale steppe waar enkelen de papiertjes van onze genen uit de fortune cookies van ons DNA uitrollen en in een mantra alvast onze ziektetoekomst opdreunen. Aan de andere kant ligt het sprookjesachtige, met mistvlagen benevelde grasveldje te glanzen in het maanlicht. Alles is één, jij, de kosmos. Nog een paar stapjes opzij en daar staan oude en moderne heksen in innige omhelzing gebogen over een emmertje vette bloedzuigers, maakt men zich klaar voor het aderlaten, zijn in zwart geklede mannetjes druk bezig met het afremmen van wandelende baarmoeders.’

Het is allemaal onzin, want we leven niet meer in de late middeleeuwen van Paracelsus die alles wat zich op macroschaal in de hemel afspeelt, weerspiegeld zag in de microkosmos van het lichaam. Of ten tijde van de oude Grieken, die de eenheid van alles terugzagen in de elementen aarde, water, vuur en lucht: de bouwstenen van het universum.

Toch is de zucht om orde te willen zien, waar die niet of onkenbaar is, onuitroeibaar. Aan het slot van het prachtige verhaal Waterwaterwater zegt de vertelster dat ze nu zo oud is als haar vader toen die ‘richting de diepte in de zee verdween’. Haar vader vertelde haar veel wonderlijke verhalen over water, nu is het verhaal over zijn verdrinkingsdood het verhaal dat ze het beste kent en aan iedereen vertelt. Hij viel van een booreiland: ‘Het universum onveranderd en onbewogen achterlatend, als Icarus op het schilderij van Breughel...’ Ze vindt troost in het vermoeden van een ontzagwekkende orde in dat universum, ‘zelfs al liggen de stukken nog als scherven over en door elkaar, en nog denkend dat het mogelijk is, voor mij – voor ons allemaal – om die orde te achterhalen.’


Het verhaal zegt ook: water lijkt zo zuiver, maar is het niet.

‘Van alles wat ons kan bedriegen, is water het meest bedrieglijk, ook het meest verleidelijk en verraderlijk. Ik bedoel: bedorven water lest nog steeds de dorst. Als de zon schijnt op haar oppervlakte ziet water eruit alsof niets zo zuiver en puur kan zijn. Terwijl het, verborgen in die transparante vloeistof, kan wemelen van de virussen en ziektekiemen die ons kunnen vergiftigen en ziek kunnen maken. Overigens in tegenstelling tot aarde. Dat vinden we vooral vies. Het genot van dikke zwarte modder tussen je tenen, van knisperend zand onder je nagels – we vinden het te vuil.’

‘Aarde vinden we vooral vies’ 

‘Bijna ziekelijke ideeën over hygiëne’, overgewaaid uit de VS, hebben van de westerse mens volgens Manon Uphoff een zwaar geboend en gepoetst, volledig haarloos en ‘in alle holtes van intiemspray doortrokken kleurloos en geurloos wezen’ gemaakt. ‘Vooral kinderen worden te veel beschermd. Hun omgeving moet gegarandeerd bacterievrij zijn. Vandaar ook al die allergieën op latere leeftijd. Misschien hebben we in dat opzicht in westerse landen wel een voorkeur voor lucht en vuur. Dat zijn de “schonere” elementen.’

Zo’n hyperzuivere, bijna lichaamloze staat, pure geest zou je ook kunnen zeggen – die is haar niet onbekend. Ze is er zelf, toen ze aan anorexia leed, ‘een tijdje heel actief mee bezig geweest’. ‘Ik wil er niet te lang bij stilstaan, want die periode was vrij saai – alle intellectuele uitdagingen vielen weg in het diepe gat dat de uithongering sloeg in mijn denken en voelen.’ En paradoxaal genoeg was het een bestaan waarin vooral het lichaam en de zintuigen alle aandacht opeisten. Terwijl ze daar nu juist vanaf wilde: ‘Alle geluiden waren even sterk. Vaak dicht tegen het hallucineren aan. Mijn hoofd kon uit elkaar spatten als iemand in een kopje roerde. Alsof ik binnen in een kerkklok zat.’

Nu ziet Uphoff dat totaal anders. Ze zou willen dat mensen zich meer bewust waren van het organische, het vergankelijke, het aardse van hun bestaan. Ze zegt: ‘We ervaren onszelf weliswaar als een geheel, een eenheid, maar we zijn veel minder individuen dan we denken. Misschien is het wel net zo logisch om al dat gewemel en gekrioel van cellen, bacteriën en andere microben dat in onderlinge samenwerking mijn lichaam vormt, te zien als een massa of als een horde. Eigenlijk zouden we in meervoud over onszelf moeten spreken.’



Levensloop Manon Uphoff

Manon Uphoff (1962) is geboren in Utrecht als ‘nummer elf’ in een groot gezin. Haar vader heeft dan al vijf kinderen uit een eerder huwelijk, haar moeder twee, en samen krijgen ze er nog vijf. Ze studeerde Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Utrecht.

Ze publiceerde onder andere de roman Gemis (1997), de essaybundel Hij zegt dat ik niet dansen kan (2000), de novelle De vanger (2002), de bundel Alle verhalen (2003), de roman Koudvuur (2005), een aangevulde editie van haar verzamelde verhalen Schaduwvlammen (2007) en de roman De spelers (2009). In dat zelfde jaar verscheen Het moet eten, ademhalen, slapen, een door een reeks Chinese school- en voorlichtingsplaten geïnspireerde verhandeling over het menselijk lichaam.

Volgend jaar zal ze in navolging van onder anderen Anna Enquist (anesthesiologie) en Bert Keizer (neurochirurgie) als writer in residence enige tijd doorbrengen in het VUmc, waarschijnlijk op de afdeling Pathologie.

Manon Uphoff woont in Utrecht en heeft een dochter.

Zie ook: www.manonuphoff.nl



PDF van dit artikel


Naar de inhoud van de eindejaarsglossy over de Elementen »»

Beeld: Herman van Gestel
Beeld: Herman van Gestel
Beeld: Herman van Gestel
Beeld: Herman van Gestel
Beeld: Herman van Gestel
Beeld: Herman van Gestel
  • Henk Maassen

    Henk Maassen (1958) is journalist bij Medisch Contact, met speciale belangstelling voor psychiatrie en neurowetenschappen, sociale geneeskunde en economie van de gezondheidszorg.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.