Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
mr. W.P. Rijksen B.V.M. Crul - arts
27 mei 2009 6 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Ooglidcorrectie met dramatisch gevolg

Plaats een reactie

Terwijl klaagster in onderstaande uitspraak met een verfraaid uiterlijk en mogelijk minder belemmerde visus de kliniek van de plastisch chirurg had willen verlaten, gebeurde het omgekeerde. De visus van haar rechteroog daalde naar nul, met ontsierende littekens rond datzelfde oog. Dat kwam door een zeer ernstige cellulitis orbitae met abcesvorming van het rechterbovenooglid en compressie van de nervus opticus.

Dát er een complicatie kon ontstaan, was niet zozeer het verwijt, maar wel de mate van alertheid die de plastisch chirurg in het natraject aan de dag had gelegd. Hij had door grondiger anamnese en onderzoek de potentiële ernst van de situatie moeten onderkennen en met spoed naar een oogarts moeten doorverwijzen. Ook wat betreft de verslaglegging was hij geen voorbeeld voor u. Toen het leed eenmaal was geschied, heeft de arts gelukkig nog wel regelmatig contact gezocht met de latere klaagster.

Het weerhield het tuchtcollege echter niet ervan om zijn nalaten van handelen ‘in hoge mate verwijtbaar’ te noemen en het legde hem de maatregel van berisping op. De ontsierende littekens werden daarbij nog niet eens meegewogen.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven d.d. 22 december 2008

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 3 juni 2008 binnengekomen klacht van A, wonende te B, klaagster, gemachtigde mr. I. Goedings te Ede, tegen C, plastisch chirurg, werkzaam te D, wonende te E, verweerder.

1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van het klaagschrift, het verweerschrift, de repliek, de dupliek en de foto’s.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hun geboden mogelijkheid in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.
De klacht is ter openbare zitting van 10 november 2008 behandeld. Verweerder en de gemachtigde van klaagster waren aanwezig. Klaagster zelf was afwezig.

2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende:
Klaagster heeft op 17 december 2007 door verweerder in diens kliniek te D beiderzijds een boven- en onderooglidcorrectie laten uitvoeren.
Op 24 december 2007 werd zij ter controle gezien. De hechtingen zijn toen verwijderd; er waren geen complicaties.
Op 25 december 2007 werd verweerder gebeld door de vriend van klaagster; zij had pijn aan en een zwelling van het rechterooglid. Verweerder adviseerde haar ibuprofen, dat zij in huis had, te nemen. Er werd een afspraak gemaakt voor de volgende ochtend, om 10.30 uur in de kliniek te D.

Die ochtend belde haar vriend opnieuw om de afspraak af te zeggen. De vorige avond waren ze bij de huisarts geweest, die vanwege een mogelijke infectie pijnstillers en antibiotica had voorgeschreven.

Op 28 december 2007 is klaagster door verweerder gezien in de F-kliniek te G. Het rechteroog was (nog steeds) gezwollen bij het rechterbovenooglid. Klaagster gaf aan dat ze niet kon zien met het rechteroog. Verweerder heeft de wondrand schoongemaakt. Bij onderzoek was het oog niet te openen, passief noch actief. Verweerder heeft niet overwogen haar te verwijzen naar een oogarts. Wel heeft hij die avond overleg gehad met een collega-plastisch-chirurg.

Op 29 december 2007 heeft klaagster de huisartsenpost bezocht. Daarna is een CT-scan gemaakt en is klaagster verwezen naar de oogarts. In het ziekenhuis is een MRI-scan gemaakt. Het bleek dat sprake was van een zeer ernstige cellulitis orbitae rechts met abcesvorming van het rechterbovenooglid. De visus was 0. Deze visus is niet teruggekeerd.

3. Het standpunt van klaagster en de klacht
De klacht houdt, naar het college begrijpt, in dat de nazorg door verweerder niet adequaat is geweest. Verder heeft klaagster door toedoen van verweerder littekens rond het oog opgelopen die ontsierend zijn. Ten slotte is zij van mening dat verweerder haar vooraf onvoldoende heeft geïnformeerd over de risico’s.

4. Het standpunt van verweerder
Op 25 december 2007 heeft de vriend van klaagster gebeld in verband met pijnklachten aan het rechteroog. Verweerder heeft zelf niet met klaagster gesproken. Er werd een afspraak gemaakt voor de volgende ochtend op de kliniek van verweerder. Die ochtend zegde de vriend de afspraak telefonisch af; ze waren bij de huisartsenpost geweest, waar pijnstillers en antibiotica waren voorgeschreven.

