Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Henk Maassen Laurine Alderlieste
02 juli 2014 6 minuten leestijd

Euregio Maas-Rijn strijdt tegen infectieziekten

Plaats een reactie

ZIEKTEBESTRIJDING

‘Moderne infectieziektebestrijding gaat over grenzen heen’

Het Nederlands-Belgisch-Duitse verbond Euregio Maas-Rijn doet onder meer aan infectieziektebestrijding. Dat is nodig, zegt de Zuid-Limburgse arts-hoogleraar Christian Hoebe, want: ‘Infectieziekten houden zich niet aan kunstmatige grenzen.’

Christian Hoebe bevindt zich in een unieke positie. Als arts maatschappij en gezondheid en als hoofd van de afdeling Seksuele gezondheid, Infectieziekten en Milieu (SIM) van GGD Zuid-Limburg werkt hij in een gebied waarvan de omtrek voor 95 procent aan het buitenland grenst – zowel aan België als aan Duitsland.

Hoebe houdt zich, als bijzonder hoog-leraar infectieziektebestrijding aan de Universiteit van Maastricht, onder andere bezig met onderzoek naar dreigende infectieziekten. De afdeling SIM is verantwoordelijk voor de soa-zorg in Zuid-Limburg. Het is daarom niet verwonderlijk dat soa-gerelateerd onderzoek, met bijzondere aandacht voor chlamydia, een belangrijke plaats in Hoebes onderzoek inneemt.

In zijn oratie noemde hij ‘Infectieziektebestrijding 2.0’ een van zijn speerpunten. Daarmee bedoelt hij ‘infectieziektebestrijding die oog heeft voor nieuwe ontwikkelingen’. Volgens Hoebe horen daar ook de mogelijkheden bij die internet en social media bieden. ‘Bij de vaccinatie tegen HPV hebben we een veel
lagere vaccinatiegraad gehaald, omdat we vooraf geen rekening hadden gehouden met de impact van internet, waar indianenverhalen de ronde deden over dat je er misschien aan dood zou kunnen gaan. We hadden niet moeten denken dat het informatiefoldertje dat vijftien jaar geleden goed werkte, nu nog steeds effectief is; we moeten meegaan met onze tijd. Infectieziektebestrijding 2.0 gaat over grenzen heen, zowel medisch-biologisch als communicatief’.

Maar dat geldt zeker ook in letterlijke zin: ‘Grensoverschrijdende zorg is hier in onze Euregio Maas-Rijn een thema waar je niet omheen kunt; infectieziekten houden zich nu eenmaal niet aan kunstmatige grenzen. Neem de recente Q-koortsepidemie, de grootste epidemie die we de afgelopen tien jaar hebben doorgemaakt. De ziektegevallen leken beperkt te blijven tot Nederlandse patiënten, aangezien er in Duitsland geen gevallen van Q-koorts waren gemeld of geconstateerd. Gedurende de epidemie maakten we een plaatje met de geografische verspreiding van Q-koorts, waarbij de besmettingen precies leken op te houden bij de grens. Dat was natuurlijk erg onwaarschijnlijk. Toen we, na afloop van de epidemie, met Duitse collega’s het bloed van Duitse donoren onderzochten, bleek er inderdaad ook in Duitsland massale verspreiding van Q-koorts te hebben plaatsgevonden. Patiënten met Q-koorts werden daar echter niet herkend en getest. Een ander voorbeeld is een epidemie van het noro-virus op drie Nederlandse basisscholen. Het bleek dat de kinderen naar een attractiepark in België waren geweest, waar een waterspeelfontein besmet was met het virus. Toen we daar met onze Belgische collega’s over spraken, vertelden zij dat het ook in België al vaker was voorgekomen. Zulke situaties zijn aanleiding om met elkaar om de tafel te gaan zitten en intensiever samen te werken.’

Hoe is de samenwerking met België en Duitsland vervolgens tot stand gekomen?
‘Met het Vlaamse gedeelte van België lagen we al redelijk op één lijn; de Vlamingen hebben namelijk de Nederlandse infectieziekteprotocollen overgenomen. Duitsland heeft echter eigen systemen.

