Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
mr. W.P. Rijksen B.V.M. Crul - arts
23 februari 2011 6 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Huisarts (te) diep door het stof

Plaats een reactie

Dat de uitleg van een (huis)arts, hoe open, goedbedoeld en deskundig verwoord ook, niet altijd goed overkomt en daardoor soms zelfs tot een belastende tuchtzaak kan leiden, illustreert onderstaande casus.

Soms moet je als arts helaas een dikke professionele huid hebben. Onder de diagnose spierreuma en na verwijzing naar de internist wordt een patiënte met prednison behandeld. Mede vanwege haar tevens bestaande maagklachten wordt er maagbescherming bij gegeven. Patiënte wordt vervolgens onwel tijdens een bezoek aan de praktijkassistente en verwijt nu de huisarts dat hij zich ongeïnteresseerd toonde, terwijl deze haar onder andere herinnert aan wat hij toen met haar besproken heeft. Na het onwel worden wordt ze verzocht in de wachtkamer te wachten tot het beter gaat en krijgt het aanbod om naar huis begeleid te worden. De huisarts ziet haar even later echter zelf wegfietsen. Bij het tuchtcollege verklaart hij het te betreuren dat hij daarna geen contact met haar gezocht heeft.

Als patiënte niet twee dagen later in het ziekenhuis zou zijn opgenomen met dezelfde klachten, zou hij dan ook zo diep – met instemming van het college – door het stof zijn gegaan? Laten we wel enige nuchterheid blijven betrachten en ook de verantwoordelijkheid van de patiënt niet uit het oog verliezen.

B.V.M. Crul, arts
mr. W.P. Rijksen

Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen d.d. 5 januari 2010

(ingekort door redactie MC)

Het college heeft het volgende overwogen en beslist over de op 19 maart 2009 binnengekomen klacht van A, wonende te B, klaagster, tegen C, huisarts, werkzaam en wonende te B, verweerder, verder te noemen: de huisarts.

Verloop van de procedure

(…)

Vaststaande feiten

Voor de beoordeling van de klacht gaat het college uit van de volgende feiten, die tussen partijen als niet of onvoldoende betwist vaststaan.

Klaagster is sinds 1997 patiënte in de praktijk van huisarts geweest. Patiënte leed in november 2008 aan aanhoudende buikklachten. De huisarts schreef daarvoor medicatie voor (naast het al bestaande gebruik van omeprazol ook sucralfaat, later nog domperidon).

Bij een consult op 17 november 2008 vermoedde de huisarts spierreuma bij patiënte. Een bloedonderzoek ondersteunde dat vermoeden. Verder bleek uit dit onderzoek een lichte vorm van bloedarmoede.

De huisarts verwees patiënte naar de internist. Deze zag haar op 26 november 2008 en liet aanvullende onderzoeken verrichten. De indicatie was spierreuma of mogelijk arteritis temporalis. Patiënte kreeg prednisolon voorgeschreven.

Patiënte meldde zich op 5 december 2008 met klachten over misselijkheid bij de apothekersassistente van de huisarts. Tijdens een afgesproken bloeddrukcontrole bij de doktersassistente in de praktijk van de huisarts op 8 december 2008 werd patiënte onwel. De huisarts adviseerde de dosering prednisolon voor drie dagen op 20 mg te handhaven, maar niet te staken, en contact met hem te blijven houden over het beloop van de klachten.

Op 10 december 2008 werd patiënte opnieuw onwel en opgenomen in het ziekenhuis.

De klacht

De klacht bestaat, naar het college begrijpt, uit de volgende onderdelen:

De huisarts heeft een onjuiste diagnose gesteld en een onjuist medicatiebeleid gevoerd.

Hij heeft zich ongeïnteresseerd getoond toen patiënte op 8 december 2008 in zijn praktijk onwel werd.

Beoordeling

Het eerste klachtonderdeel

Dit klachtonderdeel treft geen doel. Klaagster heeft onvoldoende ingebracht tegen het verweer van de huisarts dat hij voor de spierreuma, die hij bij patiënte vermoedde, prednisolon wilde voorschrijven, maar dat het hem bekend was dat deze medicatie maagaandoeningen kan verergeren en zelfs met maagbloedingen kan compliceren.

De huisarts heeft voorts naar voren gebracht dat hij de internist om die reden heeft gevraagd om zowel een maagonderzoek als een beoordeling of bevestiging van het vermoeden van spierreuma. Toen dit vermoeden in zoverre werd bevestigd, dat de internist op indicatie van spierreuma 2x20 mg prednisolon voorschreef, heeft de huisarts patiënte geadviseerd in verband met haar voorgeschiedenis en klachten met 20 mg per dag te beginnen en deze dosering na enkele dagen te verhogen naar 40 mg per dag. Toen patiënte zich misselijk voelde bij het gebruik van het maagbeschermende middel sucralfaat heeft hij, op grond van de bekende bijwerkingen en complicerende effecten voor de maag van prednisolon, patiënte met uitleg geadviseerd de lagere dosering van laatstgenoemd middel nog enige dagen te handhaven. Klaagster heeft tegen dit verweer onvoldoende ingebracht, zodat het college van de zakelijke juistheid daarvan uitgaat.

Het college acht dit een verdedigbaar medicatiebeleid. Daaraan kan niet afdoen dat later in het ziekenhuis 60 mg prednisolon werd voorgeschreven, omdat, zoals de huisarts onbestreden heeft aangevoerd, dit geschiedde op verdenking van encefalitis of meningitis, die een verhoogde dosering noodzakelijk maakte. De ziekenhuisopname was naar het oordeel van het college niet te voorzien.

De omstandigheid dat patiënte snel opknapte, terwijl de neuroloog de zojuist omschreven verdenking niet kon bevestigen, doet het college met de huisarts veronderstellen dat patiënte aan de 20 mg prednisolon te weinig had. Dit maakt het beleid van de huisarts echter nog niet onjuist, omdat hij daarvoor een goede reden had (de aanhoudende maagklachten van patiënte, de bekende nadelige
effecten van prednisolon voor maagaandoeningen). Hij heeft, zoals onbestreden is gebleven, dit beleid aan patiënte uitgelegd en haar geadviseerd met hem contact te blijven onderhouden om het verdere beloop te kunnen volgen. In zoverre had de verlaagde dosering ook een tijdelijk karakter. De huisarts hield er immers al rekening mee dat de dosering weer zou moeten worden bijgesteld.

Alles bijeengenomen kan niet worden geoordeeld dat de huisarts met betrekking tot het eerste klachtonderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het tweede klachtonderdeel

Tegenover de stelling van klaagster dat hij zich ongeïnteresseerd toonde toen zij op 8 december 2008 onwel werd (‘hier kan ik niets mee’), heeft de huisarts naar voren gebracht dat hij juist met de assistente heeft overwogen wat de mogelijke oorzaken waren en wat er moest worden gedaan (onwel op de prednisolon, doorzetten van de spierreuma, verhoogde bloeddruk, prednisolon juist wel of niet verhogen). Klaagster heeft onvoldoende ingebracht tegen dit verweer van de huisarts en evenmin tegen diens betoog dat hij haar toen uitleg van en advies over de handhaving van de verlaagde dosering van prednisolon heeft gegeven en dat de assistente haar gevraagd heeft even in de wachtkamer te wachten. Voorts heeft zij niet betwist dat haar is aangeboden haar naar huis te begeleiden. Het verwijt dat de huisarts haar zou hebben weggestuurd, houdt dus geen stand.

De huisarts heeft ter terechtzitting van het college naar voren gebracht dat hij voornemens was patiënte tijdens dit bezoek aan zijn praktijk na enige tijd, als zij weer helemaal bijgekomen was, in de wachtkamer op te zoeken. Aan dat voornemen kon hij geen uitvoering geven, omdat hij haar naar zijn zeggen vanuit zijn spreekkamer zag wegfietsen, hetgeen zij tegenover het college niet heeft betwist.

De huisarts heeft tegenover het college verklaard te betreuren en het als een tekortkoming te zien dat hij niet dezelfde dag met patiënte contact heeft gezocht om alsnog na te gaan hoe het met haar gesteld was en eventuele verdere afspraken over het beleid te maken. Het college onderschrijft dit. Deze tekortkoming is naar zijn oordeel echter van onvoldoende gewicht om een tuchtrechtelijk verwijt te kunnen dragen.

Slot

De beide klachtonderdelen zijn ongegrond. Al hetgeen klaagster verder nog naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Om redenen aan het algemeen belang ontleend, zal deze beslissing, geanonimiseerd, als aangegeven in artikel 71 van de Wet BIG, zodra zij onherroepelijk is, op na te melden wijze worden bekendgemaakt.

Beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Groningen

- verklaart de beide klachtonderdelen ongegrond en wijst deze af;

bepaalt voorts dat de beslissing, ingevolge artikel 71 van de Wet BIG, geheel in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en aan de tijdschriften Medisch Contact, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht en Gezondheidzorg Jurisprudentie ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Aldus gegeven door mr. J.G.W.
Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, dr. R.A. Droog, lid-geneeskundige, drs. E.M ter Braak, lid-geneeskundige, drs. F. Krijnen, lid-geneeskundige, mr. dr. H.L.C. Hermans, lid-jurist, en mr. J. Wiersma-Veenhoven, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2010 door de voorzitter, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Meer tuchtzaken

<PDF van dit artikel</b>
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.