Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
I.L.E. Lutke Schipholt
03 mei 2005 7 minuten leestijd

De herinnering leeft

Plaats een reactie

Artsen vertellen over hun ervaringen in de oorlog



Een chronisch gebrek aan materiaal. Altijd bedacht zijn op infiltranten of patiënten die je om zeep willen helpen. Het artsenvak in de Tweede Wereldoorlog was zowel in de openbaarheid als ondergronds een stressvol bestaan.


‘Men moest andermans doen en laten zeer voorzichtig observeren en er zelf ook voor waken als ‘pro-Duits’ te worden aangemerkt. Een borrel drinken met een Duitse militair maakte iemand voor altijd verdacht (...) Andersom onderzochten de Duitsers wie anti-Duits was. Je moest goed oppassen.’


Deze citaten komen uit de memoires van de inmiddels overleden Eindhovense oogarts dr. A. Tillema, tevens eerste hoofdredacteur van Medisch Contact.  Vlak na de oorlog stelde hij zijn ervaringen tijdens de bezetting op schrift.  Eén van zijn dochters vond begin dit jaar bij het opruimen deze memoires. Het epistel is in het Engels geschreven, omdat het gezin Tillema vrienden en familie in Engeland had.  Die konden het nu ook lezen.



Behalve persoonlijke notities gaat Tillema in op de organisatie van het artsenverzet en de dreigingen tijdens de bezetting: ‘De artsen waren erg goed georganiseerd aan het eind (...) Ik heb diep respect voor de oprichters. Slim, heel slim en heel simpel. Alles was mogelijk omdat de leden allemaal geschoolde zielen waren en erg goed getraind in het onthouden van informatie. Geen enkele naam is (in die tijd, ILS) ooit op papier verschenen. Een groep bestond uit ongeveer twaalf mensen. Deze groep had een voorman. De voormannen vormden per district ook weer een groep die ook weer een voorman had. De districtsvoormannen vormden per provincie een groep en de provinciale voormannen waren leden van het vermaarde Centrum van Het Medisch Contact (...) Elke man kende alleen de naam van zijn voorman en dat was precies alles wat hij van de groep moest weten (...) Zou hij meer te weten komen en worden gearresteerd, dan zou hij kunnen doorslaan en de rest van de groep verraden (...) Orders werden mondeling gegeven of per telefoon (...) Medisch-technische taal is zeer geschikt voor dit spel. Iemand belt op om te informeren naar een patiënt die hij op een bepaalde datum had gezien. Het is zelfs niet nodig om de code van tevoren af te spreken. De andere man antwoordt dat de patiënt het goed maakt, met andere woorden: alles loopt volgens plan. Vervolgens adviseert de eerste man om de patiënt nog maar een paar dagen in het ziekenhuis te laten (ofwel: de tweede man moet nog maar niet doorgaan) of hij adviseert de patiënt te ontslaan, etc.’



Om de tuin leiden


In Utrecht werd ook het potjeslatijn ingezet als communicatiemiddel. Psychiater C.W. Leibbrandt, zo schrijft zijn zoon de KNO-arts Cees Leibbrandt, had een anekdote over het potjeslatijn in de oorlog. De zoon schrijft: ‘Het verhaal speelt in 1942-1943 in de kliniek voor neurologie van het Academisch Ziekenhuis Utrecht. Hij (vader Leibbrandt, ILS)  was daar toen in opleiding bij de afdeling Neurologie. Er komt een patiënt met een neurologisch probleem op de polikliniek. Hij was verwezen door de huisarts. Deze schrijft in zijn verwijsbrief behalve de reden van verwijzing ook een zinsnede met de volgende strekking: aanvullend zij vermeld dat patiënt lijdt aan een frontaal gerichte paroxysmale spastische elevatie van de rechter boven-extremiteit. Wie dit niet begrijpt moet de beschreven beweging maar eens uitvoeren voor de spiegel.’



De Eindhovense oogarts Tillema had nog veel meer manieren om de bezetters om de tuin te leiden of het hun anderszins moeilijk te maken. Samen met zijn vrouw Lies had hij een aantal afspraken in geval van potentieel gevaar.