De afgelopen vijftien tot twintig jaar hebben we in Nederland gewerkt aan een beter infectieziektebestrijdingssysteem, naar aanleiding van epidemieën en incidenten van bijvoorbeeld polio en legionella, zodat er meer deskundigen in actie kunnen komen als het om infectieziektebestrijding gaat. Duitsland bleef hier een beetje bij achter; de situatie daar is zoals het tien jaar geleden in Nederland was. Bij de EHEC-epidemie in Duitsland, waaraan in 2011 53 mensen zijn overleden en waarmee ook mensen in Nederland besmet zijn geraakt, duurde het bijvoorbeeld lang voordat de Duitse autoriteiten de epidemie onder controle kregen. Komkommertelers kregen het moeilijk toen hun producten als oorzaak werden genoemd, maar uiteindelijk bleken geïmporteerde, in Egypte gekiemde fenegriekzaden de bron te zijn. Er is een Gesundheitsamt, de Duitse variant van de GGD, met een afdeling die gespecialiseerd is in infectieziekten, maar er is minder personeel en de meldingswegen zijn langer dan in Nederland. In eerste instantie hebben we bijeenkomsten georganiseerd om elkaar en elkaars systemen te leren kennen. Daarnaast hebben we gewerkt aan het verbeteren van de communicatie met betrekking tot infectieziektebestrijding. Door middel van workshops en trainingen zijn we tot een meldingssysteem gekomen, met ‘cross-border risk alerts’, waar we nu ongeveer een jaar mee werken. Dit systeem maakt gebruik van verschillende levels. Het laagste level heeft alleen een regionale component en hoeft niet aan de buurlanden gemeld te worden, terwijl het hoogste level een grote kans op verspreiding heeft die als zodanig gemeld moet worden. Op deze manier willen we voortaan bij een epidemie met elkaar communiceren. Tijdens een oefening met teams uit België, Duitsland en Nederland, waarbij we een grensoverschrijdende uitbraak van een hepatitis A-epidemie hebben nagespeeld, hebben we de cross-border risk alerts in de praktijk gebracht. Naast dat het een goede oefening was om elkaar te leren kennen, bleek het ook inderdaad goed te werken.’

Zijn de cross-border risk alerts al eens in de praktijk gebracht?
‘Recentelijk hebben we een paar keer te maken gehad met situaties met een laag verspreidingsrisico. Een voorbeeld is de vossenlintworm. 50 procent van de geschoten vossen rond Maastricht bleek deze lintworm bij zich te hebben. Bij mensen kan die een ernstige leverziekte veroorzaken. Samen met de Voedsel- en Waren Autoriteit hebben we hier aandacht voor gevraagd op wandelpaden en mensen geadviseerd om geen bosbessen te eten; met name over laaghangende bosbessen kunnen vossen urineren, waardoor mensen ook besmet kunnen raken met de lintworm. Vossen houden zich natuurlijk niet aan de door ons opgelegde grenzen, dus we hebben ook onze buurlanden hierover geïnformeerd.’

Welke knelpunten bent u tegengekomen in de samenwerking met Duitsland en België?
‘De grootste barrière is de taal. Duitsers willen in het Duits communiceren; praten en schrijven in het Engels gaat hen niet zo gemakkelijk af. In ons team zitten gelukkig mensen die goed Duits spreken, dus dat maakt uitwisseling en contact een stuk gemakkelijker. Met Wallonië hebben we echter nog geen samenwerking kunnen opzetten. Mogelijk heeft dit te maken met de Franse taal, maar hun aanpak is ook anders dan die van de Vlamingen.’

Buitenlandse ziekenhuizen in de grensstreek lopen er vaak tegenaan dat patiënten die overgeplaatst worden naar een Nederlands ziekenhuis eerst in isolatie moeten, vanwege MRSA-besmettingsgevaar. Het zou handig zijn om hiervoor een generieke regel te verzinnen, maar dit gebeurt dus niet?
‘Nee, jammer genoeg niet. Duitsland en België pakken wel veel dingen op in hun protocollen op het gebied van hygiëne. Daarnaast bestaat er een Eurosafety Healthnet, waar gezamenlijk geprobeerd wordt om de protocollen op orde te stellen. Als je kijkt naar antibioticaresistentie, waaronder MRSA, wordt daar ook hard aan gewerkt. Toch zie je dat in Belgische en Duitse ziekenhuizen veel meer MRSA voorkomt dan in Nederland, omdat een “search-and-destroy”-beleid als in Nederland ontbreekt, en ook omdat zij meer antibiotica gebruiken in de humane sector. In de veterinaire sector is dit precies omgekeerd; in Nederland deden we het altijd heel slecht, maar de afgelopen jaren hebben we het antibioticagebruik in de veterinaire sector kunnen halveren. Als we dit alles afzetten tegen wat er in de rest van de wereld gebeurt (zie ook kader, red.) qua antibioticabeleid, dan hebben we natuurlijk maar een beperkte invloed.’



Grenzeloze aanpak resistentie

De Europese Commissie heeft in 2011 een actieplan gepubliceerd om de antibioticaresistentie aan te pakken. Ook de WHO werkt aan een mondiaal actieplan, en de Verenigde Staten hebben een Global Health Security-agenda gelanceerd, waarin antibioticaresistentie een prominente plaats heeft. Minister Schippers schrijft in een recente brief aan de Tweede Kamer dat ze het als een taak van de overheid ziet om, in samenwerking met andere landen, investeringen van de grond te krijgen om nieuwe klassen van antibiotica te ontwikkelen.

Zie de kamerbrief van minister Schippers (PDF)



Laurine Alderlieste & Henk Maassen

h.maassen@medischcontact.nl





<b>Download dit artikel (PDF)</b>
  • Henk Maassen

    Henk Maassen (1958) is journalist bij Medisch Contact, met speciale belangstelling voor psychiatrie en neurowetenschappen, sociale geneeskunde en economie van de gezondheidszorg.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.