Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
J.J. Tiessen
09 januari 2007 6 minuten leestijd

Doodsoorzaak onbekend

Plaats een reactie

Beleid



Gemeentelijk lijkschouwer standaard inschakelen bij overleden kinderen

Jaarlijks overlijden in Nederland 150 tot 200 kinderen zonder dat de doods­oorzaak bekend is. Het is dan van belang te achterhalen of het om een natuurlijke dood gaat of niet. Zo kunnen mogelijke gevallen van kinder­mishandeling worden opgespoord.

Beeld: Plainpicture, HH

Na het overlijden van een kind moet de oorzaak van het overlijden duidelijk zijn. Het vaststellen van de dood van een minder­jarige gebeurt in de thuissituatie meestal door de huisarts. Als de behandelend arts overtuigd is van een natuurlijke doodsoorzaak, geeft hij een verklaring van natuurlijk overlijden af. Is er sprake van niet-natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld door een ongeval, dan schakelt de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer in.1


Soms is de oorzaak van het overlijden van een minderjarige in de thuissituatie niet volledig duidelijk. Verwaarlozing of kindermishandeling kunnen hebben bijgedragen aan het overlijden van een minderjarige.


Bij twijfel van de huisarts aan een natuurlijke doodsoorzaak van een kind komt hij in een moeilijke positie. Is de twijfel gerechtvaardigd? Hoe nu om te gaan met het beroepsgeheim? Wat zijn de consequenties van zijn keuze om een gemeentelijk lijkschouwer in te schakelen? Wat zijn de verdere procedures en gevolgen?

Boven tafel


In 1996 bleek uit een landelijke enquête onder huisartsen en kinderartsen dat er bij 33 overlijdensgevallen van minder­jarigen een vermoeden van kindermishandeling was.2 Het gaat om 2 procent van de ongeveer 1800 overlijdensgevallen van minderjarigen in Nederland per jaar.


In opdracht van het ministerie van Justitie en het ministerie van VWS onderzocht adviesbureau Van Montfoort hoe in de praktijk wordt omgegaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijke dood van minderjarigen. De uitkomsten van dit onderzoek leverden richtlijnen op met als doel het ‘boven tafel krijgen’ van dood door kindermishandeling en de preventie van kindermishandeling. In het rapport werd voorgesteld bij alle gevallen van overlijden van minder­jarigen een gemeentelijk lijkschouwer te betrekken. Wanneer deze vermoedt dat er strafbaar is gehandeld, zou ofwel het Openbaar Ministerie hier direct onderzoek naar moeten doen ofwel er zou een regionaal evaluatieteam naar moeten kijken. Het advies van Van Montfoort stuitte echter op weerstand van de wetenschappelijke verenigingen en de KNMG heeft in 2001 negatief geadviseerd over het toepassen van de richtlijnen.3


Uit recent onderzoek komt naar voren dat huisartsen onvoldoende of niet zijn toegerust om een lijkschouw te verrichten. Ook eventuele letsels worden onvoldoende herkend of niet juist geïnterpreteerd.4


Wetgeving over het omgaan met vermoede gevallen van niet-natuurlijk overlijden van minderjarigen is noodzakelijk. Een wetswijziging op de Wet op de Lijkbezorging (WLB) is in voorbereiding. Het kabinet heeft in juni 2006 aangegeven het belangrijk te vinden dat nader onderzoek wordt verricht naar gevallen van onverklaard overlijden van minderjarigen, vooral om gevallen van niet-natuurlijke dood ten gevolge van kindermishandeling te kunnen opsporen. De commissie NODO (Nader Onderzoek Doodsoorzaken bij minderjarigen), ingesteld in 2005 door de ministeries VWS, Justitie en Binnenlandse Zaken, heeft hiervoor inmiddels een protocol opgesteld: de NODO-procedure.5

Bescherming


De commissie NODO schat dat jaarlijks 150 tot 200 kinderen in Nederland overlijden zonder dat er een doodsoorzaak bekend is. Het doel van de NODO-procedure is het achterhalen van de doodsoorzaak van onverklaard over­leden kinderen, om vervolgens gefundeerd onderscheid te kunnen maken tussen een natuurlijke en niet-natuurlijke dood. Gevallen van kindermishandeling kunnen op deze manier worden opgespoord en onderzocht. Eventuele andere kinderen in het gezin kunnen in bescherming worden genomen.


