Inloggen
Laatste nieuws
Gijs Baaten
2 minuten leestijd
Column

De laatste dokter heeft altijd gelijk

3 reacties

‘U doet niets’, brieste de forse patiënte met heupartrose in mijn spreekkamer. ‘50 tot 60 procent van de verwijzingen van jullie huisartsen is onnodig!’ beet de geconsulteerde orthopeed me door de telefoon toe.

Zo nu en dan word ik aangesproken op de onkunde en fouten van mijzelf of mijn beroepsgroep. Vaak op een verjaardag, soms in de spreekkamer, incidenteel bij een intercollegiaal overleg. ‘Huisartsen doen te weinig’, klinkt het dan. De gemiste longembolie, de onderbehandelde bloeddruk, de te laat ingestuurde heupkop­necrose. Of huisartsen doen juist te veel: een D-dimeerbepaling bij vage dyspneuklachten, een simpele hypertensie presenteren als maligne, een heupartrose te vroeg verwijzen.

Huisartsgeneeskunde is complex. Juist het evenwicht tussen te veel en te weinig kenmerkt het vak. Het maakt het uitdagend, soms onzeker, en geregeld komt er kritiek. Die kritiek is niet altijd terecht.

Natuurlijk, ook huisartsen maken weleens fouten. En huisartsen kunnen de kwaliteit van zorg heus nog verder verbeteren: ­minder waar het te veel is en meer waar het tekortschiet. Maar achteraf ‘te weinig’ of ‘te veel’ roepen is meestal te kort door de bocht.

Juist het evenwicht tussen te veel en te weinig kenmerkt het vak

Klap een epidemiologieboek open: omdat de voorafkans op een ziekte kleiner is bij de huisarts dan bij de specialist, pakken de achterafkansen na eenzelfde test anders uit. Zo is bij de huisarts de positief voorspellende waarde van een test lager. Zeker bij ziekten in de beginfase of bij ­atypische klachten zijn diagnose en beleid onzeker. Bovendien redeneert een huisarts vaak vanuit de context, waardoor een D-dimeerbepaling misschien ‘fout’ is volgens de richtlijn, maar wel een angstige patiënt kan geruststellen. Huisartsen ­hanteren dus andere diagnostische en ­therapeutische strategieën dan specialisten.

En dan is er nog de hindsight-bias, zeggen psychologen. De achteraffout, in lekentaal. Achteraf lijkt het allemaal zo logisch. We herinneren ons nu eenmaal gemakkelijker zaken die bevestigen wat we al dachten te weten. ‘Zie je wel! Zei ik toch!’ Helaas voor de huisarts: de laatste dokter heeft altijd gelijk.

Verjaardagsbezoek en patiënten neem ik de verwijten niet kwalijk: je mag – je moet! – kritisch zijn op de mensen aan wie je je gezondheid toevertrouwt. Het is aan de huisarts een en ander goed uit te leggen. Maar ook aan de specialist. Die moet daarvoor wel inzicht hebben in ‘de wereld vooraf’. Hoe? Laat elke aios tijdens de specialisatie een huisartsstage doen, zoals elke huisarts in opleiding een tweedelijnsstage doet. In de eerste lijn kunnen aankomend specialisten leren hoe ziekten op hun vakgebied zich in de beginfase presenteren en hoe je met beperkte middelen best ver kunt komen. Daar kunnen de ­aiossen ervaren hoe ­differentiële diagnostiek en beleid ver­anderen als de voorafkansen op ziekte klein zijn. De huisartsen­praktijk biedt hun ook gelegenheid om de medisch-generalistische kennis op te vijzelen en om – nog meer – de context van een patiënt te betrekken in het ­consult. Ten slotte kweekt zo’n stage waarschijnlijk ook meer onderling begrip.

En dat we dan achteraf, na het invoeren van die stage, constateren dat het werkt. ‘Zie je wel! Zei ik toch!’ 

Lees ook:

huisartsgeneeskunde
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Wim Jacobs huisarts, Boxmeer

    Klassieke stelling op de SEH :
    De huisarts stuurt veel te vroeg : niets aan de hand.
    De huisarts stuurt veel te laat : dat had veel eerder gemoeten.


    Laten we vasthouden aan ons eigen gevoel en beleid .

  • M.L. van der Kloet-Gerds

    Huisarts

    Wat een goede suggestie om een 1e lijns stage in een 2e lijns opleiding te doen, lijkt me heel leerzaam voor beide partijen.

  • H.J. Mulder

    Kinderarts np, Drachten

    De column van collega Baaten is mij uit het hart gegrepen.
    Ik heb het geluk gehad dat ik mijn loopbaan als arts begon met de huisartsopleiding, die toen een jaar duurde, een jaar waarin ik de gehele tijd in die praktijk werkte. Wat ik daar heb gele...erd heb als zeer waardevol ervaren. Toen ik na dat jaar tijdens een wisselassistentschap (‘tropen stage’) in het ziekenhuis werkte, viel mij direct de soms neerbuigende houding van sommige specialisten op als het de huisartsen betrof. Inderdaad, de laatste dokter heeft altijd gelijk, vaak pas na een lang en breed ingezet onderzoek. Ik realiseerde mij toen dat zij geen idee hebben wat de huisarts zo dagelijks op haar of zijn bordje krijgt.
    De huisarts krijgt de patient zonder voorselectie gepresenteerd. De meesten mankeren niets ernstigs, het is zaak pluis van niet-pluis te onderscheiden. En o wee als je niet-pluis hebt gemist! De specialist komt in actie na die eerste selectie. En die eerste selectie is juist wat het vak van huisarts moeilijk maakt. De huisarts selecteert binnen het totale spectrum van de medische zorg, van acute chirurgie tot chronische psychiatrie, van geriatrie tot acute pediatrie. Om nog maar te zwijgen van de plaats waar de huisarts zijn werk doet, soms in de praktijk, dikwijls bij de patient thuis - op de bank in de woonkamer, in bed, in de woonwagen, e.d. al dan niet in de aanwezigheid van huisgenoten.
    Ik denk dat een huisartsstage als (verplicht) onderdeel van elke specialistenopleiding alleen maar winst zal opleveren, voor zowel de specialist in spe als de huisarts-opleider.



 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.