Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
Laatste nieuws
Rentsje de Gruyter
05 februari 2003 11 minuten leestijd

Voorrang zonder medische indicatie

Plaats een reactie

Artsen willen duidelijkheid over wat wel en niet mag



Door de lange wachttijden in de zorg verzoeken patiënten steeds vaker om naar voren te worden geschoven op de afsprakenlijst zonder dat dit medisch gezien noodzakelijk is. En niet zonder succes. ‘Voorkeursbehandelingen blijken alom voor te komen’, staat in een onderzoeksrapport van de inspectie en VWS. Wat brengt artsen daartoe?


In De Telegraaf stond een maand geleden een opmerkelijke zin. Deze kwam uit de mond van theoloog en dichter Huub Oosterhuis, die in een interview vertelde dat prins Claus geen prijs stelde op de voorkeursbehandelingen die hem zo vaak ten deel vielen. ‘Hij vond het vreemd dat hij geen belasting betaalde’, zei Oosterhuis, ‘en vervelend als hij weer met spoed en voorrang in het ziekenhuis werd opgenomen.’

Halve wereld


Weinig patiënten zullen echter bezwaar maken tegen een voorkeursbehandeling. Integendeel. Specialisten laten weten dat zij, juist vanwege de lange wachtlijsten en wachttijden, steeds vaker worden benaderd door vrienden en bekenden met het verzoek hen vooruit te schuiven in het afsprakenboek.


‘De halve wereld wil tegenwoordig met voorrang worden behandeld’, zegt plastisch chirurg Julien van Rappard. Het duurt acht maanden voordat een patiënt bij hem op een eerste consult kan komen. Op behandeling moet die patiënt dan nog een halfjaar wachten. ‘Door de wachttijden is het aantal telefoontjes enorm toegenomen.’ Zeker één keer per week - 52 keer per jaar dus - krijgt Van Rappard een serieus verzoek om een voorkeursbehandeling. Van collega’s die voor familie en vrienden bemiddelen. Maar ook opmerkelijk vaak van vage bekenden, die hij één keer op een borrel heeft ontmoet.


Van Rappards verhaal staat niet op zichzelf. In een onderzoeksrapport van de inspectie en VWS over wachttijden in ziekenhuizen, dat afgelopen zomer werd gepubliceerd, werd al geconcludeerd dat ‘voorkeursbehandelingen alom blijken voor te komen’. In de gesprekken over wachttijden die de onderzoekers voerden met personeelsleden in acht ziekenhuizen, stelden zij ook enkele vragen over voorkeursbehandelingen. Anders dan inspecteur Reinoud Bon verwachtte, spraken de specialisten, verpleegkundigen, arts-assistenten en leidinggevenden ‘zonder uitzondering buitengewoon openhartig over voorkeursbehandelingen en gaven zij concrete voorbeelden’. Alleen twee managers ontkenden dat dit in hun ziekenhuis voorkwam, maar Bon vermoedt dat zij politiek correct antwoordden.

Beweegredenen


Gezien de opmars van de voorkeursbehandeling rijst de vraag hoe de beroepsgroep zelf tegenover dit verschijnsel staat. Verlenen artsen voorrang omdat zij daar achter staan of  voelen zij zich ertoe verplicht? Maken zij onderscheid tussen persoonlijke relaties (familie, vrienden) en mensen met een belangrijke maatschappelijke positie (ministers, topvoetballers en dergelijken)? Wat zijn, kortom, hun beweegredenen om een patiënt voorrang te verlenen zonder dat de medische indicatie hierom vraagt?