De commissie NODO stelt in de procedure voor dat de behandelend arts bij een overleden kind altijd (telefonisch) overlegt met de gemeentelijk lijkschouwer voordat hij een verklaring van overlijden afgeeft. De behandelend arts kan zo zijn mening over de doodsoorzaak en aard van overlijden toetsen. Verantwoording aan de ouders is niet noodzakelijk, aangezien het overleg met de gemeentelijk lijkschouwer verplicht is. Bij vermoeden van een niet-natuurlijke dood zal de gemeentelijk lijkschouwer het lichaam zelf schouwen en zo nodig contact opnemen met de officier van justitie. Als de behandelend arts de dood van het kind niet kan verklaren, zal de gemeentelijk lijkschouwer de NODO-forensisch geneeskundige inschakelen. De NODO-procedure treedt dan in werking. Dit omvat een onderzoek door een kinderarts, een kinderpatholoog en een NODO-forensisch geneeskundige; het NODO-kernteam. Er zijn een aantal van deze - speciaal opgeleide - teams, in een beperkt aantal ziekenhuizen, verdeeld over het land.


Alle betrokken hulpverleners zijn verplicht om op verzoek informatie over professionele zorg en opvang van het kind te verstrekken aan de NODO-forensisch geneeskundige. Deze plicht zet het beroepsgeheim van de hulp­verleners opzij. In een zogenaamd NODO-ziekenhuis verricht een kinderarts van het NODO-team lichamelijk onderzoek en neemt materiaal af voor klinisch-chemisch, microbiologisch en toxicologisch onderzoek. Als bij tussentijdse evaluatie door het NODO-team blijkt dat de doodsoorzaak en aard van overlijden niet vaststaan, volgt nog klinische sectie. Hierna vindt eind­evaluatie plaats.

Overlijdensverklaring


De uitkomst van de NODO-procedure kan zijn:


l doodsoorzaak bekend, natuurlijke dood;


l doodsoorzaak onbekend, natuurlijke dood;


l doodsoorzaak niet-natuurlijke dood.

In de eerste twee situaties geeft de NODO-forensisch geneeskundige de overlijdensverklaring af en vult hij het B-formulier in. Het lichaam gaat terug naar de ouders, de uitslag wordt teruggekoppeld aan de ouders en de behandelend arts, en de uitkomst van de procedure wordt opgeslagen in het NODO-dossier en het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG).


In geval van een niet-natuurlijke dood wordt de NODO-procedure gestaakt en bepaalt de ingeschakelde officier van justitie het verder te volgen beleid. De NODO-forensisch geneeskundige stelt dan een rapport op met de voorlopige conclusie van de NODO-procedure en geeft dit aan de officier van justitie. Medische informatie die in het kader van de NODO-procedure is verzameld, wordt niet overgedragen. Bij vermoeden van kindermishandeling, wordt het Bureau Jeugdzorg en zo nodig Inspectie Jeugdzorg ingelicht. De officier van justitie stelt de NODO-forensisch geneeskundige van de afloop van strafrechtelijk onderzoek in kennis.


De NODO-procedure heeft ingrijpende gevolgen voor de betrokken ouders. Zij moeten uitleg krijgen over de procedure en hun medewerking moet worden gevraagd. Als de ouders niet willen meewerken aan de gehele NODO-procedure of geen toestemming verlenen voor klinische sectie, zal de NODO-forensisch geneeskundige de rechtbank om vervangende toestemming vragen. Indien de rechter geen toestemming verleent, zal de NODO-procedure worden afgesloten.

