Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Joris Stomp Udo Reijnders Kees Das Manon Ceelen
11 november 2015 6 minuten leestijd

Bij goede lijkschouw hoort invasief onderzoek

2 reacties

FORENSISCH ONDERZOEK

Wettelijke regeling moet onduidelijkheid wegnemen

Er bestaat onduidelijkheid over de methoden die een lijkschouwer mag hanteren bij het achterhalen van de doodsoorzaak. Voor een goede, uniforme schouw is het echter nodig dat dit wettelijk wordt vastgelegd, zeggen forensisch deskundigen. Invasief onderzoek hoort daar zeker bij.

Forensisch artsen treden zo’n tienduizend keer per jaar op als gemeentelijk lijkschouwer.1 Zij verrichten een lijkschouw als er geen behandelend arts beschikbaar is, als de behandelend arts niet overtuigd is van een natuurlijk overlijden of als er aanwijzingen zijn voor een niet-natuurlijke dood. Maar over welke methoden een forensisch arts kan beschikken om de doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden vast te stellen, daarover bestaat veel onduidelijkheid en is weinig vastgelegd in de wet of elders.

Zo is een belangrijke vraag waarover al enige tijd discussie bestaat of invasief postmortaal onderzoek tijdens de lijkschouw is toegestaan. Dat wil zeggen het inbrengen van thermometers, katheters en naalden. Ook al beveelt de richtlijn Lijkschouw bijvoorbeeld afname van bloed en urine aan, sommige artsen blijven van mening dat dit in strijd is met de wet. Tijd voor duidelijkheid en rechtsgeldigheid dus.


Casus 1

Een man van 47 jaar wordt dood liggend in zijn keuken aangetroffen. De huisarts wist dat hij zich enkele maanden eerder suïcidaal had uitgelaten. Uitwendig lichamelijk onderzoek levert geen bijzonderheden op. Een afscheidsbrief wordt niet aangetroffen. Harde aanwijzingen voor een suïcide zijn er niet.
Kan de huisarts hier een natuurlijke dood afgeven of moet de gemeentelijk lijkschouwer ingeschakeld worden en zo ja, wat zou die dan kunnen doen?

Casus 2

Een jongeman van 22 jaar wordt ’s ochtends door een vriend dood in zijn woning op het balkon aangetroffen. De lijkschouw door de huisarts levert geen bijzonderheden op. Zij kende hem alleen vanwege een bovenste luchtweginfectie van twee jaar terug.
Mag hier een natuurlijke dood, bijvoorbeeld een acute hartritmestoornis, worden aangenomen, nu aanwijzingen voor een niet-natuurlijke dood ontbreken?


 

Summier geregeld
Het is de taak van de gemeentelijk lijkschouwer om de omstandigheden rond het overlijden en de medische voorgeschiedenis in kaart te brengen. Van een natuurlijk overlijden is sprake als de dood het gevolg is van een ziekte. Tot een niet-natuurlijke dood horen de volgende categorieën: ongeval, verdrinking, verstikking, verslikking, beknelling, geweld, vergiftiging/overdosis (opzettelijk of accidenteel), suïcide, euthanasie en overlijden door een medische fout.2 In die gevallen of als de zaak onduidelijk is, schakelt de lijkschouwer de officier van justitie in, die vervolgens bepaalt of nader onderzoek door de politie en eventueel een gerechtelijke sectie moeten plaatsvinden.

In de Wet op de lijkbezorging worden slechts summier de lijkschouw, de klinische sectie en de gerechtelijke sectie geregeld. Er staat wel in dat behandelend artsen een niet-natuurlijke dood en verdachte sterfgevallen, twijfelgevallen en gevallen waarin geen doodsoorzaak kan worden vastgesteld (onverklaard overlijden) moeten melden aan de gemeentelijk lijkschouwer. Maar vreemd genoeg zegt de wet niet wat een lijkschouw inhoudt en uit welke onderdelen deze bestaat. Zelfs de wezenlijke begrippen natuurlijke en niet-natuurlijke dood zijn niet gedefinieerd. De wetgever heeft dit welbewust aan de beroepsgroep overgelaten. Bij de behandeling van deze wet in de Tweede Kamer stelde de minister indertijd dat het begrip ‘niet met voldoende scherpte was te omschrijven’ en dat men er daarom maar van had afgezien. Ook de invulling van deze begrippen werd aan de artsenij overgelaten. Evenmin is vastgelegd dat een obductie door een patholoog verricht moet worden en een gerechtelijke sectie door een gerechtelijk patholoog.

