Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Uitspraak tuchtcollege

Cardioloog-arbiter hoort niet voor de tuchtrechter

Plaats een reactie

Uit onderstaande tuchtzaak komt naar voren hoe belangrijk context is. Het gaat om een cardioloog die klaagt over een andere cardioloog. Cardioloog 1 was verwikkeld in een geschil met zijn maatschap, en cardioloog 2 trad op als een van de arbiters die waren ingeroepen om daaruit te komen. Arbitrage – mocht u het niet weten – ligt ergens tussen mediation en rechtspraak in. De partijen huren de arbiters zelf in, en de uitspraak is bindend. Voordeel boven naar de rechter stappen: het gaat meestal sneller, het is niet openbaar, en de arbiters zijn doorgaans afkomstig uit het eigen vakgebied.

Het geschil van cardioloog 1 met zijn maatschap ontstond nadat hij ziek was geworden. De arbiters schrijven in een tussenvonnis dat zij het verantwoord vinden dat hij gaat re-integreren door patiëntgeboden activiteiten te ontplooien, in plaats van alleen administratief werk zoals zijn eigen behandelaar adviseerde. Cardioloog 1 vindt dat cardioloog 2 (de arbiter) daarmee buiten zijn boekje is gegaan: dat is zijn deskundigheid niet. En nu bevindt de arbiter zich opeens in het beklaagdenbankje.

De klacht is op zich invoelbaar, totdat je de context leest van die zin over re-integratie. Dan blijkt de strekking toch wat anders, namelijk dat het erom gaat in hoeverre de maten bereid waren te overleggen over re-integratie. Dat was van belang om tot een oordeel te komen. Maar het heeft volgens het tuchtcollege geen ‘weerslag op de individuele gezondheidszorg’, en het hoort daarom niet bij de tuchtrechter. De klager wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Sophie Broersen, arts/journalist

Diederik van Meersbergen, jurist KNMG


C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2015.420 van:

A., wonende te B., appellant, klager in eerste aanleg,

gemachtigde: mr. drs. N.U.N. Kien, werkzaam te Rotterdam

tegen

C., cardioloog, werkzaam te D., verweerder in beide instanties,

gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam te Hilversum.

1.              Verloop van de procedure

A. - hierna klager - heeft op 6 november 2014 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de cardioloog - een klacht ingediend. Bij beslissing van 6 november 2015, onder nummer 14/378, heeft dat College klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.

Klager is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De cardioloog heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 28 juni 2016, waar zijn verschenen klager en de cardioloog, bijgestaan door hun gemachtigden. De beide gemachtigden hebben gepleit aan de hand van pleitnotities die aan het Centraal Tuchtcollege zijn overgelegd.  

2.              Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.

“2. De feiten.

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

Verweerder is één van de arbiters in een geschil tussen klager (cardioloog) en de overige maten van de maatschap cardiologie van het E.-ziekenhuis te F.. De vorderingen die ter beoordeling aan de arbiters voorlagen hielden verband met de uitval wegens ziekte van klager en de dissociatie van de maatschap.

Bij arbitraal tussenvonnis van 21 november 2011 zijn de primaire en subsidiaire vorderingen van klager afgewezen en is de beoordeling van de overige vorderingen aangehouden.

In het arbitraal tussenvonnis is onder meer het volgende overwogen:

‘Arbiters achten het wegens de aanwezigheid van de waarnemend cardioloog in de praktijk van A. een alleszins verantwoord en meer reëel plan om hem met diagnostische en patiëntgebonden werkzaamheden in het Ziekenhuis te laten re-integreren, dan het advies van de behandelaar om

A. met alleen administratief werk te laten beginnen.’

Klager heeft vervolgens bij de rechtbank G. vernietiging van voornoemd arbitraal tussenvonnis gevorderd, welke vordering bij vonnis van 1 mei 2013 is afgewezen. Klager heeft tegen het vonnis van de rechtbank G. hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 1 juli 2014 is het vonnis van de rechtbank G. bekrachtigd.

3. Het standpunt van klager en de klacht.

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zich ver buiten de grenzen van het eigen gebied van deskundigheid te begeven door, in tegenstelling tot het advies van de psychiater om klager met alleen administratief werk te laten beginnen, te oordelen dat het een meer reëel plan is om klager met diagnostische en patiëntgebonden werkzaamheden in het ziekenhuis te laten re-integreren, dan wel zich tegen dit oordeel als arbiter niet adequaat te verzetten, dan wel, door daar als enige cardioloog in het arbitraal trio bij uitstek mede verantwoordelijk voor te zijn.

4. Het standpunt van verweerder.

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De overwegingen van het college.

De klacht heeft betrekking op de werkzaamheden van verweerder in zijn hoedanigheid van arbiter en niet in zijn hoedanigheid van arts. De klacht heeft immers betrekking op een mede door verweerder gegeven oordeel in het arbitraal tussenvonnis van

21 november 2011. De omstandigheid dat verweerder als arbiter is benoemd vanwege zijn achtergrond als cardioloog betekent nog niet dat hij in de hoedanigheid van cardioloog heeft gehandeld. Verder is het college van oordeel dat de vraag of het handelen van verweerder voldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg heeft ontkennend dient te worden beantwoord, nu de taak van verweerder als arbiter eruit bestond het aan hem voorgelegde geschil te beslechten.

