Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Martin Buijsen
14 oktober 2014 3 minuten leestijd
levenseinde

Levenseindekliniek beschadigt arts-patiëntrelatie

6 reacties

OPINIE

Roep om zorgvuldigheid negeert het echte probleem

Het bestaan van de Levenseindekliniek leidt er gemakkelijk toe dat behandelaar zowel als patiënt dit als ‘alibi’ gebruikt om wezenlijke gesprekken over het levenseinde uit de weg te gaan. Dit vervlakt hun relatie. Een groot, maar onopgemerkt probleem, vindt hoogleraar gezondheidsrecht Martin Buijsen.

Een regionale toetsingscommissie euthanasie (RTE) oordeelde onlangs dat een arts, verbonden aan de Levenseindekliniek, niet overeenkomstig de zorgvuldigheidseisen van de euthanasiewet had gehandeld.1 Vier maanden eerder was de kliniek, bedoeld voor mensen met een stervenswens die van hun eigen arts geen euthanasie of hulp bij zelfdoding krijgen, ook al door een RTE op de vingers getikt.2 In beide gevallen vond men dat de betrokken arts zich meer tijd en inspanning had moeten getroosten.

Kort daarop liet de Partij van de Arbeid weten het zorgelijk te vinden dat de Levenseindekliniek tweemaal in korte tijd was berispt en dat de partij een onafhankelijk onderzoek wilde naar het functioneren van de kliniek.3

Toch rechtvaardigen deze twee oordelen een dergelijk onderzoek naar de Levenseindekliniek nauwelijks. De vraag of de artsen van de Levenseindekliniek wel in overeenstemming met de wettelijke zorgvuldigheidseisen handelen is namelijk niet de meest interessante. Veel interessanter is het feit dat, ook als de kliniek zorgvuldig functioneert, haar loutere bestaan een nadelige uitwerking heeft op de verhouding tussen behandelaars en hun patiënten. Discussies, berichtgeving en onderzoeken zouden dáár de aandacht op moeten richten.

Gedachtewisseling ontlopen

De wetgever ging er destijds van uit dat een verzoek om levensbeëindiging of hulp bij zelfdoding gericht zou worden tot artsen met wie een vertrouwensband bestaat. De euthanasiewet veronderstelt min of meer het bestaan van een behandelrelatie. De artsen van de Levenseindekliniek hebben met de mensen die zich tot hen wenden, een dergelijke relatie echter niet. En niemand heeft voorzien dat de activiteiten van de kliniek gevolgen zouden kunnen hebben voor de verhouding tussen patiënten en behandelaars die over euthanasie of hulp bij zelfdoding met elkaar in gesprek zijn, dus die wél een behandelrelatie hebben.

Want is het vergezocht om te veronderstellen dat de mogelijkheden van de arts om zijn patiënt te informeren over zijn standpunt, zijn beweegredenen, over alternatieven, eerder zullen af- dan toenemen? En dat de arts die bijvoorbeeld op een concreet verzoek aarzelend of afhoudend reageert, onder druk kan worden gezet? – ‘Als u mij niet wil helpen, ga ik naar de Levenseindekliniek!’ Het komt de zorgvuldigheid uiteraard niet ten goede als de dokter vervolgens maar toegeeft of juist repliceert ‘ga dan maar naar de kliniek’.

En andersom, zal het enkele bestaan van de Levenseindekliniek geen afbreuk doen aan de mogelijkheid van begrip aan de zijde van de arts voor zijn patiënt? Is het voor hem niet belangrijk om te weten waarom deze (juist nu) het levenseinde wenst door euthanasie of zelfdoding? En zal de behandelaar die zich ‘gedoe’ wil besparen, niet te eenvoudig volstaan met het informeren van zijn patiënt over het bestaan van de kliniek?

De vrees is reëel dat de Levenseindekliniek zowel behandelaars als patiënten een alibi verschaft om de gedachtewisseling over een precair maar wezenlijk onderwerp, de goede dood, te ontlopen.

