Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
12 mei 2010 8 minuten leestijd

Kortaf en onzorgvuldig

1 reactie

Een gynaecoloog probeert bij een vrouw het anticonceptiemiddel etonogestrel (Implanon) in te brengen. Ze reageert kortaf als de vrouw tijdens een controleafspraak betwijfelt of het echt gelukt is. Er volgen echo’s en een MRI en uiteindelijk doorzoekt de gynaecoloog de naaldcontainer en vindt het staafje terug in de applicator. Op de zitting legt de tuchtraad uit hoe de gynaecoloog meteen na de poging had kunnen controleren of het staafje uit de applicator was gekomen. Vanwege haar onzorgvuldig uitgevoerde handeling en haar onprofessionele optreden bij de twijfels van de patiënt krijgt de gynaecoloog een waarschuwing.

 

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE

Beslissing d.d. 16 juli 2009 naar aanleiding van de op 30 januari 2008 bij het Regionaal Tuchtcollege te Den Haag en na doorzending op 28 februari 2009 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle ingekomen klacht van: A, wonende te B, k l a a g s t e r -tegen- C, gynaecoloog, werkzaam te B, bijgestaan door mr. M.F. Alleman, advocaat te Rotterdam, v e r w e e r s t e r


1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Klaagster heeft een klaagschrift ingediend. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend met bijlagen. Zij hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd. Beiden hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek.

Op verzoek van de secretaris zijn het medisch dossier en röntgenfoto's met betrekking tot de hieronder te noemen patiënte ingezonden door D, locatie E. De zaak is behandeld ter openbare zitting van 5 juni 2009, alwaar zijn verschenen klaagster, bijgestaan door haar echtgenoot, en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde.


2. DE FEITEN

Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Op 21 januari 2008 heeft klaagster het spreekuur van verweerster bezocht met het verzoek implanon (verder ook: staafje) in te brengen.

Implanon is een anticonceptiemiddel dat bestaat uit een klein, buigzaam staafje met een lengte van circa 4 cm en een doorsnede van ca 2 mm, waarin zich het hormoon etonogestrel bevindt en dat door de producent Organon wordt geleverd in een wegwerpapplicator. De applicator bestaat uit een zogenaamde ‘obturator’ met handgreep en een canule met een holle naald. Het staafje wordt door middel van de omgekeerde injectietechniek geplaatst: de naald wordt direct onder de huid ingebracht, de applicator wordt parallel aan het huidoppervlak gehouden, waarna door het indrukken van de handgreep van de obturator de verzegeling wordt verbroken. De handgreep van de obturator wordt 90 graden gedraaid ten opzichte van de canule. Vervolgens wordt de handgreep (en daarmee de obturator) op de arm gefixeerd en de canule met naald gelijktijdig teruggetrokken, waardoor het staafje in de arm achterblijft.
Verweerster heeft de handelingen tot het inbrengen van implanon verricht. Na het inbrengen kon zij het staafje niet palperen. Bij controle van de applicator meende verweerster echter te zien dat deze leeg was, waaruit zij heeft geconcludeerd dat de insertie was gelukt.

Op 25 januari 2008 heeft klaagster de polikliniek gebeld omdat zij het staafje niet kon voelen, anders dan de voorgaande twee keren waarbij een andere arts dan verweerster implanon bij haar had ingebracht. Met klaagster werd een controleafspraak gemaakt voor 28 januari 2008, waarbij klaagster het advies is gegeven tussentijds voor de zekerheid aanvullende anticonceptie te gebruiken.
Klaagster verscheen op 28 januari 2008 bij verweerster op het spreekuur en sprak haar twijfel uit over de insertie van de implanon. Verweerster heeft een echo gemaakt, waarbij zij meende het staafje te kunnen lokaliseren. Desondanks heeft zij de radioloog verzocht de echo te herhalen. Bij diezelfde dag uitgevoerd echografisch onderzoek door de radioloog werd geen staafje waargenomen. Vervolgens werd een afspraak gemaakt voor MRI-onderzoek op 31 januari 2008.

Bij brief van 29 januari 2008 heeft klaagster onderhavig klaagschrift ingediend alsmede een klachtbrief geschreven aan de klachtencommissie van het ziekenhuis. Verweerster heeft deze brief op 31 januari 2008 ontvangen via de klachtenfunctionaris en heeft klaagster naar aanleiding daarvan uitgenodigd voor een gesprek aan het eind van de middag. Daarbij heeft zij haar excuses aangeboden voor de gang van zaken.

