Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
C. Das
02 december 2003 8 minuten leestijd

Een inbreuk op het beroepsgeheim

Plaats een reactie

Informatie aan en van de gemeentelijk lijkschouwer


Soms is het uitwisselen van informatie tussen behandelend arts en gemeentelijk lijkschouwer een inbreuk op het beroepsgeheim. De informatieplicht weegt dan zwaarder dan de zwijgplicht. De wet en de regels van het beroepsgeheim bepalen hoever die informatieplicht gaat.



C. Das



Na het overlijden van zijn patiënt is de behandelend arts in sommige gevallen verplicht de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen. Vaak is onduidelijk welke informatie hij aan de lijkschouwer moet of mag


verstrekken. Evenmin is duidelijk welke gegevens de gemeentelijk lijkschouwer na een lijkschouw mag verstrekken aan huisarts, nabestaanden, verzekeraar, begrafenisondernemer, burgerlijke stand, ambassade, en politie en justitie. Wettelijke regels en de regels van het beroepsgeheim bepalen (voor een deel) wat wel en wat niet is toegestaan.

zwijgrecht en zwijgplicht

Het uitwisselen van informatie kan een inbreuk zijn op het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim omvat een zwijgrecht en een zwijgplicht. Het zwijgrecht (ook wel verschoningsrecht genoemd) geeft een arts het recht om tegenover justitie te zwijgen. De wettelijk opgelegde zwijgplicht (artikel 272 van het wetboek van strafrecht) verplicht een arts de vertrouwelijke gegevens die hij in de uitoefening van zijn beroep heeft verkregen voor zich houden. Deze plicht geldt tegenover iedereen. De zwijgplicht blijft na de dood voortbestaan. De ‘geheimen’ van een patiënt, dat zijn al zijn medische en persoonlijke gegevens, dienen geheim te blijven. Een arts mag het dossier van een overledene in principe niet afgeven aan de nabestaanden of hen inlichten over zijn ziekten of persoonlijke omstandigheden. Deze zwijgplicht kan botsen met de plicht de gemeentelijk lijkschouwer te informeren. Als de behandelend arts die de dood, de doodsoorzaak en de aard van het overlijden van zijn patiënt moet vaststellen, namelijk ‘meent niet tot afgifte van een verklaring van overlijden te kunnen overgaan, doet hij hiervan onverwijld mededeling aan de gemeentelijke lijkschouwer’, aldus artikel 7, lid 3 van de Wet op de Lijkbezorging (WLB). Het informeren van de gemeentelijk lijkschouwer is in principe een inbreuk op het beroepsgeheim. Vertrouwelijke gegevens van de overledene worden naar buiten gebracht. De behandelend arts heeft echter de wettelijke plicht de gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen als hij twijfelt aan een natuurlijke dood of als duidelijk is dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood. Dit is dus een gelegitimeerde inbreuk op het beroepsgeheim.


In het verleden is er vanwege deze inbreuk langdurig gediscussieerd over de vraag of een arts een sterfgeval wel mocht melden en daarna over de vraag of hij wel aan de overheid mocht aangeven dat er mogelijk sprake was van een niet-natuurlijke dood. Als een patiënt is overleden door een misdrijf, is dit gegeven overigens niet zo zeer ‘het geheim’ van de overledene, maar meer het geheim van de dader. Hier lijkt de melding aan de autoriteiten eerder een plicht dan een inbreuk op het beroepsgeheim. Anders ligt het bij een suïcide, waarvan de melding aan gemeentelijk lijkschouwer of politie wel als een inbreuk op het geheim van de patiënt (en zijn familie) kan worden opgevat. Sommigen hebben voorgesteld om deze reden suïcide uit te zonderen van de meldingsplicht. Daarvan heeft de wetgever echter afgezien, mede omdat er sprake zou kunnen zijn van het strafbare feit van aanzetten of behulpzaam zijn bij zelfmoord (art. 294 strafrecht).

Hoever de informatieplicht van een behandelend arts gaat, is onduidelijk. Heeft de gemeentelijk lijkschouwer ‘recht’ op inzage van het hele medisch dossier of alleen op de informatie die direct verband houdt met het overlijden? Moeten ziekten en persoonlijke omstandigheden (verslavingen, financiële positie, verstandhouding met familie, partner en buren) die relevant kunnen zijn voor de toedracht van het overlijden, ook aan de gemeentelijk lijkschouwer worden gemeld?


Hierover is niets vastgelegd. Gebruikelijk is dat de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer zoveel mogelijk relevante informatie verstrekt en dat de gemeentelijk lijkschouwer die informatie die verband houdt met het overlijden, in zijn rapport aan de officier van justitie vermeldt. Zeker als een strafbaar feit heeft geleid tot de dood van de patiënt, lijkt daar ook vanuit het oogpunt van het beroepsgeheim weinig bezwaar tegen. Medische en andere informatie die geen relatie hebben met het overlijden, moet de lijkschouwer naar mijn mening voor zich houden, dus ook niet doorgeven aan politie en justitie. De gemeentelijk lijkschouwer heeft een beperkt beroepsgeheim: de informatie die relevant is voor de beoordeling van de aard van het overlijden geeft hij door aan justitie, de overige informatie dient hij geheim te houden. Het is ongebruikelijk (en ongewenst) om een kopie van het medisch dossier aan justitie ter hand te stellen, omdat daarin veel meer informatie is neergelegd dan justitie voor de beoordeling van het sterfgeval nodig heeft.


Een andere vraag in dit verband is hoelang een behandelend arts verplicht is de gemeentelijk lijkschouwer informatie te verstrekken. Als een patiënt al is begraven en justitie opent een gerechtelijk onderzoek naar de aard van het overlijden, moet de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer, die op verzoek van de officier van justitie een onderzoek instelt, dan nog informatie verstrekken? Naar mijn mening geldt de verplichting van de behandelend arts om de gemeentelijk lijkschouwer te informeren alleen in de periode rond de lijkschouw, dus kort nadat de patiënt is overleden of zijn lijk is gevonden.

Op verzoek van een behandelend arts of op verzoek van justitie kan een forensisch arts optreden als gemeentelijk lijkschouwer. Wie de ‘opdrachtgever’ is, kan van belang zijn bij het doorgeven van informatie. Ook de aard van het overlijden is relevant. Is er sprake van een niet-natuurlijke dood, dan moet de forensisch arts op grond van de wet (art. 10 WLB) altijd rapporteren aan de officier van justitie, ongeacht wie de aanvrager is. Tegenover justitie is er dus geen zwijgrecht.


Onduidelijk is de situatie als de huisarts (en niet politie of justitie) om de lijkschouw heeft gevraagd en er sprake is van een natuurlijke dood. Volgens de WLB hoeft de gemeentelijk lijkschouwer de officier van justitie niet te informeren. Een wettelijke plicht om de officier van justitie te informeren bestaat dus niet. Maar mág de gemeentelijk lijkschouwer hem wel informeren of heeft hij een zwijgplicht en een zwijgrecht?


Het lijkt onlogisch dat een gemeentelijk lijkschouwer de officier van justitie niet zou informeren over de door hem verrichte lijkschouw. Onder de oude WLB (van kracht tot 1991) diende de gemeentelijk lijkschouwer overigens over elke lijkschouw - natuurlijke dood én niet-natuurlijke dood - te rapporteren aan de officier van justitie. Dat deze verplichting is vervallen, heeft meer een praktische dan een principiële achtergrond gehad.

Informatie van de behandelend arts waarop beroepsgeheim rust, wordt bij een niet-natuurlijke dood via de gemeentelijk lijkschouwer doorgesluisd naar justitie. Dit is een inbreuk op het beroepsgeheim op grond van een wettelijk verplichting. Alleen informatie die relevant is voor het beoordelen van de aard van het overlijden, mag de behandelend arts aan de gemeentelijk lijkschouwer (en de gemeentelijk lijkschouwer aan justitie) doorgeven, voor het overige blijft het beroepsgeheim van de behandelend arts overeind. Als politie en justitie zich rechtstreeks tot de behandelend arts van een overleden patiënt wenden met het verzoek om informatie, kan de arts zich zonder meer beroepen op zijn zwijgrecht.


Tegenover justitie heeft de gemeentelijk lijkschouwer in principe geen zwijgrecht betreffende de informatie die samenhangt met het door hem onderzochte sterfgeval. Het is nu juist zijn taak om een onderzoek in te stellen en justitie te informeren. Tegenover ieder ander heeft hij een zwijgplicht, hetzij op grond van zijn status als arts, hetzij op grond van zijn ambtelijke status en de daaraan verbonden geheimhoudingsplicht. Bij een niet-natuurlijke dood mag hij absoluut niemand, ook huisarts of familieleden niet, inlichtingen verschaffen. Ieder die informatie wenst, moet worden verwezen naar de officier van justitie. Bij een natuurlijke dood is de zaak gecompliceerder.