Over de vraag wat dan een goede dood is, kunnen mensen diepgaand met elkaar van mening verschillen. Dat hoeft geen belemmering te zijn voor begrip over en weer, en staat een respectvol afscheid van elkaar niet in de weg. Maar dat een patiënt en zijn hulpverlener in wederzijds onbegrip uiteengaan, en dat in misschien wel zeer moeilijke omstandigheden, is welbeschouwd diep tragisch.

Onderzoek

De roep om onderzoek is vooral ingegeven door de bij velen levende vrees voor een praktijk van ‘invliegende’ dokters die patiënten zonder veel omhaal aan het verlangde levenseinde helpen. Op basis van de cijfers is onderzoek naar het functioneren van de Levenseindekliniek echter nauwelijks verdedigbaar. Op slechts twee na zijn al haar meldingen tot op heden afgedaan als ‘zorgvuldig’. Veel erger is dat dergelijk onderzoek zou neerkomen op wegkijken van het werkelijke probleem. Het echte verlies aan zorgvuldigheid vindt elders plaats: in de relatie tussen behandelaar en patiënt. Daar wordt de prijs voor het bestaan van de kliniek betaald, óók als het handelen van haar artsen zorgvuldig is in de ogen van de RTE’s. Onderzoek naar die gevolgen is veel wenselijker.


prof. mr. dr. Martin Buijsen, hoogleraar gezondheidsrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam


buijsen@bmg.eur.nl

cc: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld



Download het artikel (PDF)

Lees ook:





Voetnoten:


  1. Oordeel 2014-2, te vinden op www.euthanasiecommissie.nl
  2. Oordeel 2014-1, idem.
  3. ‘PvdA wil extern onderzoek naar Levenseindekliniek’, in Trouw 28 augustus 2014.
  4. Levenseindekliniek, Jaarverslag 2013, p. 12, te vinden op www.leveneindekliniek.nl.

Beeld: Hollandse Hoogte
Beeld: Hollandse Hoogte
euthanasie levenseinde levenseindekliniek opinie huisartsen
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • J.N.J. Boesten, huisarts (n.p. sinds 01-05-’14) en als arts verbonden, 26-11-2014 01:00

    "Zeer geachte Prof.mr.dr. Martin Buijsen,
    Net terug van vakantie lees ik uw artikel.. en heb nogal wat op- en aanmerkingen…
    o.a.
    - de euthanasie wet bestaat sinds 1 april 2002;

    - Stichting Levenseinde Kliniek (SLK) bestaat sinds 1 maart 2012 en
    is ‘geboren’ uit het feit en dat memoreert u ook in uw schrijven dat het
    praten over het naderend levenseinde hét grote probleem is in een
    arts-patiënt relatie. Met andere woorden de SLK is niet de oorzaak van
    de ‘verstoorde’ arts-patiënt relatie, maar het gevolg daarvan! Artsen
    zijn opgeleid om zo lang mogelijk te behandelen niet alleen in curatief-maar ook in palliatief opzicht; praten over het ‘over-lijden’ is voor menige arts nog moeilijk ... wetende dat 18% van de Nederlandse populatie om euthanasie zou kunnen gaan vragen, grofweg dus bij 1 op de 5-6 mensen
    zou euthanasie een gespreksonderwerp moeten zijn… Als dit niet gebeurt,
    staat de patiënt in de kou… en dat is dé reden dat de Stichting Levenseinde Kliniek (SLK) vanuit de NVVE in 2012 is ‘opgericht’... De aanvankelijke houding van de KNMG van ‘die SLK is niet nodig, dat lost de beroepsgroep zelf op’ is inmiddels ook aan het veranderen.

