Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht

Ivan Wolffers over de bereidheid om door de ogen van een ander te kijken

Ivan Wolffers laat zich niet in een hokje plaatsen. Hij is arts, schrijver, reiziger, maar ook zelf patiënt. Mede door die talloze bezigheden kwam hij tot belangrijke inzichten, zoals: ‘Alles waar je aandacht aan besteedt, wordt beter.’

Zelfs op deze druilerige morgen ligt zijn statige villa met koetshuis er fraai bij. Ivan Wolffers doet open. Hij oogt jeugdig, gezond en actief. Spijkerbroek, sportschoenen. Maar hij is ziek: prostaatkanker. Kwestie van pech, zei hij een paar jaar geleden. Want altijd gezond geleefd, altijd gesport. Binnen: kunst van zijn vrouw, Marion Bloem, aan de muur, overal boeken en op de grond een paar rijen dvd’s.

Het beeld bedriegt niet. Hij is nog steeds een doener met duizend-en-één interesses. Onlangs werden zijn drie Indonesië-romans onder de titel Smaragd in één bundel heruitgegeven en verscheen, spiksplinternieuw, De top 100 van meest gebruikte medicijnen.

Op zijn veertiende, schrijft hij in een reisverhaal over Brazilië, kocht hij van zijn eerste zelfverdiende geld The girl from Ipanema. Het liedje van Astrud Gilberto is hem nooit gaan vervelen. ‘Nog steeds’, schrijft hij, ‘roept het bij mij het verlangen op om minder hard te werken en meer te genieten van de leuke dingen van het leven.’

Aan dat laatste verlangen heeft hij toegegeven, aan het eerste niet. Als hij zijn gast van koffie heeft voorzien, zegt hij: ‘Het klinkt een beetje Libelle-achtig, maar ik heb geleerd dat je zo nu en dan terug moet naar wie je bent. Om peace of mind te vinden. Daar heb je tijd en ruimte voor nodig. Ik kook elke dag. Roeren, snijden van groenten – dat zijn al een soort meditatieve, rustpunten. Alles waar je aandacht aan besteedt, wordt beter: ook koken. Je viert het leven, als je lekker eet.’

Hardlopen, een andere manier om de zinnen te verzetten, lukt niet. Anderhalf jaar lang al heeft hij last van hielspoor. Nu heeft hij een hometrainer. Hij fietst elke dag: ‘drie kwartier en keihard’.

Met veel genoegen: ‘Ik merk wel eens dat de media graag een eenduidig beeld van mij willen, maar dat kan ik ze niet geven.’

Een poging: ben je schrijver of dokter?

‘Tsjechov zei: de geneeskunde is mijn wettige echtgenote en de literatuur is mijn maîtresse. Hij kon niet zonder een van die twee leven. Ik ook niet. Maar soms, als ik in een melancholieke bui ben, denk ik wel eens dat ik alleen nog maar mooie dingen moet gaan schrijven. Veel van wat ik als onderzoeker heb gezien, komt nooit in een wetenschappelijk verslag. Jaren geleden deed ik in Indonesië onderzoek naar de verspreiding van hiv onder sekswerkers. Ze namen me mee naar een begraafplaats. Daar deden ze hun werk, achter de zerken. Dat lijkt macaber, maar ik zag hoe bij het licht van olielampjes sigaretten werden verkocht. Het maakte een gezellige indruk. Als je tenminste even vergat dat niemand daar voor zijn plezier aan het werk was. Zulke impressies schrijf ik op in mijn dagboek. Ze kunnen de kiem zijn voor verhalen.’

Maar lang niet altijd komt het ervan, want tussen droom en daad staan praktische bezwaren. Wolffers werkt grotendeels als freelancer. ‘Alleen maar boeken schrijven voor een klein publiek zit er daarom niet in.’

Nog één dag in de week werkt hij als hoogleraar aan de VU. Hij vertelt dat hij teleurgesteld is in de universiteit. Ooit gaf hij jaarlijks twee weken achtereen les over cultuur en gezondheidszorg in het medisch curriculum. ‘Het voelt of ze me dat hebben afgepakt. Op een gegeven ogenblik mocht ik zelfs mijn eigen budget niet meer beheren.’

