Laatste nieuws
Jim van Os
10 minuten leestijd
medicatie

Medicatieafbouw gaat nog veel te vaak verkeerd

Richtlijnen bieden behandelaars te weinig houvast

7 reacties
Getty Images
Getty Images

Ten minste drie tuchtzaken laten zien dat medicatieafbouw dramatisch kan aflopen en de noodzaak van taperingstrips onvoldoende wordt beseft. Het topje van de ijsberg, zeggen Peter Groot en Jim van Os, die vinden dat we hier nu eindelijk eens lering uit moeten trekken.

In 2012 werd in Medisch Contact om nieuwe richtlijnen voor afbouw van antidepressiva gevraagd (MC 50/2012: 2844). Wereldwijd hadden patiënten al vele jaren gezocht naar oplossingen hiervoor en gevraagd om betere manieren om dat veilig te kunnen doen. Wie verwacht dat er in 2021 dan wel zo’n richtlijn zal zijn, komt bedrogen uit. Daarvoor is eerst kostbaar RCT-onderzoek nodig. NVvP, NHG, MIND en andere partijen steunen dit onderzoek, maar daarmee moet nog worden gestart, wat betekent dat het niet voor 2028 zal zijn afgerond.1 Als voor medicijnen zoals anti­psychotica, benzodiazepines en opioïde pijnstillers ook de resultaten van (nieuw) onderzoek moeten worden afgewacht, dan zullen praktisch uitvoerbare en door wetenschap onderbouwde richtlijnen voor afbouw van deze middelen in dit decennium het licht niet gaan zien.

In de bestaande richtlijnen en bijsluiters van medicijnen staat vaak wel iets over afbouwen maar dat is kort, algemeen, en niet concreet. Wat er zo ongeveer staat is dat behandelaars, wanneer afbouwen voor de patiënt te snel gaat – als de patiënt klachten krijgt – de patiënt geleidelijker moeten laten afbouwen. Wat dat concreet betekent en hoe dat moet, wordt meestal niet concreet gemaakt en als dat wel gebeurt, dan is wat er staat niet onderbouwd en praktisch niet uitvoerbaar. Het gevolg hiervan is dat behandelaars het in de praktijk zelf maar moeten uitzoeken of dat ze, zoals bij anti­depressiva, patiënten gewoon maar door laten gebruiken, zonder dat duidelijk is of dat zinvol en nodig is.

De doseringen die nodig zijn om geleidelijk af te bouwen bestaan niet

Niet op zichzelf

Praktisch uitvoerbare en wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen zijn dus hard nodig. Het is niet toevallig dat in de twee hier beschreven tuchtzaken (zie beide kaders) de behandelaars zich te weinig rekenschap gaven van de consequenties van het te langdurig en in te hoge dosering gebruikte lithium en venlafaxine.

De behandelaars hadden zich onvoldoende gerealiseerd hoe ernstig de gevolgen van abrupt stoppen of te snel afbouwen konden zijn. Ze hadden niet genoeg aandacht gehad voor, of kennis gehad over, de gevaren die onttrekkingsverschijnselen met zich mee kunnen brengen. Deze zaken staan niet op zichzelf: er zijn veel meer behandelaars die er moeite mee hebben om patiënten bij het afbouwen goed te begeleiden, omdat de huidige vage, niet uitvoerbare en niet onderbouwde richtlijnen en medicatiebijsluiters hun hiervoor onvoldoende steun bieden en omdat speciale lage doseringen – die nodig zijn voor geleidelijk en wetenschappelijk onderbouwd afbouwen – niet vergoed worden.

Zo stonden vergelijkbare problemen ook centraal in een derde tuchtzaak, namelijk over het te lang voorschrijven en te abrupt beëindigen van temazepam, die al eerder in Medisch Contact werd besproken (MC 08/2019: 34).

Wij zijn ervan overtuigd dat deze drie zaken slechts een topje van de ijsberg laten zien, omdat dergelijke situaties in de meeste gevallen – gelukkig – niet tot een tuchtzaak leiden.

Casus: Onzorgvuldige afbouw van lithium en opbouw van Depakine5

De weduwe van een in september 2018 op 75-jarige leeftijd overleden man verwijt verpleegkundige dat die haar man, die al lange tijd psychiatrische problemen had, te snel had laten stoppen met de lithium die hij al 45 jaar gebruikte. Omdat de lithiumspiegel in mei 2017 boven de normale waarde lag en de nierfunctie was verminderd, verlaagde zij de lithium van 600 naar 400 mg. Toen in juni de waarde nog steeds afwijkend was adviseerde de geraadpleegde geriater om de lithium af te bouwen, het toestandsbeeld goed te monitoren en Depakine (valproïnezuur) op te bouwen.

Verpleegkundige verlaagde hierop de lithium naar 200 en in juli naar 100 mg. Op 6 augustus meldde klaagster aan de crisisdienst dat haar man angstig en ontremd was. De crisisdienst bepleitte 20 mg diazepam en adviseerde om contact op te nemen met de verpleegkundige. Die stelde een dag later een ontremd toestandsbeeld en maniforme ontregeling vast. Dagelijks contact werd afgesproken en in overleg met de psychiater, die het medicatiebeleid overnam, werd gestart met 300 mg Depakine, 25 mg quetiapine en voor het slapen 10 mg Cisordinol. Een dag later volgde gedwongen opname (ibs) in een psychiatrische instelling en werd de psychiater regiebehandelaar. De patiënt werd zo ontregeld dat hij in een manisch-psychotische episode raakte, die uiteindelijk overging in een katatonie. Volgens klaagster leidde dit tot ernstige lichamelijke achteruitgang die haar man, die een jaar later overleed, niet meer te boven is gekomen.

Het tuchtcollege wijst op de richtlijn Lithium bij bipolaire stoornissen, waarin staat dat ‘ouderen kwetsbaarder zijn voor bijwerkingen als gevolg van veranderde farmacokinetiek en -dynamiek en inter­acties met andere medicijnen’ en oordeelt dat verpleeg­kundige ‘zich onvoldoende heeft vergewist van de gevolgen van het afbouwen van lithium zonder dat er een goed opbouwschema was voor Depakine bij een patiënt met een ernstige bipolaire stoornis’; dat ze ‘heeft verzuimd om de familie van de patiënt bij de behandeling te betrekken, terwijl dit bij uitstek aangewezen was bij afbouw van de lithium die de patiënt al 45 jaar gebruikte’; dat het haar ‘ontbrak aan een goed overzicht betreffende het complexe ziektebeeld en de precaire balans die hij met het gebruik van lithium had gekregen’; dat ‘onduidelijk is of verweerster de waarschuwingssignalen wel voldoende inzichtelijk had en heeft besproken met de casemanager’; dat ze ‘een risico heeft genomen door geen duidelijk schema te hanteren en dat dit risico zich uiteindelijk ook heeft gerealiseerd’; ‘dat het op de weg van verweerster had gelegen om een op de situatie van de patiënt afgestemd, doordacht afbouw- en opbouwschema te maken en dit ook weer te geven in het medisch dossier’. Een berisping volgt.

Taperingstrips

Bestaande richtlijnen stellen dat er geleidelijk moet worden afgebouwd, maar gaan niet in op het feit dat de doseringen die hiervoor nodig zijn, niet bestaan. Met afbouwmedicatie – taperingstrips – kunnen behandelaars hun patiënten flexibel, op maat en op basis van samen beslissen geleidelijk en verantwoord laten afbouwen. De ontwikkeling van taperingstrips begon in 2010 en in 2013 zijn ze in gebruik genomen: in dat jaar konden de eerste taperingstrips voor paroxetine en venlafaxine, met steun van de top van de Nederlandse psychiatrie, worden voorgeschreven. Twee observationele cohortstudies laten zien dat 70 procent van een grote groep patiënten die eerder tevergeefs hadden geprobeerd te stoppen, nu, met behulp van taperingstrips, wél met succes konden afbouwen.2,3 Een derde studie laat zien dat 70 procent van een groep patiënten die met taperingstrips hadden afgebouwd, anderhalf tot vijf jaar later het medicijn niet opnieuw was gaan gebruiken.4