Juridisch wankel
Invasief postmortaal onderzoek is zeer belangrijk onderzoek. Want met alleen kijken naar een lijk komt een lijkschouwer niet ver. Zo is postmortaal toxicologisch onderzoek, een eenvoudige ingreep die nauwelijks sporen achterlaat, de enige methode om vergiftigingen en intoxicaties op te sporen. Ook meting van de rectale temperatuur en spierprikkeling via elektroden, onderzoeken die essentiële informatie opleveren over tijdstip van overlijden, zijn gemakkelijk uitvoerbaar. Hetzelfde geldt voor radiologisch onderzoek van het lijk, dat zonder sporen na te laten relevante medische en recherchekundige informatie aan het licht brengt. Andere vormen van invasief onderzoek zijn blaaskatherisatie, blaaspunctie, venapunctie en oogbolpunctie.

Maar al dit cruciale onderzoek staat juridisch wankel op zijn benen. Het is niet met zoveel woorden wettelijk toegestaan en het is ook niet verboden: het is, kortom, niet geregeld en er is een groot grijs gebied. Het enige wat wel duidelijk is, is artikel 73 van de Wet op de lijkbezorging (Wlb), waarin invasief postmortaal onderzoek, tot een – zowel klinische als gerechtelijke – sectie aan toe, juridisch is gefundeerd. Het doel van de wettelijk verplichte lijkschouw is immers het vaststellen van de doodsoorzaak en de aard van het overlijden en het is erg onlogisch om doeltreffende beschikbare onderzoeksmethoden daarbij niet te gebruiken omdat er geen specifieke wettelijke regeling voor is.

Lichamelijke integriteit
Door deze lacunes in de wet ontstaat nogal eens discussie over de omvang van het medisch onderzoek bij een lijkschouw. En als het gaat om het juridisch fundament van invasief postmortaal onderzoek komen de bescherming van de lichamelijke integriteit en van de persoonlijke levenssfeer vaak aan de orde. Het is immers niet toegestaan om tegen de wil van een persoon diens lichamelijke integriteit of zijn levenssfeer aan te tasten. Het is echter twijfelachtig of die persoonlijkheidsrechten ook gelden voor overledenen. Elke overledene wordt immers geschouwd, ook tegen wil en dank. Nabestaanden kunnen een schouw evenmin rechtsgeldig verhinderen, sterker: het verhinderen van een lijkschouw door de lijkschouwer geen toegang te verlenen of door het lijk te ‘verduisteren’ is expliciet strafbaar gesteld (art. 80 Wlb). Ook tegen een gerechtelijke sectie is geen bezwaar mogelijk. Voor een klinische sectie is in principe toestemming van betrokkene – bij leven – of nabestaanden nodig. De meest ingrijpende inbreuk op de lichamelijke integriteit van een overledene, namelijk de crematie, is wettelijk geregeld. Iemand kan zelfs gecremeerd worden zonder dat hij daar bij leven ooit uitspraken over heeft gedaan.

Gezien deze gelegitimeerde ‘inbreuken’ is het niet aannemelijk dat simpele invasieve ingrepen als het meten van rectale temperatuur of het afnemen van lichaamsmateriaal in strijd met de wet zouden zijn. Bovendien moeten we beseffen dat de lijkschouw – inclusief de daarbij toegepaste medische technieken – juist in het belang van overledene, nabestaanden en maatschappij wordt uitgevoerd. Gevallen van niet-natuurlijke dood moeten met het oog op deze belangen worden opgespoord.

Vastleggen
Het is wenselijk dat diverse vormen van invasief onderzoek in een wettelijke regeling worden benoemd als reguliere onderdelen van de lijkschouw. Onder huidig recht is dit onderzoek naar onze mening gelegitimeerd. Ook is er draagvlak voor in het veld. Het Openbaar Ministerie heeft meer dan eens standaard toxicologisch onderzoek in het kader van de lijkschouw door de forensisch arts/gemeentelijk lijkschouwer bepleit. In het in 2013 uitgebrachte rapport van de Gezondheidsraad over de forensische geneeskunde pleit een commissie van deskundigen, onder wie vertegenwoordigers van het Openbaar Ministerie, er juist voor om standaard bloed en urine tijdens de lijkschouw af te nemen.3 Ook in de protocollen van de NODO-procedure, waarbij alle betrokkenen in het veld, onder wie vertegenwoordigers van het ministerie van Veiligheid & Justitie, politie en het Openbaar Ministerie, werd het standaard opnemen van de rectale temperatuur en afnemen van lichaamsmateriaal, waaronder bloed en urine, tijdens de lijkschouw bij onverklaard overleden kinderen opgenomen.4 5 De forensisch medische beroepsgroep heeft (onder 6.6) in de richtlijn Lijkschouw opgenomen dat afname van bloed en urine deel uitmaakt van de lijkschouw.