‘Ik ben lastig’, relativeert hij na een korte pauze. ‘Dat mensen soms hun buik vol van me hebben, kan ik best begrijpen.’ Hij noemt zich een party-pooper. Niet iemand die de stemming erin houdt. ‘Nee. Want dan roep ik weer dat instantoplossingen niet bestaan in de geneeskunde. Dat er veel slechte wetenschap is. Dat er een direct verband is tussen wantrouwende mensen die wegblijven bij een vaccinatiecampagne en het feit dat economische belangen en wetenschap steeds meer verstrikt zijn geraakt.’

Vlak de invloed van de spookverhalen die daardoor, bijvoorbeeld op het internet, de ronde doen, niet uit. Wolffers stond in de jaren zeventig aan de wieg van ‘de mondige patiënt’. Toen heette het nog: kennis is macht. Dat is nog steeds zo, denkt hij. Maar kennisoverdracht is minder gemakkelijk dan hij in de jaren zeventig voorzag: ‘Tijdens een signeersessie zat er zo’n kruidendokter naast me, die ook zijn boeken signeerde. Hij had op alle problemen die mensen hem voorlegden een direct en eenvoudig antwoord.

Toen bedacht ik wat een zaligheid het is als je die zekerheid als arts zou kunnen bieden. En hoe moeilijk het is als je geleerd hebt om wetenschappelijk te zijn en aan dingen te twijfelen. Mensen willen altijd zekerheden.’

Hij staat op om opnieuw een paar espresso’s te halen. Bij terugkomst uit de keuken schakelt hij moeiteloos over op een andere kwestie die de zekerheden van talloos veel mensen aantast: de positie van ‘de nieuwe Nederlanders’. Hij heeft zich veel met allochtonen en gezondheidszorg beziggehouden. Met het recht op medische hulp voor illegalen bijvoorbeeld. Hij voerde actie voor een generaal pardon.

Al vroeg in zijn loopbaan was hij zich bewust hoe sociaal-culturele spanningen tussen meerderheden en minderheden kunnen escaleren. ‘Ik was in 1984 in Sri Lanka voor mijn proefschriftonderzoek, toen daar het geweld uitbrak tussen de boeddhistische Singalezen en de hindoeïstische Tamils. Dat heeft een diepe indruk op me gemaakt. Hoe was het mogelijk dat mensen die zo op elkaar leken, die elkaars heiligdommen bezochten, slaags raakten? En dat boeddhistische monniken de tempeltjes van de hindoes kapot gingen slaan in een poging hun eigen cultuur van vreemde smetten te zuiveren?’

De basis voor begrip tussen mensen – noem het vrede –, heeft Wolffers geleerd, is de bereidheid door de ogen van de ander te kijken en ‘buiten je gebruikelijke denkkaders te treden’. ‘Wat je hoopt is dat mensen daardoor leren omgaan met tegengestelde belangen en met de angsten die ze voor elkaar hebben. Dat is geen eenvoudige opgave. Je ziet in Nederland nu een tegengestelde beweging: we trekken ons terug in wat vertrouwd is. De platforms waarop we elkaar ontmoeten en met elkaar communiceren zijn afgenomen in aantal. Ik zie er drie waar alle bevolkingsgroepen wel eens komen: het werk, de school, de gezondheidszorg. Daar moeten we het van hebben.’

Maar Wolffers is geen naïeve vredesapostel. Hij laat de ik-figuur in zijn meest succesvolle roman, Liefste, mijn liefste, noteren dat de mooiste perioden van de Europese cultuur – de Renaissance en de Verlichting – weliswaar ‘een hogere menssoort’ in het vooruitzicht stellen, maar dat daardoor ‘al te menselijke eigenschappen, zoals de lust tot liefde, de hebzucht en de gulzigheid, ongewenst geworden zijn, hetgeen wel moest uitmonden in kolonialisme, fascisme en racisme’.

‘Beschaving is inderdaad een dun laagje vernis’, zegt hij. ‘Het is tot op zekere hoogte een luxe, die functioneert in welstand. In 1977 waren Marion en ik voor het eerst in Indonesië. We waren getuige van een ernstig verkeersongeval. Twee meisjes waren aangereden door een motor. Een van hen had een heup gebroken. Veel kon ik niet doen, behalve zorgen voor vervoer naar het ziekenhuis. Ik moest torenhoge bedragen betalen voor een vrachtwagentje en lang onderhandelen. Toen begreep ik dat mensen die bijna niets hebben, het zich niet kunnen veroorloven iets voor niets te doen.’

Spreekt hier ook de antropoloog?
‘Ik ben blij dat ik dat vak heb gestudeerd. De echte wereld is meer dan medische biologie. Je moet analyseren in welke maatschappelijke context mensen gezondheid “produceren”. En beseffen dat zo’n context nooit zonder machtsverschillen bestaat. Tijdens college probeerde ik studenten vaak in verwarring te brengen. Zo liet ik ze ooit een filmpje zien met een blozende, blonde diabetespatiënt. Hij vertelde over zijn sociale isolement, hoe hij zich onbegrepen voelde, hoe de apotheek hem verkeerde medicatie gaf. Zijn zelfmedelijden was groot. Vervolgens vertoonde ik een filmpje met een Turkse man in een koffiehuis, die nagenoeg dezelfde tekst uitsprak. Een kwart van mijn studenten zag de overeenkomst niet. Dat was nou een typische buitenlander, vonden ze. Een man die de weg in de Nederlandse zorg niet kende, die niet kon relativeren en geen gevoel voor humor had. Later werd ik ervoor op mijn vingers getikt: ik mocht de filmpjes niet in de opleiding gebruiken. Het was bedrog. Dat vond ik een behoorlijke afknapper.’

Jarenlang begeleidde hij stages van geneeskundestudenten die naar ontwikkelingslanden gingen. ‘In coschappen daar zag ik nooit zoveel. Liever stuurde ik ze naar een sloppenwijk in Dakar. Of naar Bangladesh, waar jaarlijks grote overstromingen zijn. Met vragen als: hoe kom je onder die condities aan schoon drinkwater? Hoe maak je dan vuur? Ik wil dat studenten begrijpen dat gezondheid niet alleen een kwestie is van medicaliseren. Studenten zitten vaak gevangen in het beeld van wittejassenheroïek. Neem ze het eens kwalijk.’

Hij vindt dat onderzoek een manier moet zijn om van binnenuit de omstandigheden van mensen te verbeteren. ‘Het heeft niet zoveel zin dat een onderzoeker ontdekt dat prostituees geen condooms gebruiken, omdat het op den duur pijn doet. Belangrijk is dat die prostituees zelf ontdekken waarom ze dingen doen en wat ze kunnen veranderen om hun positie te verbeteren.’

Soms ook moet je onorthodoxe maatregelen durven nemen. ‘De braindrain van artsen en andere gezondheidswerkers van arme streken naar de steden en naar rijkere landen is te voorkomen door bijvoorbeeld voor sommige taken in de zorg vrouwen met kinderen op te leiden: die gaan namelijk niet weg. Of lokale artsen niet in het Engels, maar in hun landstaal op te leiden, en ze te onderwijzen over lokale ziekten, zoals kinderdiarree of spontane abortus, en niet over kanker of hartinfarcten.’

Ivan Wolffers is een reiziger. Altijd geweest, net als zijn vader en grootvader. In zijn boek Op zoek naar het paradijs vertelt hij hoe in elk van ons het verlangen leeft naar het andere, het onbekende. ‘Zo is de topografie van het geluk ontstaan: de wereldkaart in ons hoofd waarvan we ons niet bewust zijn en waarop goedheid, schoonheid en geluk hun eigen coördinaten hebben.’ Arcadië, Shangri-La, Xanadu, hof van Eden, Utopia – allemaal namen voor het paradijs. Dat vredige product van de verbeelding, waar overvloed heerst en waar iedereen vrij is van pijn en ziekten en kan rekenen op – het waren vaak mannenfantasieën – ongecompliceerde erotiek.

Misschien dat voor Wolffers Indonesië er het dichtst bij komt? Zijn vader heeft er gewoond, hij is er vaak geweest, zijn schoonouders hebben er hun wortels en hij heeft er een aantal romans gesitueerd. Nee, een paradijs is het niet. Maar bij momenten is het er wel ‘paradijselijk’. Wat hem trekt zijn ‘de mensen, het is de natuur, de lichtval van vier uur ’s middags, de Sundanese fluitmuziek’. ‘Soms blader ik via facebook in de fotoalbums van onbekende mensen die er zijn geweest. Het is bijna voyeurisme.’

Je bent zelf ook een gepassioneerd fotograaf
‘Mijn foto’s zijn, net als mijn reisverhalen, pogingen mijn eerste indruk, de verrassing vast te leggen. De schoonheid daarvan mag niet verdwijnen, want als die verdwijnt, verdwijnt de hele wereld. Het leven verglijdt, niets blijft. Daarom vind ik het ook zo fijn dat die drie Indonesische romans opnieuw zijn verschenen en dat volgend jaar hetzelfde gebeurt met de drie weekboeken over mijn ziekte. Dat heeft ook iets engs, besef ik. Dat gaat bijna op afsluiten lijken en dat wil ik beslist nog niet.’

Hoe ziek ben je?
‘Het is chronisch; ik heb een advanced cancer die buiten het kapsel getreden is. Ik reageer op de medicatie, maar er zal op den duur resistentie optreden. Wanneer dat zal zijn, weet ik niet. Het gaat betrekkelijk goed. Ik denk er niet veel aan. Ik leef. En met veel genoegen.’

Nog één groot project heeft hij op stapel staan. Wolffers wil al zijn ideeën over gezondheidszorg in één samenhangend betoog bijeenbrengen. Ironisch: ‘Ik wil het ongelijk van Darwin beschrijven. Straks zullen alle mensen namelijk hun leven lang ziek zijn en nooit meer beter worden. Alle risicofactoren zullen we medicaliseren, al het afwijkende of storende gedrag, alles wat we niet aantrekkelijk vinden aan ons lichaam.’

Hij is nu zeven jaar patiënt. ‘Het is erger dan ik dacht, maar ook veel menselijker. Ik zie de onhandigheden en klunzigheden van artsen. Ze willen de lieve vrede bewaren en positivisme uitstralen. Toen ik voor de eerste keer bij de Iraanse uroloog kwam die mijn bestraling ging doen, had hij goede raad. Je moet vooraf even dit weten: mijn vrouw ziet er een stuk jonger uit dan ik, hoewel we niet veel in leeftijd schelen. Hij zei: “U heeft nog een jonge vrouw. U moet het wel blijven doen, hoor. Als het niet lukt, huurt u maar een vies filmpje.” Ik dacht: wat een fantastische man! Later heb ik dat opgeschreven in een van de gepubliceerde weekboeken. Collega’s van hem kregen het onder ogen. Wat vraag jij toch een rare dingen aan de patiënten, zeiden ze tegen hem. Waarop hij reageerde: “Nee, joh, dat is een schrijver, die verzint gewoon dingen”.’

tekst: Henk Maassen
beeld: Herman van Gestel

Ivan Wolffers

Geboren op 17 mei 1948 in Amersfoort. Studeerde geneeskunde in Utrecht. Promoveerde op een onderzoek naar medische tradities in Sri Lanka. Sinds 1989 hoogleraar gezondheidszorg en cultuur aan de VU. Publiceerde sinds 1977 diverse versies van het standaardwerk Medicijnen. Verder schreef hij verhalen en romans. Zijn ervaringen als kankerpatiënt legde hij vast in Walvis spelen (2004). Heimwee naar de lust (2006) en Onweer in de verte (2008). ‘De belangrijkste datum in mijn leven was 30 januari 1971. Ik ontmoette Marion Bloem, mijn echtgenote, en we besloten om samen te reizen en te schrijven. Voor ik haar leerde kennen was het simpel om te zeggen dat ik schrijver was, kritisch arts zou worden en wilde reizen. Om haar in me te kunnen laten geloven, wilde ik het ook realiseren. Ik zou absoluut niet degene zijn die ik nu ben, als ik haar niet was tegengekomen.’

 

download
print dit artikel
  • Henk Maassen

    Henk Maassen (1958) is journalist bij Medisch Contact, met speciale belangstelling voor psychiatrie en neurowetenschappen, sociale geneeskunde en economie van de gezondheidszorg.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • J.M.E. Rademaker, HOOGLAND 18-12-2009 00:00

    ""Alle risicofactoren zullen we medicaliseren, al het afwijkende of storende gedrag". Helemaal mee eens, toch denk ik dat het bruto geluk groter zal zijn als er geen rookverslaving meer is. Groet
    Han Rademaker, huisarts"

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.