Vergoedingsbeleid

Als de behandelaars in de twee tuchtzaken zich beter hadden gerealiseerd wat de gevolgen van onttrekkingsverschijnselen konden zijn, zouden ze ongetwijfeld geprobeerd hebben om die te voorkomen. Dit hadden ze kunnen doen door taperingstrips voor te schrijven, die voor zowel temazepam, lithium als venlafaxine al beschikbaar waren. Wat de tuchtzaken duidelijk maken is dat het behandelaars niet altijd lukt om hun patiënten bij afbouwen goed te begeleiden. Terwijl nieuwe kennis en nieuwe middelen om het beter te kunnen doen al een tijd beschikbaar zijn. Hoe is dat mogelijk? Kan die kennis niet actiever worden uitgedragen? Waarom wordt het voorschrijven van afbouwmedicatie door het vergoedingsbeleid van zorgverzekeraars zo moeilijk gemaakt? Krijgen behandelaars die patiënten bij afbouwen moeten begeleiden wel voldoende steun van de organisaties — NHG en NVvP — die voor hun belangen dienen op te komen? Patiënten en hun familie kunnen diezelfde vraag stellen aan patiëntenkoepel MIND. Al deze partijen lijken aandacht te hebben voor ‘wat voor de zorgverzekeraars het meest economisch is’. En voor RCT-onderzoek dat in de praktijk, zelfs als het lukt om patiënten te vinden die aan dat onderzoek met een ‘cold turkey’-afbouw­arm mee willen doen, geen antwoord kan geven op de vraag hoe een individuele patiënt kan afbouwen. Minder aandacht zien we voor de belangen van behandelaars en patiënten die veilig en verantwoord willen kunnen (laten) afbouwen.

Casus: Door suïcide overleden patiënt die meermaals abrupt met venlafaxine was gestopt6

Klaagsters echtgenoot is in juni 2017 op 50-jarige leeftijd door suïcide overleden. Vanaf 2005 had hij last van stressgerelateerde klachten en slaapproblemen waarvoor hem in de loop der jaren onder andere temazepam, oxazepam, zopiclon en venlafaxine was voorgeschreven. Vanaf 2011 waren de venlafaxine en oxazepam ononderbroken gecontinueerd zonder dat daarnaast nog andere benzodiazepines waren voorgeschreven. In 2016 wilde de man zijn venlafaxine afbouwen, wat hem door de collega van de aangeklaagde huisarts werd afgeraden. Vier dagen voor zijn dood schrijft deze collega zopiclon voor. Twee dagen later meldt de man zich bij zijn eigen huisarts en laat weten dat de zoplicon niet werkt, dat hij al vier nachten niet slaapt, te druk is in zijn hoofd en dat hij een paar dagen vergeten is om zijn venlafaxine in te nemen. De huisarts schrijft temazepam 10 mg/dag voor. Twee dagen later treft klaagster haar man levenloos aan in de schuur, waar hij zichzelf van het leven had beroofd. Klaagster verwijt de huisarts dat zij tekort is geschoten door temazepam voor te schrijven terwijl hij al venlafaxine, oxazepam en zoplicon gebruikte. Volgens haar had de huisarts, omdat ze wist dat haar man al een paar dagen was vergeten om venlafaxine in te nemen, grondig onderzoek moeten doen naar de oorzaak van zijn problemen en had ze onvoldoende rekening gehouden ‘met de effecten van het opstapelen van de medicatie, de (bij)werkingen van de verschillende geneesmiddelen en in het bijzonder met de inter­actie die deze geneesmiddelen op elkaar (kunnen) hebben’. De huisarts stelt in haar verweer dat haar patiënt na het vergeten van zijn venlafaxine geen onttrekkingsverschijnselen vertoonde en dat dat ook niet zo was toen hij in 2006 en 2009 een paar keer kortdurend was gestopt (hoe de huisarts kon weten dat de klachten geen onttrekkingsverschijnselen konden zijn, wordt uit het verslag niet duidelijk) en dat het bij venlafaxine in een lage dosering van 37,5 mg per dag ‘niet gangbaar is dat het niet innemen van enkele doseringen direct tot ernstige bijwerkingen leidt’ (tegen dit onjuiste en potentieel gevaarlijke advies wordt al jarenlang gewaarschuwd, inmiddels ook in het Multidisciplinair Document7). Patiënt was tijdens de laatste visite ‘wel wat korzelig, maar die korzeligheid was zeer goed te verklaren vanuit het feit dat patiënt de afgelopen nachten slecht geslapen had. Bovendien leken de symptomen die patiënt beschreef – slapeloosheid en een druk gevoel in het hoofd – situationeel bepaald en leed patiënt vaker aan deze symptomen’. Uit zijn antwoorden op haar vragen viel volgens haar evenmin af te leiden dat patiënt leed aan depressieve klachten. De tucht­commissie oordeelt dat het handelen van beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroeps­uitoefening is gebleven en acht de klacht ongegrond.