In principe ‘reikt het beroepsgeheim tot over het graf’. Dat betekent dat vertrouwelijke gegevens ook na iemands overlijden geheim moeten blijven. Naar mijn mening wordt deze regel niet opzijgezet als de gemeentelijk lijkschouwer de lijkschouw heeft verricht. Net als de behandelend arts heeft de lijkschouwer, ook al had hij geen vertrouwensrelatie met de overledene, een zwijgplicht tegenover iedereen. De nabestaanden willen gewoonlijk echter weten hoe en waardoor het overlijden werd veroorzaakt. Het zou te ver gaan de familie deze informatie te onthouden, ook al is het verstrekken van deze informatie in principe een inbreuk op het beroepsgeheim.


De nabestaanden hebben in ieder geval geen recht op een kopie van het verslag aan de officier van justitie, het schouwverslag of het B-formulier (opgave doodsoorzaak aan het CBS). De behandelend arts heeft uiteraard ook recht op informatie over de bevindingen bij de lijkschouw. Men zou hier kunnen spreken van een gedeeld beroepsgeheim, ook al berust de zwijgplicht van de gemeentelijk lijkschouwer meer op zijn ambtelijke functie dan op het medisch beroepsgeheim.


Tegenover een verzekeringsmaatschappij geldt zonder meer een zwijgplicht voor de gemeentelijk lijkschouwer, of er nu sprake is van een natuurlijke dood of niet. Nabestaanden kunnen deze zwijgplicht niet opheffen. Er bestaat een regeling dat als de verzekeringsmaatschappij tot uitkering is overgegaan, de gemeentelijk lijkschouwer om statistische redenen (aan de medisch adviseur) opgaaf kan doen van de doodsoorzaak. Achtergrond van deze overeenkomst is dat de verzekeraar niet op grond van door de behandelend arts of gemeentelijk lijkschouwer verstrekte informatie kan weigeren tot uitkering over te gaan.


Tegenover de begrafenisondernemer en de burgerlijke stand heeft de gemeentelijk lijkschouwer in principe ook een zwijgplicht. De enige informatie die mag (en moet) worden verstrekt, is de aard van het overlijden (natuurlijke dood of niet-natuurlijke dood).


Sommige ambassades (zoals de Engelse en de Amerikaanse) vragen de gemeentelijk lijkschouwer een precieze opgave van de doodsoorzaak. Volgens Nederlands recht valt deze informatie onder het beroepsgeheim, volgens Angelsaksisch recht is er geen bezwaar tegen het verstrekken van deze informatie. 

Mr. C. Das,
Sociaal-geneeskundige, hoofd afdeling Algemene Gezondheidszorg GG&GD Amsterdam

Correspondentieadres: GG&GD, Postbus 2200, 1000 CE Amsterdam (CDas@gggd.amsterdam.nl)

SAMENVATTING


l Het hangt af van de positie van een arts en van de aard van het


overlijden of informatie mag worden verstrekt aan derden over de voorgeschiedenis van de overledene en de omstandigheden rond het overlijden.


l  Op grond van een wettelijke verplichting mag een behandelend arts informatie die relevant is voor het beoordelen van de aard van het overlijden, aan de gemeentelijk lijkschouwer doorgeven.


l Tegen inzage in het medisch dossier bestaat geen bezwaar, aangezien ook de gemeentelijk lijkschouwer een beroepsgeheim heeft. Afgifte van (een kopie van) van het dossier is niet wenselijk.


l Het is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer om justitie te informeren over de aard van het overlijden. Voor het overige heeft hij tegenover nabestaanden en andere instanties in principe een zwijgplicht.

Referenties
lHazewinkel-Suringa D. De doolhof van het beroepsgeheim. Haarlem: Tjeenk Willink, 1959.  l Gevers JKM. Het beroepsgeheim na het overlijden van de patiënt. Ned Tijdschr Geneeskd 1993; 137: 533-5.  l Ploem MC. Inzage in het medisch dossier na overlijden van de patiënt: uitgangspunten en actuele ontwikkelingen in de rechtspraak. Ned Tijdschr Geneeskd 1999; 143: 1826-9.  l Das C, Wal G van der. Het beroepsgeheim en de forensische geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd 2003; 147: 2076-80.  l Biederlack H. Verklaringen van overlijden en medisch beroepsgeheim. Ned Tijdschr Geneeskd 1894; 40: 930-4.   l Neurdenburg MG. De inhoud der verklaringen van overlijden. Ned Tijd

onduidelijk
opdrachtgever
doorverwijzen
over het graf
print dit artikel
beroepsgeheim
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties