Inloggen
Laatste nieuws
Mensje Melchior
13 minuten leestijd

De angst blijft

Plaats een reactie

                                                                                         Foto: De beeldredaktie, Bart van Overbeek

De emotionele gang naar het medisch tuchtcollege


Huisarts Elize Kronenberg werd emotioneel ‘verlamd door de boosheid van een patiënt’ en stelde geïrriteerd de verkeerde diagnose. Voor chirurg Joop Debets leidde het onverwacht overlijden van een patiënt op de Spoedeisende Hulp tot een jarenlange slepende tuchtprocedure waarin hij de schijn tegen zich had. Twee artsen vertellen over hun emoties tijdens de moeilijke periode van hun tuchtzaak. ‘Het was al erg, maar gaandeweg werd het alleen nog maar verschrikkelijker.’

Verlamd door emoties


‘Ik ben een bevlogen huisarts’, vertelt Elize Kronenberg. ‘Ik ga altijd het gesprek met mijn patiënten aan, probeer erachter te komen waarover zij zich druk maken. Het is dan ook niets voor mij om zo nonchalant te handelen. Dat vind ik het gênante aan deze zaak: het druist in tegen de wijze waarop ik normaal werk. Juist daardoor kan ik niet goed omgaan met de fout die ik heb gemaakt.’


Met de patiënte die de zaak tegen Kronenberg aanspande, verloopt de relatie vanaf het begin stroef. In 1992 komt de vrouw bij Kronenberg in de praktijk in Eindhoven. ‘Ze had bijvoorbeeld een schouderklacht en liep daarmee bij een orthopeed naar wie ik haar niet had doorverwezen. Op zijn verwijzing wilde ze een foto van haar nek laten maken. Ik vertelde haar dat ik het maken van een röntgenfoto geen meerwaarde vond hebben. Zij twijfelde aan mijn oordeel en voelde zich niet serieus genomen.’


De spanningen worden niet uit-gesproken. Kronenberg: ‘Bij sommige mensen is het duidelijk waarom het botst, dat kun je benoemen. Bij haar niet. Ik had er moeite mee dat zij aan de ene kant dwingend was, terwijl ze aan de andere kant allerlei klachtjes had waarover ze on-zeker was. Zij verwachtte van mij dat ik daarin meeging, dat ik bijvoorbeeld allerlei onderzoeken uitvoerde. In de eerste jaren heb ik geprobeerd dit bespreekbaar te maken. Maar dat lukte niet.’


Als de huisarts met een collega een duopraktijk start, kiest de patiënte er dan ook voor om de collega-huisarts te nemen. Incidenteel kwam ze nog bij Kronenberg op consult.


Kronenberg voelt enige irritatie als de patiënte in december 2000 met buikklachten bij haar komt. Twee maanden eerder was de vrouw met dezelfde klachten op het spreekuur geweest. ‘Komt ze weer met klachten waarmee ik gewoon niets kan’, dacht ik. Zij had een levercyste, dat wist ik. Ik heb wel onderzoek gedaan, maar niet gekeken of de lever vergroot was. Ik heb de klachten gebagatelliseerd.’


Twee dagen later gaat de patiënte naar Kronenbergs collega. Die ontdekt direct dat de lever veel groter is dan normaal. Uit de echo die wordt gemaakt, blijkt dat de vrouw een forse levercyste en diverse kleine cysten heeft. De collega stelt Kronenberg op de hoogte. ‘Ik schrok me dood. Ik wist meteen dat ik had gefaald. Het liefst wilde ik onder de grond kruipen.’


Met haar falen kan ze op dat moment niet professioneel omgaan. ‘Ik mag van mezelf nooit fouten maken. Niet in mijn privé-leven, maar ook niet in mijn werk. Ik ben ook eigenlijk knettergek dat ik dit werk doe. Ik heb juist een beroep waarbij ik veel onzekere situaties tegenkom. Van een ernstige aandoening ziet een huisarts de beginklachten en die kunnen onschuldig lijken. Elke huisarts kan dingen verkeerd inschatten. Dat gebeurt. Maar natuurlijk voelde ik me erg rot over deze fout. En als ik mij niet op mijn gemak voel, word ik stug en afstandelijk.’