‘Ik nam nooit de telefoon op’, zo schrijft hij in zijn memoires, ‘en ondanks dat mijn secretaresse of Lies de stem herkende, zeiden ze dat ik aan het visite rijden was. Waar? Nou, de dokter zegt nooit waar hij naartoe gaat, het kan overal in de stad zijn, etc. Ik ging nooit naar de voordeur als er werd aangebeld. Als het ’s avonds donker was, mocht alleen Lies de voordeur opendoen als er iemand zich aandiende. In deze gevallen vertrok ik altijd via de achterdeur naar buiten naar de tuin alwaar ik via twee vluchtroutes kon wegrennen. Lies fluisterde het me toe als de kust veilig was. In de avonden ontving ik nooit een patiënt alleen. Lies was er altijd bij omdat de aanwezigheid van een getuige afschrikwekkend zou werken bij potentiële moordenaars. Verschillende dokters waren vermoord terwijl niemand ooit een ‘patiënt’ had gezien. Een klein koffertje met een complete uitrusting, zomer- en winterkleren, stond jarenlang naast mijn bed. Je had immers geen tijd je om te kleden wanneer je midden in de nacht uit je bed wordt gebeld. Verschillende keren ben ik de tuin in gevlucht wanneer een patiënt belde. Dit alles was goed te doen en we raakten eraan gewend.’



Lijdelijk verzet


Sociaal-geneeskundige dr. Ybe van der Wielen (93) heeft ook zo zijn herinneringen aan de oorlog. Als jonge arts in Amsterdam kreeg hij af en toe een mededelingenblad in de bus. Het was het blad van de artsenverzetsorganisatie Het Medisch Contact. Wie ze bij hem in de brievenbus deponeerde, weet hij niet. ‘Dat was allemaal geheim’, vertelt hij in een telefonisch interview.  Bedachtzaam en met een heldere uitspraak, wat veel oude artsen typeert, doet hij zijn verhaal. ‘Ik weet dat er een voorman was, een KNO-arts. Die gaf me wel een seintjes. Ik hielp met saboteren zover het kon. Echt veel voorbeelden daarvan heb ik niet. Het was eigenlijk meer lijdelijk verzet. Ach, soms zorgde ik ervoor dat bepaalde gezinnen extra voeding kregen. En ik heb me niet aangesloten bij de Artsenkamer.’


Wat later in het gesprek vertelt Van der Wielen dat hij ook het bordje ‘Huisarts’ van de gevel haalde. Van de bezetter mochten alleen dokters die bij de Artsenkamer waren aangesloten, de titel ‘arts’ voeren. De Artsenkamer was door de nazi’s ingesteld en dus besmet. Verder schonk Van der Wielen de accu van zijn Fiat, type Topolino, aan een kennis die een zender bezat. De  auto kon niet meer rijden vanwege brandstofgebrek.



Van der Wielen werd vlak voor de oorlog dokter, op 12 april 1940. Hij moest meteen in dienst. Oorlog voeren zag de vaandrig niet zitten. Daarom startte hij vlak nadat hij voor zijn nummer opkwam en net na het uitbreken van de oorlog een huisartsenpraktijk, want artsen met een praktijk hoefden niet in dienst.


Van der Wielen kon een nieuwe praktijk ternauwernood financieren. Van zijn zus leende hij 1500 gulden. Een goede relatie met een ziekenfonds waarvan zijn vader directeur was geweest, deed de rest. Zo kon hij in de nieuwbouwwijk Bos en Lommer praktiseren. Een vetpot was het niet.


‘Ik had hoofdzakelijk ziekenfondspatiënten. Verder nam ik vaak waar en had ik ook controlespreekuren voor de Centrale Onderlinge, een voorloper van het GAK. Ik heb ook nog eens waargenomen voor een collega-controlearts die tijdelijk moest onderduiken. Er kwamen prompt twee militairen in de wachtkamer. Ik heb de secretaresse laten zeggen dat ik geen tijd voor ze had.’


Vanwege meer financiële zekerheid werd hij medisch adviseur bij de Centrale Onderlinge. Van der Wielen bleef zijn verdere loopbaan sociaal-geneeskundige.



Barre omstandigheden


Toenmalig co-assistent D. Bloemers (85) heeft veel problemen met de Duitsers gehad en werkte onder soms barre omstandigheden. Hij moest zijn medische studie, na zijn kandidaats, in 1941 afbreken na een conflict met Duitse officieren. De Rijksuniversiteit Utrecht schorste hem en enkele vrienden. Kort daarna dook hij onder omdat hij weigerde in Duitsland te gaan werken. Door een vervalst persoonsbewijs, dat hem tot de artsenstand verhief, kon hij in 1944 als dokter gaan werken. Na wat ziekenhuisbanen ging hij werken in een huisartsenpraktijk in Bathmen. Hier verving hij een huisarts die vanwege hepatitis niet kon werken. ‘Ik stond er dus alleen voor’, zo herinnert Bloemers zich. ‘Een uitgestrekte, apotheekhoudende plattelandspraktijk met als enige vervoer een fiets met het achterwiel van een kleine motorfiets en voor advies een gevloerde collega. Een partus had ik wel eens meegemaakt, maar nooit gedaan. Dus toen de eerste bevalling zich op een afgelegen boerderij aandiende, kreeg ik het erg benauwd. Ondanks mijn onkunde verliep alles normaal tot en met de geboorte van een gezonde spruit. Maar toen ontstond het probleem: ik kreeg de placenta er niet uit, had dringend behoefte aan deskundig advies en er was geen telefoon. Ik moest midden in de nacht terugfietsen naar mijn basis om telefonisch advies aan de gynaecoloog in Deventer te vragen. Zijn wijs advies luidde: ga maar terug naar de kraamvrouw. De placenta zal dan wel in bed liggen. Toen kon ik weer een half uur door de nacht fietsen om te constateren dat het inderdaad zo was gegaan.’ (Curieus genoeg is Bloemers na de oorlog gynaecoloog geworden.)



In de vier volgende maanden heeft hij nog negentien nieuwe Nederlanders zonder problemen op de wereld helpen zetten. Of de wijkzuster, die hierbij assis-teerde, zijn gebrek aan bevoegd-heid doorhad, is hem nooit duidelijk geworden. De kunst van het artsenvak leerde hij in de oorlogsperiode in de totale breedte kennen, ondanks of dankzij alle ontberingen.


Bloemers: ‘Het patiëntenbestand was zeer gemengd. Behalve de autochtone bevolking waren er veel evacués uit Limburg, onderduikers, joden en zelfs een paar Canadese piloten. De streek werd onveilig gemaakt door een groep landwachters, maar ze deden niet veel kwaad. In elk geval hebben ze eenmaal een goede daad verricht. Ik was bij een jongetje geroepen dat een voor difterie verdacht beeld vertoonde. Ik achtte spoedopname in Deventer noodzakelijk, maar er was geen vervoer te vinden. De enige bruikbare auto in het dorp was in het bezit van de landwacht. Op mijn dringend verzoek was hij bereid om het kind op te halen en de niet ongevaarlijke rit naar Deventer te maken. Aldus geschiedde. De volgende dag hoorde ik uit het ziekenhuis dat zij direct een tracheotomie moesten uitvoeren. Ik heb de landwacht ingelicht en bedankt.’


Dat het de artsen en hun familie uiteindelijk niet allemaal in de koude kleren is gaan zitten, blijkt uit het slot van de memoires van oogarts Tillema. Daarin schrijft hij, in november 1945, dat hij en zijn vrouw vermoeid zijn. ‘We kunnen ons niet concentreren en we  komen tot niet veel meer dan de routinewerkzaamheden. Onze herinneringen spelen ons parten. We voelen ons over het algemeen depressief en slecht nieuws grijpt ons meer aan dan dat je van een normaal persoon mag verwachten. Het zal jaren duren hier overheen te komen.’



Ingrid Lutke Schipholt






Klik hier voor het PDF-bestand van dit artikel



Klik hier voor het verhaal van H.B. Lodewijks met herinneringen aan de bezettingstijd. 



Klik hier voor twee andere MC-artikelen over de oorlogstijd van MC


neurologie
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.