Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Rose Marie S. Doppegieter
14 april 2004 6 minuten leestijd

Keuren of informeren

Plaats een reactie

De rol van artsen bij het beoordelen van de rijgeschiktheid

Dokters kunnen als behandelend arts of als keuringsarts de rijgeschiktheid van patiënten bepalen. Beide rollen zijn strikt van elkaar gescheiden.


Uit de vele vragen die bij de Artseninfolijn van de KNMG binnenkomen,1 blijkt dat er behoefte bestaat aan meer helderheid over de rol van de keurend arts en over die van de behandelend arts bij de rijgeschiktheid(skeuringen). Artsen kunnen immers te maken hebben met beide - weliswaar te scheiden - rollen. Met name bestaat er veel onduidelijkheid over de vraag óf de behandelend arts een taak heeft bij het melden van mogelijke rijongeschiktheid van een van zijn patiënten aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Ook is niet duidelijk aan welke eisen een keuringsrapport moet voldoen.


Dit artikel gaat in op deze vragen aan de hand van de volgende onderwerpen: de rol van de keurend arts, de rol van de behandelend arts en tot slot de rechterlijke zorgvuldigheidseisen ten aanzien van het keuringsrapport.

Keurend arts


De aanvrager van een rijbewijs moet een Eigen Verklaring invullen. Op basis van deze verklaring besluit de medisch adviseur van het CBR of iemand geschikt is om een motorvoertuig te besturen. Pas bij vernieuwing van het rijbewijs door mensen die zeventig jaar of ouder zijn, moet iedere vijf jaar opnieuw een Eigen Verklaring worden ingevuld waarin gezondheidsproblemen moeten worden gemeld. Mensen die tussentijds gezondheidsproblemen krijgen die van invloed kunnen zijn op de rijvaardigheid, worden geacht vrijwillig een nieuwe Eigen Verklaring in te vullen en aan het CBR af te geven voor het opnieuw beoordelen van de rijgeschiktheid. Nederland kent (nog) geen meldingsplicht van gezondheidsproblemen voor rijbewijshouders zoals veel andere landen die wel kennen.


Als de vragen in de Eigen Verklaring een of meer keer met ‘ja’ worden beantwoord, volgt een onderzoek door een keurend arts. Deze keuring kan bestaan uit óf een aantekening op de Eigen Verklaring waaruit blijkt welke de aard en de ernst van de afwijking zijn, óf uit een geneeskundig onderzoek waarvan het verslag op de verklaring wordt ingevuld. Mede op basis van tuchtrechtelijke jurisprudentie moet worden benadrukt dat de keurend arts vanwege de vereiste onafhankelijkheid, objectiviteit en deskundigheid niet de behandelend arts van de patiënt moet zijn.2 Dat dient niet alleen het belang van de patiënt maar ook de verkeersveiligheid. De behandelend arts kan wél met toestemming van de patiënt feitelijke informatie aan anderen verstrekken zonder dat daarbij een oordeel wordt gegeven over de rijgeschiktheid. Dit kan eventueel nieuw (keurings)onderzoek voorkomen.


Het CBR beoordeelt aan de hand van de ingevulde gegevens of een ‘verklaring van geschiktheid’ kan worden afgegeven en het rijbewijs kan worden verlengd. Ook kan het CBR besluiten tot verwijzing naar een (onafhankelijk) medisch specialist voor nader onderzoek, bijvoorbeeld vanwege cognitieve functiestoornissen of een oogafwijking. Essentieel daarbij is dat er goed werkbare toetsingseisen3 voor keurend artsen zijn en dat zij kunnen beschikken over goede hulpmiddelen en observatie-instrumenten. Voorbeeld hiervan is de ‘Observatiemethode OPS’ bij het keuren van ouderen met cognitieve functiestoornissen.


Besluit het CBR iemand beperkt geschikt (qua duur of rijgebied) te verklaren, dan wordt dit op het rijbewijs vermeld.

Behandelend arts


Tot een medisch onderzoek kan het CBR ook besluiten op grond van een melding door bijvoorbeeld de politie of op grond van gegevens afkomstig van een arts over mogelijke ongeschiktheid om een auto te besturen. De Uitvoeringsregeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid uit 1996 biedt daarvoor de basis.


Behandelend artsen mogen op grond van hun beroepsgeheim alleen in noodsituaties overgaan tot een dergelijke melding. In beginsel heeft de behandelend arts immers expliciete toestemming van de patiënt nodig voor informatieverstrekking aan derden, zoals het CBR. Alleen als gevaar voor de patiënt en andere verkeersdeelnemers zonder meer aan de orde is en de arts een ‘conflict van plichten’ ervaart, kan hij melding overwegen. Het gaat dan met name om situaties waarbij moet worden gevreesd voor ernstig (levens)gevaar voor de betrokkene zelf en/of voor derden.


In de Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens van de KNMG zijn als handreiking voor de arts als mogelijke uitgangspunten voor doorbreking van de zwijgplicht, de volgende vijf cumulatieve criteria opgenomen. Deze zijn ontleend aan het Handboek Gezondheidsrecht van prof. dr. H.J.J. Leenen.4 Het moet derhalve gaan om een ‘ultimum remedium oplossing’, die slechts mag worden gebruikt als andere pogingen, zoals het overtuigen van de patiënt of de familie om melding te doen van de situatie bij het CBR, hebben gefaald.

Informatieplicht


De verkeersdeelnemer zelf is verantwoordelijkheid voor het besluit al dan niet (langer) een auto te besturen. Wel zou het belang van zorgvuldige invulling van de Eigen Verklaring door de aanvrager moeten worden meer benadrukt en toegelicht.  Bijvoorbeeld door brede verspreiding van helder foldermateriaal door het CBR.