‘Ik laat me uitsluitend leiden door mijn gevoelens. Ik heb alleen emotionele argumenten waarom ik iemand voorrang geef’, vertelt chirurg in opleiding Marina van Engeland. Toen haar vader een liesbreuk had en in zijn eigen woonplaats vier maanden moest wachten voor een eerste afspraak op de poli en het intakegesprek in een privé-kliniek niet beviel, greep ze in. ‘Het klonk allemaal erg onprofessioneel, hoe mijn vader daar werd geholpen. De arts was bijvoorbeeld heel gehaast.’ Van Engeland sprak haar vader op vrijdag. Diezelfde dag nog wist zij voor maandag een bed en een operatiekamer te regelen in het ziekenhuis waar zij zelf werkt. ‘Ik handelde uit bezorgdheid en betrokkenheid’, aldus Van Engeland. Ze vroeg een collega in wie ze veel vertrouwen heeft of die de operatie wilde doen. ‘Zo wist ik tenminste zeker dat mijn vader in goede handen was.’ Volgens Van Engeland is het in haar ziekenhuis ‘vanzelfsprekend dat je dat soort dingen voor elkaar doet. Daar is nooit discussie over.’


Ook huisarts Har Meijer laat zich bij het verlenen van voorrang aan vrienden en familie leiden door persoonlijke betrokkenheid. Maar bij mensen met een vooraanstaande maatschappelijke positie bepalen andere factoren zijn gedrag. ‘Hun geef ik voorrang omdat ik het leuk vind om met mensen om te gaan die iets presteren. Ik vind het een eer als zij bij mij in mijn praktijk komen. Ik wil dan graag aardig worden gevonden, zo’n mannetje ben ik, dat geef ik eerlijk toe.’ Deze categorie is wat hem betreft breed: het kan gaan om mensen uit de Raad van Bestuur van een beursgenoteerd bedrijf, om hoogleraren, maar evengoed om politici of geestelijken.


Algemeen bekend is dat Elco Brinkman patiënt is bij Meijer. Toen Meijer onlangs een boekje met columns publiceerde, schreef Brinkman vanzelfsprekend het (lovende) voorwoord. Toen Brinkman - hij was al minister van Volksgezondheid af - kanker kreeg, kwam de diagnose op dinsdag en kon hij op woensdag in het ziekenhuis terecht voor de eerste chemokuur. Inderdaad, een typisch voorbeeld van voorkeursbehandeling, geeft Meijer toe. ‘Als je wilt, kun je alles regelen.’


Op de achtergrond spelen bij Meijer nog andere motieven een rol. ‘Ik ben bang dat als ik over tien jaar iets mankeer en geen goed netwerk heb, ik achter in de rij moet aansluiten. Dat heb ik gezien bij een gepensioneerde huisarts hier uit de buurt die ziek werd. Geen enkele oud-collega kwam voor hem op.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mogen artsen rekening houden met de maatschappelijke verdiensten of sociaal-economische waarde van patiënten?, Foto: Hans Oostrum Fotografie, Lucas van der Wee

Ruilhandel


Plastisch chirurg Van Rappard bevestigt dat het ‘soms natuurlijk een soort ruilhandel is’. Toen hij enkele maanden geleden tijdens een storm landde op Schiphol en het treinverkeer bleek te zijn stilgelegd, sprak hij twee jonge vrouwen met een auto aan. Van Rappard: ‘Alsof het een grap was, zei ik: “Ik ben plastisch chirurg en ik mats jullie straks als jullie me nu een lift geven.” Een van die meiden zei gelijk: “Oké, ik wil wel wat aan mijn borsten laten doen”, en ik kon instappen. Mocht zij in het ziekenhuis komen, dan krijgt ze zeker voorrang.’


Als de tuinman terwijl diens agenda vol zit hem uit de brand helpt als een boom in zijn tuin dreigt om te vallen, kan hij ook op Van Rappard rekenen als hij plastisch-chirurgische hulp nodig heeft en op een lange wachtlijst stuit. Vage kennissen wimpelt Van Rappard echter af. Net als Van Engeland zegt hij uit persoonlijke overwegingen te handelen, ‘omdat ik graag mensen uit mijn privé-leven van dienst ben. Ik doe ze graag een plezier’.


Bij mensen uit het ziekenhuis is het voor hem een kwestie van collegialiteit dat hij hun voorrang verleent. Hij verwacht hij hetzelfde terug. Toen de secretaresse van een bevriende orthopeed niet met voorrang een afspraak voor hem wilde regelen, werd hij wel even boos. ‘Als die orthopeed last heeft van zijn hand, laat ik hem ook niet wachten. Dat is te dol, dat doe je niet bij collega’s.’ Toen de orthopeed ervan hoorde, werd de secretaresse overruled en werd er alsnog een snelle afspraak geboekt.

Maatschappelijke discussie


Volgens Marion Borghuis, directeur van de centrale huisartsenpost in Nijmegen, zijn voorkeursbehandelingen langzaamaan een minder besmet begrip geworden. ‘Het besef is doorgedrongen dat ieder beroep voordelen met zich brengt’, zegt zij. Borghuis vindt - zij spreekt hier op persoonlijke titel - dat het tijd is voor een maatschappelijke discussie over de vraag of artsen rekening mogen houden met de maatschappelijke verdiensten of sociaal-economische waarde van patiënten. Medici en patiëntenverenigingen zouden nadrukkelijk betrokken moeten worden bij deze discussie.


Zelf vindt Borghuis dat iemands maatschappelijke verdiensten mogen meewegen. Toen haar moeder op de wachtlijst werd geplaatst van een verzorgingshuis waar zij 26 jaar als vrijwilligster had gewerkt, ging Borghuis een gesprek aan met het hoofd verzorging. Daarin gaf ze aan dat haar moeder op grond van haar verdiensten best een voorkeursbehandeling zou mogen krijgen. ‘En daar schaam ik me helemaal niet voor. Het verzorgingshuis heeft heel lang baat gehad bij mijn moeders inzet; nu was het haar beurt.’


De discussie moet volgens Borghuis uiteindelijk leiden tot het opstellen van regels met voorwaarden waaronder een voorkeursbehandeling (niet) geoorloofd is. ‘Die beoordeling moet je niet aan individuele artsen overlaten, dat is moreel gezien een zware belasting’, vindt Borghuis. ‘Bovendien kan daardoor de uitkomst - voorrang of geen voorrang - in vergelijkbare situaties per arts sterk verschillen.’

Duidelijk


Inspecteur Bon, oud-huisarts, is weliswaar van mening dat de algemene gedragsregels van de KNMG voorkeursbehandelingen uitsluiten, maar hij vindt mét Borghuis dat er meer helderheid moet komen over wat mag en niet mag. Volgens hem zouden zowel de directies als de medisch-ethische commissies in ziekenhuizen zich veel duidelijker moeten uitspreken over het onderwerp. Bovendien, zo zegt hij, zouden ook de tientallen beroepsverenigingen van specialisten er een punt op de agenda van kunnen maken.


Bon zegt dat hij hiervan overtuigd is geraakt, omdat tijdens het onderzoek van de inspectie veel specialisten aangaven dat zij zich onder druk gezet voelen. ‘De meeste artsen voelen zich uitermate ongemakkelijk en gegeneerd over het geven van voorkeursbehandelingen’, zegt Bon. ‘Zij worden dagelijks geconfronteerd met de wachtlijsten en voelen zich daarin zeer onmachtig. Als zij een verzoek krijgen van een collega om een bekende voorrang te verlenen, ervaren zij dit vaak als een ethisch dilemma. Als zij rechtlijnig handelen, levert dat frictie op met de collega. Dat staat haaks op het verlangen de professionele relatie - en de werksfeer - goed te houden.’

Vips


In de gesprekken die Medisch Contact voerde met huisartsen en specialisten, vielen vooral verschillen op in het


denken over voorrang aan vips, ofwel mensen met een ‘belangrijke’ maatschappelijke positie.


Huisarts Meijer gaf al aan dat hij hiermee geen problemen heeft. Maar bijvoorbeeld plastisch chirurg Van Rappard is tegenstander van voorrang voor vips, zoals topsporters. ‘Waarom moet een topvoetballer eerder geholpen worden dan mijn secretaresse, als beiden met een liesbreuk thuis zitten?’, vraagt hij. Omdat die voetballer snel weer in het veld moet staan? Of omdat topsporters niet veertig jaar de tijd hebben om hun carrière op te bouwen? Dat vind ik onzin. Mijn secretaresse moet even snel weer aan het werk kunnen als die voetballer.’


Mocht een minister zich aanmelden, dan komt die onderaan Van Rappards wachtlijst terecht. ‘Zoals de regels voorschrijven. De minister is degene die iets zou moeten dóen aan de wachtlijsten. Bij zo iemand hoef ik geen wit voetje te halen.’


Chirurg Van Engeland denkt dat ze wellicht wél zou zwichten als ze een minister als patiënt krijgt, maar overtuigd is ze niet. ‘Eigenlijk zou ik het niet moeten doen. Als de ‘hoge omes’ zelf geen voorkeursbehandeling meer ontvangen, krijgen ze misschien eindelijk inzicht in het leed dat de wachtlijsten veroorzaken. Zelfs al verergert je medische situatie niet, lang wachten brengt vaak zo veel psychisch lijden met zich mee.’ Even later zegt Van Engeland ‘voorkeursbehandelingen bij nader inzien ethisch niet helemaal verantwoord’ te vinden. ‘Je staat er eigenlijk nooit bij stil, maar doordat jij iemand ertussendoor fietst, schuift iemand anders op de wachtlijst op, of krijgt een langere wachttijd. Maar als arts zie je niet dat meneer Jansen langer moet wachten. En meneer Jansen zelf weet ook niet dat dit komt doordat jij een bekende eerder hebt geholpen. Hij spreekt je er dus niet op aan.’


Een eerstehulparts, die graag zonder naamsvermelding blijft, vertelt dat hij, en veel van zijn collegae zich zeer


storen aan de behandeling die Ajax-spelers krijgen in het VU-ziekenhuis. ‘Het gebeurt regelmatig dat op de Eerste Hulp zo’n dropshotje binnenkomt, een junior met een klacht van helemaal niks. Dan wordt er gelijk een specialist opgetrommeld, terwijl de eerstehulparts het prima zelf kan afhandelen. Dan moet er een briefje naar de specialist, waarop staat: ‘SPOED, AJAX!’ Daarvoor moet die specialist dan alles uit zijn handen laten vallen.’ Het ergst vindt hij dat veel voetballers deze gang van zaken ‘doodnormaal’ vinden.

Stuitend


Specialisten melden meer voorvallen die zij ‘stuitend’ vinden. Een anesthesist uit een academisch ziekenhuis vertelt, ook onder garantie van anonimiteit (‘de directie zal mij mijn openhartigheid niet in dank afnemen’) dat hij zich eens zeer gefrustreerd voelde door het optreden van de medisch directeur van het ziekenhuis. ‘Deze man had een liesbreuk, zogenaamd een beklemde, en deelde ons om 12 uur mee dat hij om 3 uur wilde worden geopereerd. Terwijl voor een dergelijke ingreep bij ons wachtlijsten bestaan van een halfjaar.’ Hij kreeg zijn zin. Toen een paar collega’s de directeur lieten weten dat zij dit geen normale gang van zaken vonden, ‘keek hij hen verbaasd aan.’


Een aantal artsen geeft aan wél rekening te willen houden met de economische schade die de maatschappij, of een patiënt, zou lijden zonder voorrangsbehandeling. Huisarts Joke Lanphen die praktijk houdt in Blaricum, waar veel upper class woont, is een van hen. Voorrang voor ‘mensen met een publieke verantwoordelijkheid’ vindt zij niet vallen onder de noemer ‘voorkeursbehandeling’. ‘Als Pieter van Vollenhoven een dag niet kan werken, is dat een domper voor veel mensen die ergens in het land op zijn komst hadden gerekend.’ Maar voor een kleine zelfstandige, een vrachtwagenchauffeur zonder arbeidsongeschiktheidsverzekering bijvoorbeeld, spant zij zich óók extra in. 


Borghuis vindt dat goed verdedigbaar. ‘Uit menselijke overwegingen is het onterecht’, reageert zij. ‘In de Wet gelijke behandeling staat dat alle mensen gelijke toegang tot de zorg moeten hebben. Maar om sociaal-economische redenen is het toch begrijpelijk dat je Balkenende direct helpt, ook al is er een wachtlijst? De maatschappij lijdt schade als hij zijn werk niet kan doen.’


Youp van ‘t Hek heeft gemerkt dat artsen gevoelig zijn voor dit laatste argument. Per mail vertelt hij dat hij de paar keer dat hij is doorverwezen naar een specialist, niet onderaan de wachtlijst terechtkwam. Eén keer werd hij ‘gehinderd’ door een klacht tijdens een serie optredens in een uitverkocht Carré. ‘Als ik niet kon optreden, moest ik zestigduizend mensen teleurstellen. Dat heb ik de specialist uitgelegd en binnen 24 uur ben ik in een Amsterdams ziekenhuis behandeld. De dokter vond het de normaalste zaak van de wereld. “Voetballers gaan ook voor”, zei hij. Eerlijk gezegd vond ik het zelf ook logisch.’

Gedragsregels


Volgens inspecteur Bon laten de gedragsregels van de KNMG echter geen ruimte voor voorkeursbehandelingen. ‘Iemands machtspositie of economische waarde  hoort geen enkele rol te spelen in de snelheid waarmee hij wordt behandeld’, aldus Bon. ‘Er is veel gepraat - onder meer door politici - over de dreigende tweedeling in de zorg. De conclusie is steeds geweest dat we dat als maatschappij níet willen. Je overtreedt het basisprincipe van gelijke toegang tot noodzakelijke zorg als je voor de ene patiënt een beetje meer doet dan voor de andere. Ook als dit niet aantoonbaar tot langere wachtlijsten leidt.’


Dick Meerman, als ethicus verbonden aan de KNMG, vindt dit een onjuiste gedachtegang. ‘Bij voorkeursbehandelingen van collega’s, familie en vrienden is het vaak een kwestie van collegialiteit als je iemand ertussendoor fietst. Waarom zou je het kind van een collega niet tussen de staande afspraken door zien? Het maakt de wachtlijsten niet langer, op zijn hoogst de wachttijd.’ Volgens Meerman is een voorkeursbehandeling gerechtvaardigd mits dit voor andere patiënten niet schadelijk uitpakt, dat wil zeggen hun medische situatie verergert. ‘Het zou door andere patiënten als onfatsoenlijk kunnen worden gezien, maar het goede dat een arts hiermee doet, is nog altijd vele malen groter.’ Over voorkeursbehandelingen voor vips zegt Meerman dat ‘wij hier pas een gedragsregel over maken als de Tweede Kamer bepaalt dat voorkeursbehandelingen erg zijn en op gespannen voet staan met het gelijkheidsbeginsel’.

bespreekbaar


Maar volgens inspecteur Bon ‘hebben zeer veel artsen die ik sprak tijdens ons onderzoek laten weten dat zij onvoldoende steun ervaren op het moment dat zij beslissingen moeten nemen over voorkeursbehandelingen’. Ook verpleegkundigen hebben volgens Bon vaak moeite met voorrangsactiviteiten; dit zou hun relatie met artsen onnodig onder druk zetten. Bon: ‘Als een deel van de artsen én van de verpleegkundigen zegt dat dit een probleem is, moeten ziekenhuizen en beroepsorganisaties het bespreekbaar maken.’ 


Meerman stelt evenwel dat ‘voorkeursbehandelingen geen onderwerp van discussie zijn onder artsen. Kennelijk is het geen gemis dat er geen gedragsregels bestaan over voorkeursbehandelingen. Anders hadden artsen er wel op aangedrongen dat ze er kwamen. Qua wetgeving hebben we een egalitaire samenleving - kijk maar naar artikel 1 van de grondwet. Maar qua gevoel leven we in een standenmaatschappij.’



Rentsje de Gruyter,


journalist

Brieven

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.