Het Zorginstituut, onze minister van VWS, adviseurs en advocaten van zorgverzekeraars, allemaal gebruiken ze het begrip ‘meest economisch’ om vormen van zorg niet te hoeven vergoeden. Om er, zoals het Zorg­instituut in iedere brief schrijft, voor te zorgen dat de zorg voor alle 17 miljoen mensen in Nederland betaalbaar blijft. Het grote probleem is dat al deze partijen bij de invulling van het begrip ‘meest economisch’ vrijwel alleen kijken naar kosten op korte termijn voor de zorgverzekeraar en niet naar de kosten en het leed voor patiënten (die zelf moeten betalen), voor behandelaars (die dus bijvoorbeeld met een tuchtzaak te maken kunnen krijgen) en voor de samenleving (mislukte afbouwpogingen die kunnen leiden tot ziekte en ziekteverzuim, irritatie, agressie, sociaal disfunctioneren, psychische klachten, al dan niet gedwongen opnames, suïcidaliteit en zelfs suïcides).

Waarom wordt het voorschrijven van afbouwmedicatie zo moeilijk gemaakt?

Toekomst

De aandacht voor problemen bij afbouwen is, mede door de komst van afbouwmedicatie, sterk toegenomen. Patiënten worden mede hierdoor – terecht – toenemend kritisch. De lat voor behandelaars die patiënten bij afbouwen moeten helpen is hoger komen te liggen. Wie de uitspraken in de tuchtzaken doorleest zal begrip hebben voor de familie­leden van de betrokken patiënten die een klacht hadden ingediend. De kans dat er in de toekomst, als er niets verandert, nieuwe tuchtklachten over afbouwen zullen worden ingediend zal alleen maar toenemen.

We hebben hier te maken met een probleem waarvoor lang geen aandacht was, terwijl patiënten al jarenlang lieten horen dat ze problemen hadden en naar oplossingen zochten. Kunnen we het ons veroorloven om nog eens jarenlang of zelfs een decennium te wachten om behandelaars en patiënten werkelijke oplossingen te bieden voor een probleem dat in feite al meer dan zeventig jaar geleden, bij de introductie van de eerste psycho­farmaca, is ontstaan?

Farmaceutische bedrijven hadden een oplossing moeten zoeken voor problemen die hun medicijnen bij afbouwen veroorzaken. Dat hebben ze niet gedaan. Ook vanuit de psychiatrie kwam geen oplossing. Wel vanuit patiënten, in de vorm van afbouw­medicatie die heel goed blijkt te werken. Zorgverzekeraars, Zorginstituut, medische verenigingen zoals NVvP en NHG en de patiëntenkoepel MIND zouden deze praktische oplossing moeten toejuichen en zo snel mogelijk in de praktijk moeten helpen brengen.

auteurs

dr. Peter Groot, onderzoeker/ervaringsdeskundige, User Research Centre NL, UMC Utrecht

prof. dr. Jim van Os, voorzitter Divisie Hersenen, UMC Utrecht

contact

p.c.groot@ziggo.nl

cc: redactie@medischcontact.nl

Voetnoten

[1] Antwoord op vragen van het lid Hijink over de uitzending van Zembla ‘Stoppen met de pillen’. Kamervragen 21 juni (2021).

[2] Groot, P.C. & van Os, J. Antidepressant tapering strips to help people come off medication more safely. Psychosis 10, 142-145. (2018)

[3] Groot, P.C. & van Os, J. Successful use of tapering strips for hyperbolic reduction of antidepressant dose - a cohort study. Therapeutic Advances in Psychopharmacology (2021)

[4] Groot, P.C. & van Os, J. Outcome of Antidepressant Drug Discontinuation with Taperingstrips after 1-5 Years. Therapeutic Advances in Psychopharmacology 10, (2020)

[5] Tuchtrecht.overheid. ECLI:NL:TGZREIN:2020:34. Beslissing in zaak nr 19213. Onjuiste verklaring of rapport (betreft stemmingsstabilisator lithium). Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 16 juli (2020)

[6] Tuchtrecht.overheid. ECLI:NL:TGZCTG:2020:211. Beslissing in zaak nr. c2020.057. Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose (betreft antidepressivum venlafaxine). Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 1 december (2020).

[7] Multidisciplinaire_werkgroep. Multidisciplinair Document 'Afbouwen SSRI’s & SNRI’s'. September (2018).

Lees meer download dit artikel (pdf)
medicatie verslaving
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • H.C. van Gorsel

    Arts-onderzoeker, Amsterdam

    Afbouwen van medicatie is inderdaad een onderwerp waar te weinig aandacht voor is. Het is wel makkelijk om de farmaceutische industrie overal de schuld van te geven, maar het is nog altijd een voorschrijvend arts die bepaald wat iemand aan medicatie ...krijgt. Het aanhalen van weinig relevante vergelijkingen draagt niet erg bij aan de discussie. Vreemd genoeg is er doorgaans zowel in de medische opleiding als in bijvoorbeeld richtlijnen veel aandacht voor wanneer welke behandeling gestart moet worden, maar nauwelijks voor wanneer en hoe te stoppen. De voorbeelden die in bovenstaand artikel genoemd worden vind ik vooral voorbeelden van gebrekkige begeleiding door de behandelaar. Voor lithium zijn er meerdere apotheken die lagere doseringen kunnen leveren. Dat de verpleegkundige in het voorbeeld geen goed plan had voor de afbouw en opbouw van Depakine, en hier sowieso een psychiater bij had moeten inschakelen, ondervang je niet met taperingstrips. Of mensen goed begeleid worden bij het stoppen van hun behandeling gaat om meer dan het al dan niet vergoeden van taperingstrips.

    • H. van der Pol

      psychiater, Heerenveen

      Eens.
      Er is veel te weinig aandacht voor afbouw en stoppen bij de voorschrijvers van psychofarmaca. Al bij instellen moet met de patiënt worden besproken dat het (bijna altijd) om tijdelijk gebruik zal gaan en dat er dus (!) ook weer zal moeten word...en afgebouwd over enige tijd (noem een termijn!). De grote problemen die bij afbouw kunnen optreden zijn bekend bij elke dokter die goed oplet bij zijn patiënten maar zijn vele jaren lang genegeerd door protocollenbouwers en pillenboeren. Overigens gaat het gelukkig meestal goed, maar zeker bij mensen die jarenlang dit soort medicatie gebruikt hebben kan het een ramp zijn.
      Inderdaad, de aandacht moet veeleer bij het juist voorschrijven, vervolgen en bijtijds afbouwen van medicatie worden gelegd dan bij taperingstrips. Die overigens in een bepaalde fase zeker hun nut kunnen hebben. Maar dan pleit ik liever voor beschikbaarheid van kleinere doseringen zodat elk afbouwtraject individueel op maakt gemaakt kan worden.

      • J.J. van Os

        Voorzitter Divisie Hersenen, UMC Utrecht

        Met dank aan de reactie van collega van der Pol.

        Een nuancering: beschikbaarheid van (losse) lagere doseringen gaat behandelaars niet helpen omdat ze niet genoeg tijd hebben om samen met een patiënt een passend hyperbool afbouwschema uit te wer...ken en ook niet altijd voldoende kennis hebben om dit goed te kunnen doen.

        Juist met taperingstrips kunnen op eenvoudige wijze afbouwtrajecten individueel en op maat van de patiënt worden voorgeschreven.

        Het is verder een misvatting om te denken dat losse lagere doseringen afbouw van medicatie voor de zorgverzekeraars goedkoper zal maken. ZK, VGZ, Menzis en CZ beweren dat wel, maar willen tot nog toe geen onderbouwing leveren. Van de zorgverzekeraars die taperingstrips wel vergoeden, ENO en DSW, legde de heer de Kwant van DSW op 20 juni, tijdens een rondetafelgesprek over afbouwmedicatie in de Tweede Kamer, uit waarom DSW taperingstrips wel vergoed:

        "Wat kost het DSW? . . . Ik kijk altijd primair naar de zorgbehoefte van onze verzekerden. Maar ja, de antidepressiva bijvoorbeeld, als het gaat over de kosten, die kosten vrijwel niets. Daarom is een fabrikant ook totaal niet geïnteresseerd om andere sterktes op de markt te gaan brengen want dat kost alleen maar meer dan dat het oplevert. Een afbouwstrip kost gemiddeld, ja, ik weet het niet precies, 100 euro of zo? Dus dat is duurder dan de reguliere medicatie. Maar ja, je moet ook op de lange termijn kijken, wat voor baten geeft het? Daar kan je heel uitgebreide economische modellen op los laten . . . . . Ik denk dat het natuurlijk veel meer winst oplevert, uiteindelijk [met nadruk]. Maar ja, zo denkt een zorgverzekeraar over het algemeen niet. Die kijkt puur naar budget en afspraken. Wat het ons precies kost kan ik niet zeggen, want dat is een contractuele overeenkomst die wij hebben met de Regenboog Apotheek"

        (terugkijken: https://debatgemist.tweedekamer.nl/debatten/afbouwmedicatie, vanaf 1hr21'18")

        • H. van der Pol

          psychiater, Heerenveen

          @ Van Os,
          Dank voor uw reactie.
          Even los van de prijs en van het feit of de huidige afbouwstrips wel of niet handig (genoeg) zijn: afbouw is altijd, in mijn ervaring, een individueel, vaak langdurig en niet te voorspellen proces. Daarbij moet je du...s langdurig gebruik kunnen maken van kleine doseringen. Het moet toch voor een pillenfabrikant niet al te ingewikkeld zijn lijkt mij om grote tabletten met een kleine dosering met een paar breukgleuven erin te maken zodat je makkelijk verder kunt delen. Het zal niet winstgevend zijn maar als patiënten, artsen, apothekers en verzekeraars ze op hun verantwoordelijkheid (blijven) wijzen moeten ze vast een potje kunnen vinden. Of misschien zijn er nog wel handige apothekers die het kunnen maken.
          En als arts/psychiater heb je een taak om het afbouwproces te begeleiden ook al duurt het lang.

          • J.J. van Os

            Voorzitter Divisie Hersenen, UMC Utrecht

            Dank voor uw 2e reactie.

            Voor een lang afbouwtraject kan het inderdaad nodig zijn om langdurig gebruik te maken van lage doseringen. Maar m.b.v. taperingstrips en evt. stabilisatiestrips - waarmee voor kortere of langere tijd iedere gewenste doseri...ng kan worden voorgeschreven - kan dat nu al heel goed. Sterker: dit vormde de kernreden voor patienten om deze strips meer dan 10 jaar geleden zelf te ontwikkelen - iets wat nog maar weinig geapprecieerd wordt. Het is dus anno 2022 niet meer nodig om weer nieuwe tabletten te gaan maken met breukstrepen die afbouwen ingewikkelder en daardoor foutgevoeliger maken. De laagste doseringen die in taperingstrips kunnen worden gebruikt zijn namelijk al laag genoeg. Voor paroxetine bijvoorbeeld 0.1 mg, voor olanzapine 0.025 mg, voor andere medicijnen zie https://www.taperingstrip.nl/voorschrijven-en-bestellen/.