De behandelend arts heeft op het gebied van rij(on)geschiktheid een belangrijke voorlichtende, begeleidende en ook adviserende taak naar de patiënt. Het bij twijfel over de rijgeschiktheid aandringen op een second opinion, is een voorbeeld van invulling van deze taak. De behandelend arts is immers het best op de hoogte van ziekten of aandoeningen van zijn patiënt die mogelijke risico’s vormen.


Dat geldt ook voor de invloed op de rijvaardigheid door het gebruik van geneesmiddelen. In 1973 gaven KNMG en KNMP gezamenlijk een zwaarwegend advies om waarschuwende etiketten te plakken op verpakkingen van geneesmiddelen die invloed (kunnen) hebben op de rijvaardigheid van de gebruiker. Het ging daarbij om de nog steeds gebruikte gele sticker ‘Kan de rijvaardigheid beïnvloeden’, en de verdwenen rode sticker ‘Bij gebruik geen voertuigen besturen’. De signaalfunctie van de (gele) sticker heeft mogelijk meer effect als deze niet op vrijwel ieder geneesmiddel wordt geplakt. Maar wezenlijker dan deze sticker is mijns inziens de gerichte informatie die de behandelend arts en de apotheek moeten geven over de invloed van het middel op de rijvaardigheid.

Eisen keuringsrapport


In de periode 1991-2003 heeft de tuchtrechter negen uitspraken gedaan over rijbewijskeuringen, het grootste aantal hiervan betrof het keuringsonderzoek na rijden onder invloed.5 Het merendeel van deze uitspraken werd in Medisch Contact gepubliceerd. Deze uitspraken geven inzicht in de wijze waarop de tuchtrechter de beoordeling door artsen van rij(on)geschiktheid van rijbewijshouders toetst.


Door de uitspraken loopt een rode draad. Het rapport dat een arts maakt van een keuringsonderzoek moet aan de volgende eisen voldoen voordat sprake kan zijn van een vakkundig en zorgvuldig rapport:


l Op inzichtelijke en consistente wijze moet worden uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt.


l De in die uiteenzetting genoemde gronden moeten aantoonbaar voldoende steun vinden in feiten, omstandigheden en bevindingen vermeld in het rapport.


l Bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen.

Verder benadrukt het tuchtcollege dat een arts pas na een gedegen onderzoek tot een conclusie kan komen. Het is onjuist daarbij gebruik te maken van niet opnieuw getoetste bevindingen rond een eerdere beoordeling van de rijgeschiktheid.

Rolverdeling


De rol van de keurend arts en van de behandelend arts bij het bepalen van de rijgeschiktheid van een patiënt voor het besturen van een auto zijn gescheiden.


De keurend arts moet onafhankelijk, objectief en op het gevraagde gebied deskundig zijn. Hij moet in staat zijn een zorgvuldig keuringsrapport op te stellen, waarvoor de tuchtrechter herhaaldelijk een aantal zorgvuldigheidseisen heeft doen uitgaan. 


De behandelend arts heeft geen rol in het melden van mogelijk gevaar voor deelname aan het verkeer door een van zijn patiënten. Van hem mag wel worden verlangd dat hij heldere informatie en adviezen geeft aan de patiënt over de beperkingen van de rijgeschiktheid als gevolg van specifieke functiestoornissen. Bijvoorbeeld het advies om pas weer te rijden als de bijwerkingen van de medicatie zijn verdwenen. Uitsluitend in noodsituaties, als gevaar voor de patiënt en andere verkeersdeelnemers zich evident voordoet, zou hij melding kunnen overwegen. Andere pogingen, zoals het overtuigen van de patiënt of de familie, moeten dan hebben gefaald.

mr. R.M.S. Doppegieter,
beleidsmedewerker gezondheidsrecht KNMG


Correspondentieadres:

r.doppegieter@fed.knmg.nl

.

SAMENVATTING


l De keurend arts moet onafhankelijk, objectief en deskundig zijn om het CBR te adviseren over iemands rijgeschiktheid. De behandelend arts voldoet meestal niet aan al deze eisen en komt daardoor in loyaliteitsproblemen tegenover zijn patiënt. Hij moet deze taak niet op zich nemen.


l De keurend arts moet in staat zijn een zorgvuldig keuringsrapport af te geven, waarvoor de tuchtrechter herhaaldelijk een aantal specifieke eisen heeft opgesteld.


l De behandelend arts heeft geen meldplicht van mogelijk gevaar voor de verkeersveiligheid van zijn patiënt. Hij is wel verplicht deze patiënt informatie te verschaffen over rijgeschiktheidsbeperkingen.



Referenties


1. Bereikbaar via tel. 030 2823 322, e-mail:

artseninfolijn@fed.knmg.nl

.  2. Ingevolge het Besluit personenvervoer 2000 (Staatsblad 2000, 563) moeten rijbewijskeuringen voor professionele chauffeurs ook door een onafhankelijke arts (arts van een arbodienst) worden verricht.   3. Zie ook de Regeling Eisen Geschiktheid 2000 van het CBR; de wijzigingen van deze Regeling zou overigens niet alleen moeten worden gepubliceerd in de Staatscourant, maar ook in voor keuringsartsen toegankelijke bronnen.  4. 1. Alles is in het werk gesteld om de toestemming van betrokkene te verkrijgen én 2. de arts moet in gewetensnood verkeren door het handhaven van de zwijgplicht én 3. er is geen andere weg dan doorbreking van het geheim om het probleem op te lossen én 4. het niet-doorbreken van het geheim levert voor een derde ernstige schade op én 5. het moet vrijwel zeker zijn dat door de geheimdoorbreking die schade aan de derde kan worden voorkomen of beperkt.   5. Ingevolge artikel 18 Wegenverkeerswet.

KNMG ouderen
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.