Op 28 december 2007 heeft verweerder klaagster op zijn avondspreekuur in G gezien. Klaagster kwam lachend binnen en gaf aan dat het al beter ging. Ze zei dat ze niet kon zien met het rechteroog. Bij onderzoek was het oog niet te openen. De wondrand is schoongemaakt en verweerder heeft getracht te spoelen. Er kwam geen pus uit de wond. Omdat de antibiotica al waren gestart en klaagster aangaf dat het beter ging, heeft verweerder helaas niet overwogen haar te verwijzen naar een oogarts. Wel heeft hij die avond overleg gehad met een collega- plastisch-chirurg uit het ziekenhuis te H. Er is dus wel aandacht aan geschonken, maar helaas achteraf geredeneerd niet de juiste.

Tijdens klaagsters ziekenhuisopname heeft verweerder haar een aantal malen gebeld en is haar gaan bezoeken. Ook na haar ontslag heeft hij haar nog één keer thuis gebeld en haar gesproken. Verweerder heeft alles gemeld bij zijn verzekeraar.

5. De overwegingen van het college

De nazorg
Verweerder heeft al op 25 december onvoldoende aandacht gehad voor de telefonisch aan hem kenbaar gemaakte klachten aan het rechteroog. Met name de anamnese is onvoldoende. Uit het medisch dossier blijkt niet meer dan dat verweerder van de vriend van klaagster heeft vernomen: ‘zij heeft pijn, dik en rood rechts’. Het had toen al op de weg van verweerder gelegen om in de eerste plaats te vragen met klaagster zelf te mogen spreken en haar nadere vragen te stellen over de omvang en aard van de klachten. Het feit dat er slechts aan één oog klachten waren, had hem extra alert moeten maken, met name op beginnende ontstekingsklachten. Hij had niet mogen volstaan met het maken van een afspraak voor de volgende dag.

Hetgeen het college verweerder het meest aanrekent, is echter zijn handelen, of beter gezegd nalaten, op 28 december. Klaagster kwam op die dag bij hem in de kliniek en gaf aan dat zij niet kon zien met het rechteroog, zoals verweerder zelf stelt. Deze – zeer belangrijke – mededeling vermeldde verweerder ten onrechte niet in zijn medisch dossier. Uit dit dossier blijkt overigens ook niet van enige verdere anamnese.

Op dat moment had het verweerder duidelijk moeten zijn dat sprake kon zijn van een eenzijdige ontsteking. Hij had zich moeten realiseren dat een ontstekingsreactie in dit deel van het aangezicht zeer snel en ernstig kon verlopen. Terwijl verweerder ervoor had moeten zorgen dat klaagster onmiddellijk werd gezien door een oogarts, heeft hij aan het consult geen enkel vervolg gegeven. Ook al had hij de achteraf gebleken cellulitis orbitae met nervus opticus compressie niet behoeven te herkennen, hij had wel het risico van acuut gevaar moeten onderkennen. Hij kan zich niet beroepen op het feit dat hij geen abces zag; het abces kan namelijk nog verkeren in het stadium van een infiltraat, hetgeen geen bewijs is dat er geen infectie aanwezig is.

Verweerder is derhalve in zijn nazorg jegens klaagster tekortgeschoten.

Dit onderdeel van de klacht is gegrond.

De littekens
Dat klaagster door de tekortkoming van verweerder littekens onder het oog heeft opgelopen, die ontsierend zijn, heeft klaagster niet onderbouwd. Daarom zal dit onderdeel van de klacht worden afgewezen.

De informatie
Datzelfde geldt voor de klacht dat verweerder onvoldoende informatie over de risico’s zou hebben verschaft. Op de gemotiveerde en concrete betwisting van deze stelling door verweerder heeft klaagster niet, althans onvoldoende gemotiveerd, gereageerd.

De maatregel
De wijze waarop verweerder in zijn nazorg is tekortgeschoten, acht het college in hoge mate verwijtbaar. Gelet op de ernst van de tekortkoming acht het college de maatregel van berisping passend.
Het college zal deze beslissing ter publicatie aanbieden aan Medisch Contact.

6. De beslissing

Het college:

- verklaart de klacht met betrekking tot de nazorg gegrond en legt verweerder terzake op de maatregel van berisping;

- wijst de klacht voor het overige af.

Aldus gewezen door mr. H.P.H. van Griensven, voorzitter, mr. W.E.M. Duynstee-Bijvoet, lid-jurist, dr. J.
Wever, dr. P.M. Netten en M. Rol, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van mr. J.C. Out, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2008 in aanwezigheid van de secretaris.

PDF van dit artikel
print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.