Daar komt de gespannen verhouding met de patiënte bij. ‘Zij was boos omdat ik haar niet serieus had genomen - en terecht. Daar moet je als huisarts mee kunnen omgaan. Maar er was geen vertrouwensrelatie zodat ik het gebeurde niet met haar kon bespreken. Haar boosheid werkte verlammend.’

Bezoek


De patiënte wordt zeven weken later geopereerd. Kronenberg besluit het bezoek aan het ziekenhuis aan haar collega over te laten. ‘Een bezoek was voor mij een te grote stap - juist omdat ik het zo moeilijk had met die fout.’ In de klacht bij het tuchtcollege verwijt de patiënte Kronenberg juist dat zij niet bij haar op bezoek kwam. ‘Ergens wist ik natuurlijk wel dat ze mijn bezoek zou missen, maar het was te moeilijk.’ De patiënte vraagt een paar weken later om een gesprek. Maar ook dat kan de lucht niet klaren. ‘Het was één brok spanning. Het gaf mij helemaal geen opluchting.’


Daarna verloopt de relatie nog moeizamer. De patiënte komt nog steeds zo nu en dan bij Kronenberg op het spreekuur. ‘Ik reageerde spastisch, informeerde bijvoorbeeld niet naar het lit-teken op haar buik. Ik kon ook bijna geen onderzoek meer weigeren. Ook van haar kant bleef de kwaadheid, het verdriet, de spanning. Als ze bij mij was geweest, ging ze de dag erna naar mijn collega en vertelde haar over alle problemen die ze met mij had. Aan onze assistente vroeg ze of er nog meer patiënten waren die last hadden van mijn arrogantie. Dat kon zo niet langer. Mijn collega vroeg of zij een ander huisarts wilde nemen.’


In mei 2003 - meer dan twee jaar na het voorval - vindt Kronenberg een brief van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven op haar deurmat (zie  uitspraak tuchtcollege op blz. 1230). ‘Ik schrok. Dit is de angst van elke arts.’ Kronenberg formuleerde haar schriftelijk verweer. Een van de verwijten van klaagster is dat Kronenberg haar arrogant heeft behandeld. ‘Ik moest uitleggen waarom ik de dingen op deze manier heb gedaan. Mijn stugge houding werd geïnterpreteerd als arrogantie. In mijn verweer kon ik uitleggen dat ik zo reageer als ik me emotioneel voel klemgezet.’

Krampachtig


Drie maanden later gaat Kronenburg naar het gebouw van het tuchtcollege. In de wachtkamer zit een groep hbo-V-studenten die de zaak komen volgen. De klaagster zit ook in de wachtkamer en kijkt steeds de andere kant op. ‘Ik heb haar nog gedag gezegd, maar dat ging natuurlijk heel krampachtig.’ Tijdens de zitting staat Kronenberg tegenover ‘die hele meute’. ‘Dit gaf mij het gevoel dat ik en plein public boete moest doen.’ Daar kwam bij dat het oordeel van het Tuchtcollege voor Kronenberg zwaar weegt. ‘Het oordeel van collega-huisartsen is voor mij belangrijk. Dat is de groep waar ik bij wil horen en ik wil geen slechte naam krijgen.’


Kronenbergs collega zit tijdens de zitting naast haar. Dat helpt. ‘Het kwam eropaan wat ik zei, daar werd ik op beoordeeld. Door mijn collega werd ik rustiger. Het was fijn dat zij de situatie kende. Zij heeft niets gezegd, zat gewoon naast me, maar dat was genoeg.’


Het tuchtcollege geeft Kronenberg een waarschuwing. Deze uitspraak heeft nog steeds invloed op haar functioneren als huisarts. ‘Ik vraag me nu regelmatig af: “Doe ik mijn werk wel goed?” Ik weet dat ik moet oppassen dat het niet nog een keer gebeurt. Daardoor ben ik onzekerder geworden. Ik neem minder risico’s en doe sneller screenend onderzoek.’


In acute situaties voelt Kronenberg deze onzekerheid nog meer. ‘Laatst kwam er een jongetje dat flink benauwd was. Het leek een pneumonie, maar dat was in die fase natuurlijk nog niet met zekerheid met röntgenfoto’s vast te stellen. Tegen beter weten in hoopte ik dat de aanvullende diagnostiek meer zekerheid zou geven. Ik heb hem doorgestuurd om een foto te laten maken, een flinke hoeveelheid antibiotica gegeven, Ventolin erbij. Dan vraag ik me af: “Heb ik de foto te vroeg laten maken? Had ik hem eigenlijk naar de kinderarts moeten sturen? Zijn er nog andere criteria voor de diagnose?” Omdat ik alles op alle fronten goed wil doen, maakt die onzekerheid mijn werk na deze tuchtzaak extra zwaar.’