    - verder stelt u in het begin terecht dat de RTE een arts van de SLK onlangs berispt heeft, maar dan vervolgt u met ‘4 maanden eerder was ‘de
    kliniek’ ook al door de RTE op de vingers getikt…. de enige persoon
    die ‘berispt’ of ‘op de vingers getikt’ wordt is de arts, hij wordt alleen door de RTE ‘getoetst’; de SLK is niet te berispen of op de vingers te tikken, die wordt niet beoordeeld door de RTE.
    U schetst dat de SLK de arts-patiënt relatie nadelig beïnvloedt doordat de patiënt tegen de arts kan zeggen “als u het niet doet, schakel ik de SLK in” . Van de andere kant kan de huisarts die zich ‘het gedoe’ wil besparen heel gemakkelijk verwijzen naar de SLK.. Welnu ik kan u mededelen dat na 2 jaar praktijkervaring bij de SLK beide opties, door u gesteld, voorkomen …… Er is echter nog één veel belangrijkere reden. Artsen die om hen moverende redenen niet kunnen overgaan tot het uitvoeren van een door de patiënt gewenste euthanasie, wijzen de patient op het bestaan van de SLK of nemen zelfs zélf contact op met de SLK om de patiënt niet in de kou te laten staan. In hun eigen beroepsgroep/ regio/ hagro vinden ze niemand bereid om dit over te nemen (m.u.v. Hoogeveen regio). In elke door mij uitgevoerde euthanasie (in SLK dienstverband) is er gestreefd naar een goede relatie met de huisarts, hem wordt gevraagd evt. mee te lopen in het proces
    en sinds kort bestaat er de mogelijkheid om een ‘buddy’ aan te vragen bij de SLK om ook ‘expertise’ te krijgen in het uitvoeren van een euthanasie…; vaak hoor ik van huisartsen dat ‘wij’ de expertise hebben en daarom het euthanasie verzoek van hun patiënt ‘beter’ kunnen onderzoeken en uitvoeren...
    "

  • Everhard ten Wolde, gepensioneerd huisarts, 26-11-2014 01:00

    " Uw stuk in Medisch Contact van 16 okt.j.l. geeft een slinger aan overdenkingen die al wat langer door mijn hoofd spelen en m.i. een sterke overeenkomst hebben met de strekking van uw bijdrage.
    Ik zal me eerst even voorstellen: ik ben 70 jaar en sinds 2008 gepensioneerd huisarts ten plattelande. Heb het vak vele jaren in zijn volle omvang mogen uitoefenen, waaronder ook euthanasie.
    De beleving van deze ingrijpende handeling is bij mij geleidelijk veranderd en vooral bij de laatste keer dat ik het "deed", is dat het geval geweest. De laatste keer was het niet, zoals de keren daarvoor, een actieve handeling d.m.v. een veneuze injectie, maar hulp bij zelfdoding in de vorm van het verstrekken van het euthanaticum dat de patiënt zelf innam.
    Waarom had ik bij deze laatste patiënt zo anders gehandeld als daarvoor?
    Ik denk omdat ik mij als behandelend arts ( met een streep onder behandelend) bij deze laatste patiënt nog niet aan het eind van mijn Latijn voelde staan. De patiënt had daar geen gevoel voor en vond zijn lijden zo ondraaglijk dat hij nu geholpen wilde worden.
    Ik weet nog dat ik juist in dit geval bij de keuze van de 2e arts - wat toentertijd nog niet dwingend in de zorgvuldigheidseisen was neergelegd - bewust gekozen had voor een arts buiten onze huisartsengroep. Hoewel de patiënt ( nog) niet echt terminaal was, vond de 2e arts wel dat patiënt in aanmerking mocht komen voor euthanasie, gezien de gevoelde ondraaglijkheid van het lijden, en de andere criteria.
    Toch kon ik niet opbrengen hem met een actieve handeling te helpen en koos voor de drank. Mijn gevoel wilde dat de dokter nog wat anders deed, mijn verstand wist dat de patiënt het nu voor het zeggen had. Een drank paste hier goed bij en liet respect voor de autonomie van de patiënt tot uiting komen.