Het zou dan ook goed zijn als door middel van een eenvoudige regeling – een algemene maatregel van bestuur of een ministerieel besluit – wettelijk wordt vastgelegd welke vormen van postmortaal invasief onderzoek deel uitmaken van de lijkschouw.6


auteurs

Kees Das
hoofd afdeling forensische geneeskunde, GGD Amsterdam

Manon Ceelen
wetenschappelijk onderzoeker, GGD Amsterdam

Joris Stomp
coördinator forensische geneeskunde GGD Amsterdam

Udo Reijnders
docent forensische geneeskunde AMC/UvA

 

contact

cdas@ggd.amsterdam.nl

cc: redactie@medischcontact.nl

Geen belangenverstrengeling gemeld


voetnoten

1. Rapport Eerstelijns Forensische Geneeskunde in Nederland. Vakgroep Forensische Geneeskunde. GGD Nederland, Utrecht, 2002.

2. C. Das en G. van der Wal. Overlijdensverklaringen in Nederland: ontoereikende procedures bij niet-natuurlijke dood, lijkvinding en overledenen met onbekende identiteit. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2001, 145(37), p. 1806-1810.

3. Gezondheidsraad. Forensische geneeskunde ontleed. Naar een volwaardige plaats voor een bijzondere discipline. Den Haag: Gezondheidsraad 2013/04 (paragraaf 4.2.2, pagina 62: toxicologisch onderzoek).

4. Protocol NODO-procedure, bijlage bij Kamerstukken II 2005/06, 30696, 5.

5. J.J. Tiessen. Doodsoorzaak onbekend. Gemeentelijk lijkschouwer standaard inschakelen bij overleden kinderen. Medisch Contact 2007, 62(2), p. 70-72.

6. Forensisch Medisch Genootschap (FMG). Richtlijn Forensische Geneeskunde Lijkschouw; 3de herziene versie.

 

© hollandse hoogte
© hollandse hoogte

lees ook

print dit artikel
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Kees Das, GGD Amsterdam, 29-12-2015 00:00

    "De strekking van ons betoog is dat met name bloed- en urineonderzoek wettelijk geregeld moet worden, omdat er over dit onderwerp steeds weer discussie is, overigens aangevoerd door slechts een enkele jurist, toevallig ook uit Nijmegen.
    Het OM heeft geen enkel bezwaar tegen dit invasief onderzoek. Wij hebben niet bepleit dat bij lijken benen worden afgezet, wij betogen dat als zelfs crematie wettelijk geregeld kan worden, bloed- en urineonderzoek dan toch ook eenvoudig wettelijk geregeld zou kunnen worden. Als dit buiten een wettelijke regeling om via een richtlijn geregeld zou kunnen worden, dan waren we heel snel klaar, want in de Richtlijn Lijkschouw van de forensisch artsen (FMG) staat al sinds jaar en dag dat bloed en urineonderzoek deel uitmaakt van de uitwendige lijkschouw. Het gescherm met grondrechten is zinloos. Zo redenerend zou zelfs een simpele meting van de rectale temperatuur, dat is immers ook invasief onderzoek, 'in strijd met de wet' zijn."

  • Wulphert Venderink en Willemijn Klein, Arts-assistent en ra, Nijmegen 22-12-2015 00:00

    "Invasief onderzoek kan de kwaliteit van lijkschouw verhogen. Collega Das en coauteurs pleiten voor een aanvullende wettelijke regeling waarin invasief onderzoek benoemd wordt tot onderdeel van de lijkschouw. Auteurs komen tot de conclusie dat een grijs gebied bestaat maar dat het niet aannemelijk is dat simpele invasieve ingrepen op dit moment in strijd met de wet zouden zijn. Behalve dat wij de manier waarop tot deze conclusie is gekomen merkwaardig vinden, zijn wij het met bovenstaande punten niet eens.
    Auteurs argumenteren dat invasief onderzoek nu toegestaan is als onderdeel van lijkschouw omdat crematie wettelijk is toegestaan. Als deze redenatie gevolgd zou worden, zou zelfs het amputeren van een been als onderdeel van lijkschouw toegestaan zijn omdat dit minder invasief is dan crematie. Volgens art. 11 van de Grondwet mag een inbreuk op de lichamelijke integriteit alleen plaatsvinden indien dit bij of krachtens de wet is toegestaan. Bij het tot stand komen van deze bepaling is bepaald dat de bescherming van de lichamelijke integriteit ook geldt na de dood. Een lijkschouw is zo’n gelegitimeerde inbreuk. Er dient dus beoordeeld te worden wat een lijkschouw is. Door de wetgever is de afbakening hiervan aan de beroepsgroep zelf overgelaten. Volgens de KNMG is een lijkschouw een uitwendig onderzoek van het hele lijk. Op basis hiervan is invasief onderzoek onzes inziens naar huidig recht dus niet toegestaan.
    Wij delen de mening dat aanvullende regelgeving gewenst is. Echter lijkt ons wetgeving hierover niet op zijn plaats. De beroepsgroep is zelf beter in staat hier nadere regels over te ontwerpen. De wet geeft de hoofdlijnen aan, een richtlijn kan meer de diepte in. Wij pleiten derhalve voor een richtlijn opdat uniformiteit ontstaat in de toepassing van invasief onderzoek als onderdeel van de lijkschouw."

dit artikel delen