Een jarenlang slepende zaak


In september 1998 wordt dienstdoend chirurg Joop Debets van het Laurentius Ziekenhuis in Roermond om tien voor zes ‘s morgens wakker gebeld. De arts-assistent die dienst heeft op de Spoedeisende Hulp (SEH), vertelt hem dat daar een patiënt zit met buikklachten. De patiënt heeft de symptomen van een blindedarmontsteking. Debets zegt dat hij naar het ziekenhuis zal komen. Na het telefoongesprek besluit hij dat hij de patiënt nog vóór zijn spreekuur zal opereren. Hij kan zich beter direct voor de dag klaarmaken, zodat hij niet meer terug hoeft naar huis. Hij wast en scheert zich en ontbijt snel. Debets: ‘Ik kreeg geen signaal dat het om spoed ging, de patiënt was niet in levensgevaar.’


Ondertussen is ook patiënt H. met buikklachten op de SEH gekomen, samen met nog een derde patiënt met buikklachten. Een verpleegkundige laat alvast bij patiënt H. buikfoto’s maken en neemt bloed af. Om tien over zes belt de verpleegkundige naar Debets om te vragen of hij niet is vergeten te komen; hij vertelt dat er inmiddels twee patiënten zijn bijgekomen. Ook de verpleegkundige dringt niet op spoed aan, hij ziet daar op dat moment geen aanleiding toe. De -chirurg zegt dat hij zich aan het scheren is en daarna naar het ziekenhuis komt.


Als Debets onderweg is, komen de bloeduitslagen van patiënt H. binnen. De arts-assistent ziet dan dat het mis is en belt naar Debets. Maar hij is al onderweg. Na aankomst op de Spoedeisende Hulp constateert de chirurg dat de patiënt vermoedelijk een bacteriële sepsis heeft en er ernstig aan toe is. Hij haalt er een internist, een anesthesist en een cardioloog bij. De patiënt krijgt echter op de Spoedeisende Hulp een hartstilstand en overlijdt ter plekke. Debets praat met de echtgenote van de overledene. ‘Zij was helemaal van de kaart, ze had niet gedacht dat het zo ernstig was. Eerder had de verpleegkundige haar nog gerustgesteld en gezegd dat de chirurg elk moment kon komen.’


Debets opereert vervolgens de patiënt met de blindedarmontsteking en gaat verder met zijn werk. Ondertussen evalueren de arts-assistent en de verpleging op de SEH wat er is gebeurd. Debets: ‘Zij hadden een man snel achteruit zien gaan en drie kwartier nadat hij aankwam zien overlijden. “Was hij maar eerder gekomen, dan was het misschien anders gelopen”, dachten zij blijkbaar.’ De groep stuurt een brief aan de directie waarin zij schrijven dat het wel erg lang duurde voordat de chirurg naar de SEH kwam.

Raar verhaal


De echtgenote dient een klacht in bij de klachtencommissie van het ziekenhuis en deze oordeelt dat Debets te laat naar het ziekenhuis is gekomen. De weg naar het medisch tuchtcollege is geopend en begin 2001 krijgt Debets de eerste brief van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven op zijn bureau.


‘Aan de ene kant was ik onbezorgd. Ik dacht: “Het is zo duidelijk wat hier is gebeurd, mij valt niets te verwijten.” Maar ik had ook niet verwacht dat de klachtencommissie de klacht gegrond zou ver-klaren. Het is als je het oppervlakkig bekijkt ook een raar verhaal. Een chirurg komt een uur nadat hij is gebeld en er overlijdt een patiënt ... Ik had de schijn tegen me. Het college moest de feiten nauwkeurig onderzoeken om een goed oordeel te vellen.’


Vlak voor de eerste zitting van het tuchtcollege plaatst de regionale krant De Limburger de eerste artikelen over het incident. De krant heeft de vrouw van de overledene geïnterviewd en zij zegt: ‘De chirurg heeft ernstig verzaakt. En de manier waarop hij zich probeert vrij te pleiten, is misselijkmakend. Hij had maar één ding moeten doen: direct komen toen zijn hulp werd gevraagd.’