Ook is het college met verweerder van oordeel dat klager misbruik van recht maakt door, nu alle mogelijkheden om tegen het arbitraal vonnis op te komen niet het voor klager gewenste resultaat hebben gehad, zijn gelijk via de tuchtrechter te proberen te halen.

De conclusie van het voorgaande is dat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.”

3.        Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de door het Regionaal Tuchtcollege onder “2. De Feiten” vastgestelde feiten.

4.        Beoordeling van het hoger beroep

4.1       Klager beoogt, naar de kern genomen dat, in tegenstelling tot hetgeen het Regionaal Tuchtcollege heeft overwogen, het tuchtrecht op de cardioloog, handelend in zijn hoedanigheid van arbiter, van toepassing is. Bovendien had  het gewraakte handelen van de cardioloog een weerslag op de individuele gezondheidszorg. Ten slotte heeft het Regionaal Tuchtcollege, aldus klager, ten onrechte overwogen dat klager misbruik van recht heeft gemaakt door zijn gelijk via de tuchtrechter proberen te halen.

4.2         De cardioloog heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

4.3           Bij de beoordeling van het hoger beroep stelt het Centraal Tuchtcollege het volgende voorop. De cardioloog heeft deel uitgemaakt van een uit drie leden bestaand arbitraal college. De klacht betreft gedragingen van de cardioloog in zijn rol van arbiter. De  arbitrale procedure werd  door klager geëntameerd in verband met geschilpunten tussen hem en zijn voormalige maten die waren ontstaan als gevolg van  zijn arbeidsongeschiktheid en de dissociatie van de maatschap. Deze geschilpunten betroffen onder meer het voldoen van niet afgedragen of niet uitbetaalde (waarnemings)vergoedingen en verschillende kosten. Uit het arbitraal vonnis van

21 november 2011 blijkt dat in dit kader verschillende juridische  beslispunten  aan de orde zijn geweest zoals de datum van het einde van de maatschap, de datum van toetreding van een andere cardioloog tot de maatschap, de vernietigbaarheid van de opzegging jegens klager, de eventuele tekortkoming van de maten jegens klager en de vraag of de maten zich onrechtmatig hebben gedragen jegens klager. In verband met dit laatste  is aan de orde gekomen het verwijt dat de maten niet bereid waren geweest tot overleg over de re-integratie van klager. Het arbitraal college overweegt hierover als volgt: “Arbiters wijzen evenzeer van de hand het verwijt van [klager] dat [de maten] niet bereid zouden zijn geweest tot overleg over de re-integratie. Uit het overzicht van de feiten blijkt het tegendeel. Arbiters achten evenmin verwijtbaar, dat zij zich hebben aangesloten bij het re-integratiekader, zoals door de Raad van Bestuur voorgesteld bij brief van 18 november 2009. Uit dat kader blijkt, dat het Ziekenhuis in verre mate bereid was de ondersteuning van [klager] bij de re-integratie te bevorderen door een waarnemend cardioloog tot 1 oktober 2010 in de praktijk van [klager] werkzaam te doen zijn. De behandelaar van [klager] heeft met die omstandigheid geen rekening kunnen houden in zijn brief van 23 oktober 2009. Arbiters achten het wegens de aanwezigheid van de waarnemend cardioloog in de praktijk van [klager] een alleszins verantwoord en meer reëel plan om hem met diagnostische en patiëntgebonden werkzaamheden in het Ziekenhuis te laten re-integreren, dan het advies van de behandelaar om [klager] met alleen administratief werk te laten beginnen.”   

Daaruit volgt dat arbiters het gewraakte oordeel hebben gegeven in de context van de aan hen voorgelegde (rechts)vraag naar de onrechtmatigheid van het handelen van de maten jegens klager, daaruit bestaande dat zij in het kader van de

re-integratie van klager, het voorstel van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis hebben overgenomen  en niet het advies van de behandelaar van klager. Met dit collegiaal gegeven arbitrale oordeel  is een beslissing gegeven op de door klager als eisende partij aan arbiters voorgelegde (rechts) vraag naar de onrechtmatigheid van het handelen van de maten. Dit (rechts)oordeel houdt niet tevens een (eigen) medisch inhoudelijke beoordeling van de belastbaarheid of van de beperkingen van klager in. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het oordeel van het arbitrale college waarvan de cardioloog als arbiter deel uitmaakte enige weerslag heeft op de individuele gezondheidszorg. Van handelen in strijd met artikel 47 lid 1, aanhef en onder b. is derhalve geen sprake. Het  feit dat de cardioloog  BIG-geregistreerd  is maakt dit niet anders.    

4.5       Ten slotte is het Centraal Tuchtcollege, anders dan het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat klager geen misbruik van recht maakt door in deze de tuchtrechter te adiëren.

4.6       Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

5.        Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege voor zover daarbij is geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beslissing is gegeven door: mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter,

prof. mr. J. Legemaate en mr. R.A. van der Pol, leden-juristen en prof. dr. R.J.M. Klautz en

dr. A.A. de Rotte, leden-beroepsgenoten en mr. M.W. van Beek, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 25 augustus 2016.

pdf

print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties