Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Wetenschap

Biosimilars voorlopig nog wel klinisch testen

1 reactie
getty images
getty images

De technische vooruitgang maakt het mogelijk om complexe moleculen, zoals biosimilars, zeer nauwkeurig te karakteriseren. Maar hoe veel ze ook op de originele biological lijken, voorlopig blijft klinisch testen voor ze op de markt komen, nog wijsheid.

‘We weten meer van biosimilars die nu op de markt komen, dan we destijds van biologicals wisten toen ze voor het eerst op de markt kwamen’, zei Arnold Vulto, hoogleraar ziekenhuisfarmacie, op het Nationaal Biosimilar Symposium. Dat komt goed van pas bij het maken en op de markt krijgen van goedkopere varianten van de middelen die bij veel aandoeningen een revolutie hebben betekend de afgelopen jaren: de biologicals. Die biosimilars zijn volgens Vulto net zo goed als de oorspronkelijke biologicals waar ze op lijken. Gezien de grote besparingen, is hij er dan ook groot voorstander van om zoveel mogelijk patiënten op de goedkopere varianten te krijgen.

Toch is de regelgeving voor biosimilars een stuk strenger dan voor generieke middelen. Voor die laatste groep volstaat het om aan te tonen dat het werkzame molecuul gelijk is aan die in de spécialité en in het lichaam dezelfde concentratie bereikt. Om een biosimilar op de markt te krijgen, moet de fabrikant doorgaans kunnen aantonen dat deze in de kliniek net zo goed werkt als de biological. Terecht? Ja, zegt Kit Roes, hoogleraar methodologie van klinische trials aan het UMC Utrecht. ‘Het klopt dat we complexe moleculen steeds beter kunnen karakteriseren. Maar deze middelen zijn het resultaat van een biologisch productieproces, waarbij we gebruikmaken van levende cellen. Zelfs van één middel zijn van batch tot batch verschillen aantoonbaar. Verschillen in het productieproces kunnen van invloed zijn op de werkzaamheid en het bijwerkingenpatroon.’ Vervolgens is de vraag hoe aan te tonen dat een biosimilar net zo goed is als het zogenaamde referentiemiddel, de biological. Helemaal hetzelfde zal het nooit zijn. Daarvoor wordt voorafgaand aan een klinische studie afgesproken hoeveel het behandeleffect mag afwijken van het referentiemiddel. ‘Dat bepalen van een marge gebeurt in samenspraak tussen de fabrikant en de registratieautoriteiten, zoals de EMA of de FDA. Dat zal nooit een totaal objectieve maatstaf zijn, het is een mix van klinisch inzicht – hoeveel verschil is relevant – en statistiek. Dit samen bepaalt hoe groot een studie moet zijn om met een bepaalde betrouwbaarheid een uitspraak te kunnen doen. Als je de marge verkleint van 15 naar 10 procent meer of minder werkzaamheid, kan dat een verdubbeling van het aantal deelnemers betekenen. Hoe groter de studie, hoe langer het duurt voor een middel op de markt komt, en hoe duurder het zal zijn.’ Moeten patiënten ook inspraak hebben in het bepalen van die marge? Zij zijn het immers die verschillen tussen middelen aan den lijve ondervinden. ‘Ik begrijp die vraag, maar die marges, die verschillen die uit studies blijken, gaan over gemiddelde effecten bij groepen, en zijn niet gemakkelijk te vertalen naar individuen.’

Roes pleitte op het symposium overigens voor studies die equivalentie van een biosimilar aantonen, en niet alleen non-inferioriteit. Voor non-inferioriteit is het voldoende om aan te tonen dat een middel (met een bepaalde marge) niet minder effectief is dan de biological. Voor equivalentie geldt ook een bovengrens: het mag dus ook niet veel meer werkzaam zijn. Roes: ‘Dat lijkt voordelig, maar een positief verschil roept de vraag op of het werkelijk een biosimilar is, of wellicht meer bijwerkingen heeft.’

Een biological kan voor verschillende aandoeningen werkzaam zijn. Infliximab bijvoorbeeld, werkt tegen reumatoïde artritis, maar ook bij crohn en psoriasis. Klinische studies hebben werkzaamheid bij al deze ziektes bewezen. Om een biosimilar te registreren, is zoals gezegd ook klinisch onderzoek nodig. Met een belangrijk verschil: het volstaat nu om bij patiënten met de ziekte die het meest gevoelig is voor het middel equivalentie of non-inferioriteit aan te tonen. Dat scheelt veel kosten en maakt bereikbaarheid voor nog meer patiënten mogelijk. Maar, zegt Roes: ‘De extrapolatie naar andere ziekten moet wel aannemelijk gemaakt kunnen worden. Ook daarom blijft het nauw volgen en nader onderzoeken van biosimilars na hun introductie van groot belang.’

lees ook

print dit artikel
Wetenschap biologicals
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Wim van der Pol, ziekenhuisapotheker np, Delft 17-01-2017 19:54

    "Het begint zo langzamerhand een klucht te worden. Biosimilars. Wie heeft dat woord eigenlijk verzonnen? Biosimilars bestaan niet, is mijn stelling. Er is weinig similar tussen geneesmiddelen, specialiste, generiek, magistraal of zelf bereid. Er is zoveel bewijs van de verschillen, dat de term voor de meest complexe geneesmiddelen nu ineens als similar wordt aangeduid. Het is een gordijn waarvoor zelfs een NATIONAAL SYMPOSIUM nodig is om het open te schuiven. Mijn advies: weg met woord similar. Dat lost veel op. Lees vanuit die gedachte, het bovenstaande verslag nog maar eens door, en u merkt het vanzelf."