    De instelling van het " instituut" scen-arts ( de " 2e" arts) en later die van de levenseindekliniek hebben er, naar mijn geleidelijk gegroeide mening, toe bijgedragen dat de kracht en de macht van de mening van de patiënt steeds belangrijker werden in dezen en dat de patiënt de facto - de iure (nog) niet! - het recht tot euthanasie kan claimen ( bij ziektebeelden met infauste prognose ) .
    Door een scenarts in te schakelen gaan planning en logistiek een rol spelen in het beleid van de huisarts. De huisarts moet in een vroeger stadium alles op de rol zetten. De scenarts heeft zijn programma en moet op tijd zich vrij kunnen maken. In een stadium dat het lijden nog te” handlen” valt, moet al wel alvast alle seinen op groen gezet te zijn, voor het geval dat.
    De scenarts moet voornamelijk de ondraaglijkheid van het lijden toetsen. De andere criteria zijn voornamelijk harde data, als wel of niet kanker , wel of niet uitzichtloos en onomkeerbaar. Wel of niet herhaaldelijk verzoek geuit. Maar ondraaglijkheid van lijden is een zuiver subjectieve beleving. Of een 2e arts nou de deskundige is om de mate hiervan te toetsen, is maar de vraag. In de praktijk blijkt ook steeds meer, dat de mening en gevoel van de patiënt in dezen bepalend is. En, zijn er alternatieven als de patiënt zo nadrukkelijk aangeeft dat voor hem of haar het stadium van ondraaglijkheid is aangebroken en hij of zij geholpen wil worden zoals op de rol al is vastgelegd?
    Een medisch-inhoudelijke beoordeling of er sprake is van een noodsituatie en of er in deze noodsituatie voor de huisarts geen andere weg is dan actieve euthanasie op korte termijn wordt haast niet ( meer) gedaan door de “2e “arts.
    De ontwikkeling dat de autonomie van de patiënt een steeds groter gewicht in de schaal legt, is dus al langer aan de gang en speelde al voor de totstandkoming van de eerste levenseindekliniek. De tijd dat de patiënt in dezen rekening houdt met de geestestoestand van zijn huisarts, zoals een patiënt dat eens zei: “ik zag dat u er nog niet aan toe was, ik was er eerder aan toe dan u, dokter”, die tijd ligt, denk ik, achter ons.
    Ik ben met u van mening dat de levenseindekliniek wel een versnelling aan deze ontwikkeling gaat geven. Een ‘voldoende arts-patiënt relatie’ is genoeg als basis voor de arts van de kliniek om het verzoek te beoordelen..
    De huisarts – en niet een ander of de patiënt zelf- wordt steeds meer de uitvoerder van het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt.
    De bevolking, wetgever en de rechterlijke macht zijn daar wel heel content mee. Of de huisarts daar zo gelukkig mee moet zijn, weet ik niet helemaal. Het gaf mij in ieder geval minder voldoening, maar het kan best zijn, dat de huidige huisarts al meer gewend is aan een veranderende rol. Hij wordt steeds meer coach van de patiënt, en minder de arts van de persoonlijke, integrale en continue zorg.
    "

  • C.M.A.M. de Vries-Ekkers, SCEN arts en huisarts, Munstergeleen 31-10-2014 01:00

    "Geachte Heer Buijsen,
    Als huisarts vind ik het een prachtige taak mijn patiënten te begeleiden tot en met het einde van hun leven. En er zijn zeker veel collega's die er net zo over denken als ik, na 30 jaar ervaring. Ik zal vooral proberen het levenseinde comfortabel te maken met alle middelen die ik daarvoor heb, soms ook euthanasie als de patiënt dat wenst.

    Als SCEN arts, ook al heel lang, zie ik heel veel goede en betrokken huisartsen die ook bij moeilijke casuïstiek willen meedenken richting euthanasie. Soms helemaal alleen, soms met de hulp van een SCEN arts, waarbij de S van Steun een rol krijgt.

    Als arts werkzaam voor de Levenseindekliniek hoor ik veel redenen waarom artsen niet kunnen meewerken aan een euthanasie. Dat zegt meestal niet zo veel over de arts-patiëntrelatie zoals u veronderstelt in uw artikel (MC 16 oktober) .
    Er wordt bij het in behandeling nemen van een euthanasieverzoek altijd gevraagd waarom de eigen arts niet meewerkt. De redenen zijn zeer divers en vaak ook heel begrijpelijk. Een heel enkele keer laat een huisarts zijn patiënt "in de kou" staan en treffen we een schrijnende situatie.
    De KNMG (via SCEN ) is zich ervan bewust dat de begeleiding van die artsen aandacht verdient. Mogelijk dat met steun en aanwijzingen van een buddy= hulparts een kentering van zijn worsteling bereikbaar is.
    Maar ook gebruik maken van de expertise in de tweede lijn, zoals huisartsen vaak doen, hoeft geen afbreuk te doen aan de arts-patiëntrelatie. integendeel zelfs. Vaak is de huisarts die aanvankelijk niet kon meewerken wel aanwezig bij de euthanasie uitvoering.
    De Levenseindekliniek is er gekomen omdat de patiënt die wel aan de zorgvuldigheidscriteria voldoet, op de een of andere wijze niet "gehoord" wordt.
    Maar laat de patiënten toch vooral hun recht op een tweede mening, juist bij de belangrijke beslissing over het levenseinde.
    "