Nadat verweerster op diezelfde dag vernam dat het staafje ook bij MRI-onderzoek niet waarneembaar was, heeft zij dit direct telefonisch medegedeeld aan klaagster. Voorts nam zij contact op met een lid van het expertteam van Organon om voor klaagster een afspraak te maken voor nader echografisch onderzoek en, zo nodig, bloedonderzoek.

Verweerster en klaagster hebben elkaar aan het eind van de middag gesproken. Bij dit gesprek was ook de echtgenoot van klaagster aanwezig. Verweerster heeft onder meer haar excuses aangeboden voor de wijze waarop zij zich op 28 januari 2008 jegens klaagster had opgesteld.
Op 1 februari 2008 heeft verweerster de wegwerpapplicator gevonden in de naaldcontainer. Nadat haar gebleken was dat het staafje nog in de naald van de applicator aanwezig was en het batchnummer van de betreffende applicator overeen kwam met de sticker in het dossier van klaagster, heeft zij klaagster telefonisch ingelicht.

Op verzoek van klaagster is later alsnog bloedonderzoek verricht. Dit onderzoek heeft bevestigd dat het in implanon aanwezige hormoon etonogestrel niet in het bloed van klaagster aanwezig was.
Verweerster heeft op 22 februari 2008 nog een brief gestuurd aan de klachtenfunctionaris waarin zij onder meer uitspreekt dat zij de gang van zaken zeer betreurt en een gesprek aanbiedt.


3. DE KLACHT

Klaagster verwijt verweerster -zakelijk weergegeven- dat zij:
- op 21 januari 2008 de implanon verkeerd heeft ingebracht;
- onjuist heeft gereageerd op de twijfel van klaagster over de insertie van de implanon en klaagsters ongerustheid daarover, die mede was ingegeven door haar gebruik van het geneesmiddel Roaccutane®.


4. HET VERWEER

Verweerster heeft -zakelijk weergegeven- erkend dat zij op 21 januari 2008 adequater had moeten handelen. Voorts heeft zij aangegeven dat zij op 28 januari 2008 in eerste instantie kortaf heeft gereageerd. Daarvoor heeft zij haar excuses aangeboden. Verweerster heeft een moment nodig gehad om zich te realiseren dat verdere handelingen moesten worden verricht om na te gaan of het staafje nu wel of niet was ingebracht maar daarna heeft zij in korte tijd zelf een echo verricht, een echo laten verrichten door de radioloog, een MRI-onderzoek laten uitvoeren en een afspraak gemaakt voor klaagster met een lid van het expertteam van Organon. Ondertussen heeft zij klaagster geadviseerd aanvullende anticonceptie te gebruiken.



5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE

5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.

5.2
Het college is van oordeel dat verweerster het anticonceptiemiddel implanon niet op correcte wijze bij klaagster heeft ingebracht en -met name- na de insertiehandeling onvoldoende actie heeft ondernomen om na te gaan of het staafje was ingebracht. Dergelijk actie mocht van verweerster worden verwacht omdat het staafje niet palpabel was. Verweerster vermoedde dat dit te maken had met littekenweefsel en/of de omstandigheid dat het staafje waarschijnlijk te diep was ingebracht. Wat hier ook van zij, het college is van oordeel dat in een geval als het onderhavige - waarin het staafje niet gepalpeerd kon worden - niet kon worden volstaan met een controle van de wegwerpapplicator zoals door verweerster is uitgevoerd omdat de obturator dezelfde kleur heeft als het staafje en daardoor eenvoudig met dit staafje te verwarren is. Door de inbrengtechniek in haar hand te herhalen had verweerster achteraf met
een eenvoudige handeling nog op een andere wijze kunnen en moeten nagaan of het staafje was ingebracht. Bij deze handeling valt het staafje immers alsnog uit de applicator als het niet is ingebracht.

5.3
Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel overweegt het college dat aan verweerster kan worden toegegeven dat zij zich op 28 januari 2008 mogelijk overvallen heeft gevoeld door de hulpvraag van klaagster omdat zij niet op de hoogte was gesteld van het door klaagster op 25 januari 2008 met de polikliniek gevoerde telefoongesprek en niet wist waarvoor klaagster bij haar op het spreekuur kwam. Ook was verweerster onbekend met klaagsters gebruik van het geneesmiddel Roaccutane® zodat zij de aard van klaagsters bezorgdheid niet volledig heeft kunnen onderkennen. Dat neemt naar het oordeel van het college niet weg dat de eerste reactie van verweerster naar aanleiding van klaagsters twijfel over de insertie van de implanon onvoldoende professioneel is geweest.

Volgens klaagster heeft het nadere onderzoek naar de aanwezigheid van het staafje in haar lichaam uitsluitend op haar initiatief plaatsgevonden. Verweerster, aldus klaagster, heeft haar pas serieus genomen en zich voor haar ingespannen nadat zij een klacht bij de klachtencommissie had ingediend.
Het college acht deze lezing van klaagster niet aannemelijk nu zij de klachtbrief eerst op 29 januari 2008 heeft geschreven, verweerster deze pas op 31 januari 2008 heeft ontvangen en verweerster op 28 januari 2008 weliswaar een moment nodig heeft gehad om af te stappen van haar overtuiging dat zij de implanon op 21 januari 2008 correct bij klaagster had ingebracht maar zij, toen dat moment eenmaal voorbij was, reeds op diezelfde dag de vereiste handelingen heeft verricht en het nader onderzoek heeft ingezet onder het aanvullend advies aan klaagster om alternatieve maatregelen te nemen ter voorkoming van zwangerschap.

5.4
Gelet op het voorgaande is het college van oordeel dat verweerster terzake van het tweede klachtonderdeel hooguit een verwijt kan worden gemaakt voor de wijze waarop zij klaagster op 28 januari 2008 in eerste instantie tegemoet is getreden. Dit verwijt acht het college niet dermate ernstig dat daarvoor zelfstandig een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd zou dienen te worden. Nu evenwel ook sprake is van een onzorgvuldig uitgevoerde medische handeling, zal het college overgaan tot oplegging van een maatregel.

Het college acht in dit geval een waarschuwing een passende maatregel. Daarbij heeft het college enerzijds meegewogen dat het weliswaar gaat om een kleine fout maar dat deze zeer ernstige gevolgen had kunnen hebben, maar anderzijds dat verweerster met klaagster in gesprek is gegaan over de klacht en herhaaldelijk haar excuses heeft aangeboden voor de gang van zaken en de wijze waarop zij klaagster in eerste instantie op 28 januari 2008 bejegend heeft. Voorts heeft verweerster er ter zitting naar het oordeel van het College blijk van gegeven over voldoende invoelend en lerend vermogen te beschikken.


6. DE BESLISSING

Het college waarschuwt verweerster.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, mr. dr. Ph. S. Kahn, lid-jurist, en dr. A. Huisman, J.M. Komen en E.H. Thé-van Leeuwen, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. M. Willemse, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.

Zaaknummer RTC Zwolle 040/2008
Specialisme Gynaecoloog
Uitspraak Waarschuwing
Klager Patiënt
Feiten Klaagster heeft het spreekuur van verweerster bezocht met het verzoek implanon in te brengen. Verweerster heeft de handelingen tot het inbrengen verricht. Na het inbrengen kon zij het staafje niet palperen. Bij controle van de applicator meende verweerster echter te zien dat deze leeg was, waaruit zij heeft geconcludeerd dat de insertie was gelukt. Het staafje bleek achteraf niet ingebracht.
Leermoment Verweerster heeft het anticonceptiemiddel implanon niet op correcte wijze ingebracht en – met name – na de instertiehandeling onvoldoende actie ondernomen om na te gaan of het staafje was ingebracht. Dergelijke actie mocht van verweerster verwacht worden omdat het staafje niet palpabel was. Verweerster vermoedde dat dit te maken had met littekenweefsel en/ of de omstandigheid dat het staafje waarschijnlijk te diep was ingebracht. Wat hier ook van zij, in een geval het staafje niet gepalpeerd kan worden, mag niet worden volstaan met een controle van de wegwerpapplicator zoals door verweerster is uitgevoerd omdat de obturator dezelfde kleur heeft als het staafje en daardoor eenvoudig met dit staafje te verwarren is. Door de inbrengtechniek in haar hand te herhalen had verweerster achteraf met een eenvoudige handeling nog op een andere wijze kunnen en moeten nagaan of het staafje was ingebracht. Bij deze handeling valt het staafje immers alsnog uit de applicator als het niet is ingebracht.
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • G. van den Berg, DE HOEVE 12-08-2010 02:00

    "controle in de hand moet je dan wel onmiddellijk doen anders kan het staafje na een (mislukte) inbrengprocedure nog ook onderweg naar de naaldencontainer uit het "inbrengapparaat" vallen. "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.