            Dat de arts/psychiater het afbouwproces, ook als dat heel lang duurt, goed moet begeleiden, daar zijn we het uiteraard volledig mee eens en om dat voor zowel de patiënt als voor de arts makkelijker te maken zit bij iedere strip een zelfmonitoringformulier dat de patiënt één keer per dag moet invullen. Dat is niet moeilijk en kost de patiënt heel weinig tijd. Als de patiënt dit doet dan helpt die daarmee zowel zichzelf als de behandelaar om het afbouwen zo goed mogelijk te laten verlopen (voor uitleg hierover zie https://journals.sagepub.com/doi/10.1177/2045125320932452 onder het kopje 'self-monitoring made simple').

            Mede namens Dr. Peter Groot

            [Reactie gewijzigd door Os, Jim van op 21-12-2021 08:27]

  • J.M. Keppel Hesselink

    pijnarts, Bosch en Duin

    Het is een moeilijk onderwerp, waarom? Omdat de farmacokinetiek en dynamiek van psychofarmaca, vooral bij ouderen, een onderwerp is dat niet zo jazzy is. En het is enorm kort door de bocht om zonder meer te schrijven: "Farmaceutische bedrijven hadden... een oplossing moeten zoeken voor problemen die hun medicijnen bij afbouwen veroorzaken. " Duidelijk is dat het bijzonder jazzy is om de farmaceutische industrie van alles te verwijten.

    Mensen die dat doen, zoals de schrijvers, hebben klaarblijkelijk geen kennis van geneesmiddelen ontwikkeling en de richtlijnen op die gebieden door de EMA en de FDA gepubliceerd. Het is bijzonder lastig tegenwoordig om psychofarmaca te ontwikkelen en te registreren, en hele complexe programma's zijn nodig om tot uiteindelijke registratie ervan te komen. Om zo zonder enig argument te verwachten dat ook de farma verantwoordelijk is voor afbouwen is bizar. Te meer omdat de twee stoffen die hier genoemd worden, lithium en venlafaxine zo ongeveer eeuwenoud zijn, en generisch beschikbaar zijn. Welk farma bedrijf zou dan dat afbouwen moeten onderzoeken? Nee, afbouwen is een probleem voor de academia, die kunnen ook prima onderzoek daarnaar doen. Geen enkel farmabedrijf zal nog investeren in onderzoek naar lithium zouten of stoffen uit de SSRI en TCA groep. Ik hoop dat de auteurs dat begrijpen en hun visie nuanceren. De farma industrie verdient het niet om altijd de boeman te zijn!

    [Reactie gewijzigd door Keppel Hesselink, Jan op 15-12-2021 21:07]

    • J.J. van Os

      Voorzitter Divisie Hersenen, UMC Utrecht

      Als nieuwe auto’s op de markt komen waarvan de remmen niet blijken te deugen en de fabrikant ontdekt dat, dan zal die zo snel mogelijk de remmen van alle verkochte auto’s laten reparerten of vervangen en alle nieuwe auto's van deugdelijke remmen gaan... voorzien. Omdat anders sancties zullen volgen, en reputatieschade.

      Waarom gebeurt dat niet bij farmaceutische bedrijven die al heel lang weten dat hun medicijnen onttrekkingsverschijnselen kunnen veroorzaken? En die de kennis en de middelen hebben om daar iets tegen te doen? Hoe moeilijk was het geweest om in een vroeg stadium kleinere doseringen te produceren die een meer geleidelijke afbouw mogelijk hadden gemaakt? Waarom laten met ons allen toe dat dit niet gebeurt en laten we patiënten, hun behandelaars en de samenleving voor alle schade opdraaien?

      Een interessante contemporaine parallel is de familie Sackler die weloverwegen van onttrekkingsverschijnselen gebruik heeft gemaakt om zich te verrijken, ten koste van naar schatting inmiddels een half miljoen doden. Zie bijvoorbeeld: https://www.trouw.nl/opinie/zorgverzekeraars-moeten-afbouw-medicatie-met-taperingstrips-eindelijk-gaan-vergoeden~b540081e/.

      Reactie mede namens Dr. Peter Groot

      [Reactie gewijzigd door Os, Jim van op 16-12-2021 23:42]

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.