Veiliger leefklimaat


Nu de commissie NODO een protocol heeft ontwikkeld, is het aan de politiek een keuze te maken hoe de NODO-procedure wordt verankerd in de nieuwe Wet op de Lijkbezorging en hoe de procedure er in de praktijk uitziet. PvdA-kamerlid Arib heeft een wets­-voorstel ter wijziging van de WLB ingediend dat voorziet in het inschakelen van de forensisch arts als gemeentelijk lijkschouwer in alle gevallen van overleden minderjarigen.6 Dit wetsvoorstel is ingediend om de behandelend arts, meestal de huisarts, buiten de beslissing of er sprake is van natuurlijke dood en de (juridische) gevolgen van die beslissing te houden.7 Het protocol van de commissie NODO voorkomt ook het dilemma van de behandelend (huis)arts hoe te handelen bij vermoeden van kindermishandeling. Alle overleden minderjarigen laten schouwen door forensische artsen lijkt om die reden niet noodzakelijk.


Vooruitlopend op het operationeel zijn van de NODO-procedure, waarschijnlijk per 1 januari 2008, zijn de beroepsverenigingen druk doende de procedure binnen de beroepsgroep bekendheid te geven en een opleiding voor de leden van het NODO-team te ontwikkelen.5


De commissie NODO verwacht dat de NODO-procedure zal bijdragen aan een veiliger leefklimaat voor alle kinderen in Nederland. Een goede evaluatie van de procedure en wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van de toepassing van de procedure dragen bij aan een zorgvuldige en verantwoorde uitvoering ervan.

J.J. Tiessen,
arts Maatschappij & Gezondheid, forensisch arts bij GGD Drenthe


Correspondentieadres:

j.j.tiessen@ggddrenthe.nl

;


cc:

redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld.

SAMENVATTING


 Soms is de oorzaak van het overlijden van een minderjarige in de thuissituatie niet helemaal duidelijk.


 Om gevallen van overlijden door mishandeling of verwaarlozing te achterhalen, is het protocol Nader Onderzoek Doodsoorzaken bij minderjarigen (NODO-procedure) ontwikkeld.


 Overleg met de gemeentelijk lijkschouwer is in deze procedure verplicht. Zo komt de huisarts - als hij twijfelt aan een natuurlijke doodsoorzaak - niet meer in conflict met zijn beroepsgeheim.

Referenties
1. Wet op de lijkbezorging artikel 7, lid 1.  2. Kuyvenhoven MM, Hekking CF, Voorn ThB. Overlijdensgevallen onder 0-18-jarigen door vermoede mishandeling: naar schatting 40 gevallen in 1996 gebaseerd op een enquête onder huisartsen en kinderartsen, NTVG 1998; 142; 2515-8.  3. Richtlijnen na het overlijden van minderjarigen. Medisch Contact 2001; 56 (19): 760-1.  4. Reijnders UJ, Das C, Giannakopoulos GF, De Bruin KF. De lijkschouw bij plotselinge dood. Onderzoek onder huisartsen naar vaardigheden en meningen over hun rol bij de lijkschouw. Huisarts Wet 2006; 49 (2): 68-71. 5. NODO-procedure: doel, procedure en wetswijziging. Symposium ‘Overleden kinderen en de NODO-procedure’ van het Forensisch Medisch Genootschap (FMG); Voordracht van prof. dr. G. van der Wal, voorzitter Commissie NODO, Utrecht 3 november 2006.  6. Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 564, nr. 3.  7. KNMG-handreiking lijkschouwing voor artsen bij overlijden anders dan door euthanasie of hulp bij zelfdoding; 2006.

Klik hier voor de pdf van dit artikel


print dit artikel
KNMG kindermishandeling beroepsgeheim
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.