  • Dick Arentz, huisarts np, werkzaam bij de SLK, Haarlem 29-10-2014 01:00

    "Zeer geachte heer,

    Het is maar zeer de vraag of de mogelijkheden van de arts om zijn patiënt te informeren zullen afnemen door louter de aanwezigheid van de levenseindekliniek (SLK). Ook is het de vraag of de vrees reeel is dat de aanwezigheid van de SLK een alibi verschaft om de gedachtenwisseling over de goede dood te ontlopen.

    Laten we de zaak eens in een grotere context plaatsen.

    In Nederland wordt per jaar meer dan 10.000 maal een concreet verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding gedaan. In 2013 werden 4829 meldingen van euthanasie gedaan. Ongeveer 3000 verzoeken komen niet tot uitvoering omdat de mensen eerder overlijden. Minstens 2000 mensen krijgen geen gehoor bij hun arts. Collega Chabot komt nog tot veel hogere getallen in zijn proefschrift. Van deze 2000 wenden zich meer dan 800 per jaar tot de levenseindekliniek. Dit heeft in de eerste twee jaar geleid tot 322 euthanasieen of hulp bij zelfdoding.

    De samenwerking met de eigen huisarts, die door ons altijd gezocht wordt, heeft er toe geleid dat een derde van deze 322 gevallen door de eigen huisarts werd uitgevoerd. Wij proberen dus in alle gevallen de arts-patiënt relatie in stand te houden. Wij ervaren dat veel collega’s dit begrijpen. Deze zijn dan ook meestal cooperatief en blij met ons. Zij willen hun patiënt ook niet in de steek laten en moeten vaak weer verder met de achterblijvende familieleden.

    Het effect van het bestaan van de Levenseindekliniek op de arts-patiënt relatie is nauwelijks te onderzoeken. Wel mogelijk lijkt een onderzoek naar de effecten op de patiënt van het afwijzen van een euthanasieverzoek. Hoe gaat de patiënt met deze afwijzing om? Hoe gaat het daarna met de arts-patiënt relatie? Hoe vaak volgt suicide na een afwijzing? Etc. De Levenseindekliniek is bezig een dergelijk onderzoek voor te bereiden.
    "

  • C.L. Kraaijeveld, neuroloog, Wassenaar 24-10-2014 02:00

    "In Medisch Contact, 16 oktober, pag. 2058 e.v. betoogt prof.mr.dr. M. Buijsen, dat de Levenseindekliniek leidt tot ‘een verlies van zorgvuldigheid elders: in de relatie tussen behandelaar en patiënt.’ Deze als feit gebrachte hypothese wordt met grote stelligheid in verschillende bewoordingen gebracht. De schrijver steunt daarbij op geen enkel onderzoek, zoals hij aan het eind van zijn verhaal ook eigenlijk impliciet erkent met de zin ‘…onderzoek naar die gevolgen (nl. een verlies van zorgvuldigheid in de interactie zorgverlener – patiënt. CLK) is veel wenselijker…’ Vragen over zo’n verlies van zorgvuldigheid lenen zich uitstekend voor onderzoek. Is hier wellicht de wens vader van de gedachte en verwacht Buijsen, dat de resultaten van dit onderzoek zijn opvatting zullen steunen? Totdat de resultaten van zo’n onderzoek zijn gepresenteerd, past slechts voorzichtigheid bij het doen van uitspraken en moet stelligheid worden vermeden.
    Overigens, ik ben zelf geen voorstander van de Levenseindekliniek, maar mijn argumenten, dat is een ander verhaal.
    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.