Ook al worden in het grote artikel alleen zijn initialen genoemd, in de omgeving is direct bekend dat het om Debets gaat. ‘Toen ik het las, was ik verslagen. Ik werd door de pers bij voorbaat schuldig bevonden, door het slijk gehaald. “Jouw vader is die dokter die mensen doodmaakt”, kregen mijn kinderen op school te horen.’


De zitting valt Debets zwaar. ‘Er zaten veel mensen in de zaal, medestanders van de klagende partij en een journalist. De sfeer was geladen. Ik voelde me opgejaagd en gespannen. Toen ik werd gehoord, hoorde ik het zoemen: “Verdorie, hij wil zijn schuld niet bekennen.”’


Debets probeert met een advocaat aan zijn zijde rustig antwoord te geven op de vragen. Makkelijk is dat niet. ‘Ik voelde me gekrenkt als mens en als arts. Ik had niets verkeerd gedaan. Als mij wordt gevraagd om een patiënt te helpen, zou ik nooit denken: “Bekijk het maar.” Wat denken ze nou? Dat ik word gebeld dat er iemand ligt te sterven en dat ik dan rustig thuisblijf?’

Open kaart


Vlak voor de tweede zitting van het regionaal tuchtcollege keert de directie van het ziekenhuis zich in de krant ook nog eens openlijk tegen de chirurg. Een journalist tekent de volgende woorden van de medisch directeur op: ‘Een chirurg kan in dit soort gevallen beter open kaart spelen tegenover nabestaanden. Door zich eerlijk op te stellen had hij misschien kunnen voorkomen dat er een klacht tegen hem was ingediend.’


Debets: ‘Het was al erg, maar dit maakte het alleen nog maar verschrikkelijker. De directie achtte mij bij voorbaat al schuldig, terwijl de zaak nog bij de tuchtrechter lag!’ Debets stapt naar een andere advocaat , prof. mr. J.H.  Hubben. De chirurg neemt een paar dagen vrij. De directie laat zonder overleg met Debets een circulaire in het ziekenhuis uitgaan waarin staat dat zij voor de waarneming van de chirurg zal zorgen. Hubben zegt tegen Debets dat hij er rekening mee moet houden dat de directie hem eruit wil werken. De advocaat adviseert hem daarom weer zo snel mogelijk aan het werk te gaan en het stafbestuur in te schakelen. Nog diezelfde week overlegt Debets met het stafbestuur, waarna een spoedvergadering van de medische staf wordt belegd. De medische staf schaart zich unaniem achter hem. Hij gaat weer aan het werk.


Dit valt hem zwaar. ‘Het viel mij in die periode moeilijk mijn werk te doen. Ik paste op dat ik geen onverantwoorde dingen deed, maar ik was onzeker geworden en bang om fouten te maken. Bovendien zag ik in elke patiënt een tijd lang een potentiële bedreiging. Ik trok mij terug, ik had steeds minder energie voor extra activiteiten in het ziekenhuis, zoals commissiewerkzaamheden waarmee ik al jaren bezig was.’


In maart 2002 verklaart het regionaal tuchtcollege, na een tweede zitting met uitgebreid verhoor van de betrokken arts-assistent en de verpleegkundige, de klacht ongegrond. In zijn uitspraak schrijft het college dat ‘over de patiënt voordat Debets op de afdeling kwam in het geheel niet is gesproken en noch de arts-assistent noch de verpleegkundige bij Debets op spoed heeft aangedrongen.’ Debets is blij. ‘Vanaf dat moment was ik minder bang dat ik verkeerd zou worden begrepen.’ De Limburger plaatst dit keer een (kleiner) artikel met de kop ‘Chirurg niet schuldig aan dood man’. Debets voelt de druk afnemen en het dagelijkse functioneren gaat weer makkelijker.

Uitgeput


Maar de echtgenote van H. gaat in maart 2003 in hoger beroep. ‘Ik dacht meteen: “Weer die lange procedures”.’ Er volgen dan drie lange zittingen bij het Centraal Medisch Tuchtcollege (CMT) met steeds weer opnieuw het horen van dezelfde getuigen (zie kader). ‘Na elke zitting was ik uitgeput. De advocaat van de klaagster insinueerde van alles. Daardoor voelde ik mij gecriminaliseerd. “Zeg nou maar dat je weer in slaap bent gevallen, dat je nog je krant hebt gelezen”, zei hij.’


In maart 2003 is de zitting van het CMT. In deze periode wordt de directie van het ziekenhuis door de Raad van Toezicht met verlof gestuurd omdat de medische staf - vanwege een andere kwestie - het vertrouwen in de raad heeft opgezegd. In juni 2004 , bijna zes jaar na het voorval, kan Debets weer opgelucht ademhalen. Het CMT oordeelt dat ‘ten onrechte de schijn van verwijtbaarheid is opgeroepen’ en verklaart de klacht ongegrond (zie uitspraak tuchtcollege op onze website

www.medischcontact.nl

). Debets: ‘Ik kan eindelijk weer naar de toekomst kijken.’


Toch is Debets voorgoed veranderd. ‘Ik ben voorzichtiger, zie meer gevaren dan vroeger. Ik had nooit gedacht dat dit mij zou overkomen en zeker niet dat het zo ver zou gaan. Ik denk er in mijn contacten met patiënten en medewerkers altijd over na waar eventuele problemen kunnen ontstaan, zodat ik ze wellicht kan voorkómen.’


De diensten vallen hem zwaarder dan vroeger. ‘Dit zijn de meest riskante perioden, ik ben eindverantwoordelijke. Ik voel dan dat het me zo weer kan overkomen, zonder dat ik er iets aan kan doen. Elke keer kan ik weer naar het ziekenhuis worden geroepen en dan kan er iets gebeuren wat ik niet in de hand heb. En dat kan me dan weer jarenlang achtervolgen. Die angst zal voorlopig blijven.’

 

Getuigenverklaringen spelendoorslaggevende rol


Joop Debets heeft in totaal vijf zittingen van het tuchtcollege meegemaakt. Bij het Centraal Medisch Tuchtcollege wordt zijn zaak tot tweemaal toe aangehouden vanwege hernieuwd getuigenverhoor.


Het is een langslepende procedure waarbij de getuigen uiteindelijk een doorslaggevende rol spelen, legt de advocaat van Debets, prof. mr. J.H. Hubben van het advocatenkantoor Nysingh te Arnhem, uit. ‘De advocaat van de klaagster wilde de al eerder gehoorde getuigen ook bij het Centraal Medisch Tuchtcollege opnieuw horen. Blijkbaar omdat hij dacht dat ze tot een andere verklaring zouden komen. In deze zaak waren - in tegenstelling tot veel andere tuchtzaken - de getuigenverklaringen vrijwel het enige ontlastende bewijs voor mijn cliënt. Voor Debets school daarin een groot risico. De eerste verhoren waren immers twee jaar na het voorval en de getuigen moesten zich twee korte telefoontjes precies herinneren. Vijf jaar later hing het lot van de chirurg in feite af van het herinneringsvermogen van de arts-assistent en de verpleegkundige.’


Hubben benadrukt dat deze zaak opnieuw aantoont dat een tuchtklacht niet alleen voor de klager maar ook voor de dokter met veel emoties gepaard gaat. ‘De impact kan ook voor de betrokken dokter enorm zijn, zelfs als de klacht uiteindelijk ongegrond wordt verklaard. Het is al te gemakkelijk om maar te zeggen dat dit tot het beroepsrisico van de arts hoort.’


Debets vindt het tuchtrecht op zichzelf een goede zaak als middel voor kwaliteitsbewaking. ‘In mijn geval was er echter sprake van een hetze, waarin de pers en mijn eigen ziekenhuisdirectie zich, voorbarig en onterecht, tegen mij keerden. Dit zou niet moeten gebeuren, het is op den duur funest voor het goed functioneren van artsen.’ Daarnaast benadrukt hij het belang van goede rechtsbijstand. ‘Ik zou elke collega die hetzelfde overkomt op het hart willen drukken een op dit terrein goed ingevoerd raadsman te zoeken en niet te proberen het alleen op te lossen.’


Ook vindt de chirurg dat de procedures korter zouden moeten zijn. ‘Het heeft zo lang geduurd voor ik verder kon. Steeds weer dat wachten op een nieuwe zitting, steeds weer opnieuw mijn verhaal doen. Dat is ingrijpend, ook voor het functioneren van een arts.’


Uitspraak

:


Lees hier de uitspraak over de zaak van Elize Kronenberg

Lees hier de uitspraak over de zaak van Joop Debets

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.