Inloggen
Laatste nieuws
G.J. Visser
5 minuten leestijd

Artsen in de hongerwinter

Plaats een reactie

‘Opereren met twee truien onder de operatiekleding’



Zestig jaar geleden zat het westen van Nederland vrijwel zonder eten. Gas en licht waren er ook niet meer en zeep, kleren en schoenen waren luxeartikelen geworden. Twee artsen vertellen over hun ervaringen in die winter


L.C. Brands (89) werkte destijds als chirurgisch assistent in opleiding in het Academisch Ziekenhuis Utrecht (AZU).



‘Ik was net getrouwd, had een kind. Toch was honger voor mij niet het grootste probleem. Het ziekenhuis had een flinke hoeveelheid boter, suiker, bonen en olie. Met de distributiebonnen kreeg het personeel elke maand een doos met heerlijkheden. Daar zat ook meel in, om pannenkoeken te maken. Er waren meer werkgevers die wat extra’s kregen, ook via de Duitse bezetters en de NSB’ers, die alle posten bezet hielden. Een bedrijf dat een beetje meewerkte, werd door hen op gang gehouden en het personeel daar kreeg extra te eten. Veel mensen waren afhankelijk van wat extra’s. Echte honger was er vooral in de grote stad bij de ouderen, die niet in staat waren om op de fiets met houten banden de boer op te gaan om sierraden te ruilen voor voedsel.


Zelf herinner ik mij vooral de kou. Opereren in een kamer zonder verwarming, met twee truien onder de operatiekleding. Als destijds verslaafd roker leed ik ook door het gebrek aan tabak. Gelukkig was Utrecht het regionale centrum voor de omgeving. Patiënten uit de Betuwe of Brabant namen wel eens wat mee uit een sigarenwinkel die nog een klein voorraadje had. Oudere chirurgen en de assis-tenten deden om beurten dienst. Ook als je vrij was, moest je soms inspringen vanwege het vele werk. Dan moest je je met die barre kou wel heel goed aankleden en op je fietsje naar het ziekenhuis rijden. Halfbevroren kwam je aan, en dan duurde het wel even voordat je iets met je vingers kon doen.


‘Vanaf het derde jaar van de oorlog zagen we een merkwaardige toename van beklemde breuken, doordat de vetlaag verdween. Doordat het vervoer zo slecht was, kwamen patiënten pas in een laat stadium naar het ziekenhuis. Dan was de darm al zo beschadigd dat er een stukje van moest worden weggenomen. We zagen ook een geweldige toename van stafylokokkeninfecties. Die veroorzaakten karbunkels in de nek, die we met het elektrische mes moesten openmaken. Door die infecties kwam ook veel osteomyelitis voor. Vaak stierf een stuk bot af en daaromheen vormde zich nieuw bot, een doosje dat we ‘Totenlade’ noemden, doodskist. Dat moesten we dan open beitelen om het dode stuk bot eruit te halen. We zagen ook veel panaritia, door gebrek aan zeep en warm water.


Er waren die winter ook veel patiënten met galblaasontsteking. Er is nooit een duidelijke verklaring voor gevonden, maar het had zeker te maken met het soort voeding: bloembollen werden veel gegeten.



De electieve operaties verdwenen langzamerhand. Mensen hadden niet de moed om naar het ziekenhuis te komen, wachtten af. We hadden in het ziekenhuis vooral de acute chirurgie, problemen door granaat-splinters, oorlogsverwondingen door de luchtgevechten of door vliegtuigen die omlaag kwamen.


Het ziekenhuis grensde aan een spoorwegemplacement. Dat was die winter doelwit van een Engels bombardement. Het mislukte volkomen, de bommen vielen naast het spoor en raakten de neurologische kliniek, waar slachtoffers vielen. Onze chirurgische kliniek bleef gespaard. Die had een operatiezaal met drie tafels, plus een kamer voor de hoogleraar om te opereren. De operatiezaal had een glazen dak om het daglicht door te laten, schuin aflopend en afgedekt door jaloezieën, vanwege de verduisteringseisen. Gelukkig waren die neer toen de bommen vielen. Door de luchtdruk brak het glas en dat viel langs de jaloezieën naar beneden. De tafels werden niet geraakt, maar de kamer was niet meer bruikbaar. Tijdens het bombardement waren er drie operaties aan de gang, bij elke tafel stond een narcotiseur en een operatiezuster. We moesten snel de tafels naar buiten rijden en daar verder opereren. Ik weet nog goed dat ik mijn operatie in de bibliotheek moest afmaken.



Er was gebrek aan brandstof. Ik weet nog dat ik met een medeassistent op zondagochtend met een karretje van de technische dienst naar De Bilt liep. We hadden een zaag bij ons, goed verborgen want dat mocht natuurlijk niet. We laadden het karretje vol met takken en sprokkelhout en gingen met die buit weer naar huis. Voor de potkacheltjes. Er was niemand die normaal zijn huis kon verwarmen. Maar de assistenten hadden geluk. Die kregen een schamel loon en hadden daardoor maar een klein appartement van anderhalf kamertje. En dat werd al snel warm.



De narcose ging verschrikkelijk primitief. Een open kapje en een gevaarlijk mengsel van ether, chloroform en alcohol, dat door de narcotiseurs, meestal weinig ervaren co-assistenten, moest worden toegediend. Het verschil tussen een patiënt die spartelt van de pijn en de patiënt die ademstilstand krijgt door narcosevergiftiging was griezelig klein. Het mengsel moest heel precies worden toegediend, niet te veel en niet te weinig. Vaak moesten we kunstmatige ademhaling toepassen. Toch waren er zelden dodelijke ongelukken. Er was alleen altijd spanning. Heel veel spanning.



Na het bombardement verhuisden we naar de kinderafdeling van het Diakonessenhuis, waar een paar bedden voor volwassenen werden neergezet. Er brandde maar een klein potkacheltje in de hoek van de zaal en een slaapzak was dus een heerlijk bezit. Als je dienst had, werd je lekker ingestopt door een zuster om de nacht zonder te bevriezen door te komen. Maar dat kacheltje was natuurlijk wel gevaarlijk, met die brandbare narcosegassen.


Ik herinner me ook nog die kleine kinderwc’tjes en urinoirtjes daar. Hoe moeilijk het was om goed te mikken!’ 



‘

Er stond altijd wel een warme maalijd voor me klaar’



F.A. Bol (87) kwam eind 1944 te werken in Berkhout, bij Hoorn. Hij nam daar waar in een plattelandspraktijk voor een zieke huisarts die drie maanden rust moest houden

.



‘Hoewel het wat krap was, zag ik weinig echte problemen met de honger. De mensen hadden hun eigen tuintje en vaak een geit voor de melk. Aan eiwit en vitaminen was dus geen groot tekort. Brood maakten de mensen zelf, maar er was ook een bakker. En er werd ‘zwart’ geslacht, dus zonder dat het vlees werd afgeleverd. Als het nodig was, kon je als huisarts met een medische verklaring zorgen voor extra levensmiddelenbonnen via de gemeentekas, bijvoorbeeld aan mensen met suikerziekte. Veel huizen hadden een eigen gasbron, al van vóór de oorlog. Je moest fietsen om het gas op te pompen, maar dan had je genoeg om voor één huishouden op te koken. Ik deed spreekuur op de fiets. Er stond altijd een warme maaltijd voor me klaar bij een weduwe die een restaurantje had.



Mensen uit de stad kwamen om eten te kopen, met ringen, sierraden en ook lakens en luiers. Dat werd dan ingewisseld voor graan. Want linnengoed was er niet. Mijn vrouw was in verwachting van ons eerste kind en moest honderd gulden betalen voor tien luiers.



Ik was al die tijd formeel geen huisarts. Ik had al wel wat assistentschappen gedaan. Leiden was in ‘42 gesloten, dus haalde ik dat jaar in Amsterdam mijn doctoraal. Daarna heb ik een aantal assistentschappen gedaan, clandestien, want ik wilde de niet-joodverklaring niet tekenen.’


Joost Visser

Klik hier voor het PDF-bestand van dit artikel


ouderen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.