Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht

Medici en moordzaken

Plaats een reactie

De forensische geneeskunde in de praktijk


De lijkschouw en de gerechtelijke sectie zijn voor veel artsen onbekend terrein. Forensisch geneeskundige dr. Udo Reijnders en NFI-patholoog dr. Rob Visser laten zien dat een dode nog veel kan vertellen.

In de woonkamer van een bejaardentehuis ligt een man op de grond. Dood. Omdat de huisarts niet kan worden getraceerd, belt een personeelslid van het tehuis de schouwarts voor het invullen van de overlijdensverklaringen. Er lijkt niks aan de hand. Er zijn geen sporen van inbraak. De man had diabetes mellitus en een slecht hart. De schouwarts merkt echter iets vreemds op. Niet aan het lichaam, dat is nog onaangeroerd, maar in de prullenbak. Daarin ligt een colabeker van een grote snackbarketen. De oude man had vanwege diabetes echter een streng dieet en kwam vanwege zijn slechte benen bijna nooit buiten. Navraag leert de schouwarts dat het zeer onwaarschijnlijk is dat een van de personeelsleden van het bejaardentehuis de colabeker daar heeft achtergelaten. Maar wie dan wel? Onder de voor een man van deze leeftijd nog volle haardos vindt de schouwarts een klein wondje. Deze gegevens leiden ertoe dat de arts besluit in ieder geval geen verklaring van natuurlijke dood af te geven.

‘Als er maar enige twijfel is over de natuurlijkheid van de doodsoorzaak, mag een verklaring van natuurlijk overlijden namelijk niet worden afgegeven’, verduidelijkt de bij de GG & GD-Amsterdam werkzame forensisch geneeskundige dr. Udo Reijnders. ‘Bij het opzettelijk vals invullen van een overlijdensverklaring overtreed je namelijk artikel 228 van het Wetboek van Strafrecht.’ Op overtreding van dit artikel staat een maximum van drie jaar gevangenisstraf. ‘Ik hoor wel eens van artsen dat ze uit angst om het mis te hebben, de overlijdensverklaring tekenen terwijl ze in feite twijfelen. Twijfel over de doodsoorzaak zou de relatie tussen de huisarts en de familie te veel verstoren. Natuurlijk is het zo dat een huisarts een andere positie heeft dan een benoemd schouwarts die ter plaatse komt, zijn werk doet en weer vertrekt. Ik vind ook niet dat een huisarts als een rechercheur door het huis moet gaan, maar het is wel je plicht uit te sluiten dat er niet iets anders aan de hand is.’ Het verrichten van een goede schouw en het eventueel raadplegen van de gemeentelijk lijkschouwer hoeft volgens Reijnders helemaal geen problemen te geven. ‘Je kunt de familie uitleggen dat je een formulier moet invullen waarbij je ook de doodsoorzaak aangeeft. De nabestaanden willen de doodsoorzaak toch ook weten? Wanneer er om een of andere reden het gevoel ontstaat dat er iets niet pluis is, leg je de familie uit dat je niet zeker bent over de doodsoorzaak en dat je de hulp van een meer ervaren collega inroept. Daarbij hoef je natuurlijk niet te vermelden dat het om de ‘politie-arts’ gaat.’


Bedrieglijk

Casussen waarbij op het eerste gezicht niets aan de hand lijkt, maar waarbij een ‘niet-pluis-gevoel’ ontstaat, boeien Reijnders het meest. ‘Dat de schouwarts de colabeker in de prullenbak zag liggen, berust niet op toeval. De omgeving waarin de dode zich bevindt, kan iets vertellen over de doodsoorzaak. In bepaalde situaties kijk je als forensisch geneeskundige in de prullenbak om te zien of er geen medicijnverpakkingen liggen die op zelfdoding kunnen duiden.’

Bij de sectie op de bejaarde man bleek achter de ogenschijnlijk onschuldige hoofdwond een ernstige schedeltrauma schuil te gaan. ‘Het raakvlak tussen een slagvoorwerp en het hoofd is vanwege de ronde vorm van de schedel vaak bedrieglijk klein’, licht Reijnders toe. ‘Omdat de kracht via dat kleine oppervlak wordt overgebracht, kan de schade aan de rest van de schedel echter enorm zijn.’

De frisdrankbeker leidde de politie uiteindelijk regelrecht naar de dader. Er waren maar drie personen die een sleutel van de woning hadden. Het DNA-profiel opgemaakt uit een druppel speeksel op de beker maakte duidelijk wie de woning had bezocht. De dader, een vriend van de bejaarde man, bekende vrijwel direct.


Politietaak

Hoewel een forensisch geneeskundige veel meer taken heeft, zoals letselbeschrijvingen bij slachtoffers van mishandeling, sporenonderzoek bij zedendelicten, beoordelingen bij insluiting wegens dronkenschap, en - de in uren grootste taak - arrestantenzorg, zal het schouwen toch de meeste mensen aanspreken.

In een gebied met 1,25 miljoen inwoners verricht de GG & GD-Amsterdam 1.200 schouwingen per jaar. In 900 van deze gevallen betreft dit geen natuurlijke dood. De forensisch geneeskundige wordt ingeroepen als de behandelend arts twijfels heeft over de doodsoorzaak, als hij ervan overtuigd is dat er sprake is van een niet-natuurlijke dood of als er geen huisarts of behandelend arts wordt gevonden.

Omdat Reijnders tegenwoordig nog maar twee tot drie dagen ‘veldwerk’ doet, schouwt hij nog ongeveer veertig keer per jaar. Als hij van wal steekt over de praktijk van het schouwen, blijkt zijn enthousiasme over het vakgebied daar niet onder te lijden. Casus op casus stapelend maakt hij duidelijk hoe een schouw in zijn werk gaat.

Reijnders: ‘We beginnen de schouw met de handen op de rug. Eerst gaat de aandacht uit naar de omgeving. Je kijkt of de kamer geordend is, of er aanwijzingen zijn dat er is ingebroken of gevochten.’ Is dat geen politietaak? ‘Je moet zaken kunnen combineren. De politie is bovendien in lang niet alle gevallen al ter plekke. En als de politie er wel is dan is het teamwerk. Daarom moet je soms verder kijken dan alleen naar puur medische aspecten.’

‘Een belangrijke omgevingsfactor is de geur’, vervolgt Reijnders. ‘Hangt er een ontbindingsgeur, ruikt het naar bleekwater of bijvoorbeeld naar ammoniak? Vervolgens kijk je naar biologische sporen. Of er ergens bloed, sperma, urine of ontlasting ligt. Je let op abnormale zaken. Ook het gedrag van de aanwezige familieleden of betrokkenen kan je op een spoor zetten. Maar dat is niet altijd makkelijk. Een moordenaar kan ook huilen. Dat is me in de dertien jaar dat ik dit werk doe wel duidelijk geworden.’

Ook de plaats en positie van de dode kunnen veel vertellen. Reijnders geeft een paar voorbeelden. ‘Ligt iemand bijvoorbeeld op zijn armen, dan zou dat kunnen betekenen dat de persoon in kwestie al tijdens de val buiten bewustzijn was, of zelfs dood. Een huisarts vertelde mij eens dat ze een vrouw dood in een schommelstoel bij de open haard hadden gevonden. De familie vond dat ze er zo vredig bij zat want ze had haar glaasje sherry nog in haar hand. Maar het was natuurlijk niet zo vredig. Postmortaal wordt het lichaam eerst extreem flexibel. Plotselinge lijkstijfheid treedt niet zomaar op. Dat kan bijvoorbeeld wel bij een vergiftiging. In dit geval was dat ook zo. Katalepsie kan overigens ook optreden bij elektrocutie of als iemand zichzelf met een vuistvuurwapen heeft gedood. Als je dus iemand vindt met een pistool losjes in de hand, dan kan dat wapen door iemand anders in die hand zijn gestopt.’


Puntbloedinkjes

Na het bestuderen van de omgevingsfactoren en de positie van de dode wordt het lichaam van top tot teen onderzocht. ‘Daarom moet je de schouw ook nooit doen in aanwezigheid van de naaste betrokkenen. Een zorgvuldige schouw is nu eenmaal niet zo’n leuk gezicht.’

De meeste informatie komt uit het hoofd-halsgebied. Bij het hoofd let je op wonden en bulten. Ook de ogen krijgen veel aandacht. Er wordt gekeken of er puntbloedinkjes zijn, of de pupillen lichtstijf zijn en of ze even wijd zijn. Bij een eenzijdige bloeding is dit bijvoorbeeld niet het geval.’

‘Bij een misdrijf is het tijdstip van overlijden een belangrijk gegeven. De lichaamstemperatuur kan hier iets over zeggen. Na ongeveer een uur daalt deze afhankelijk van de omgevingsfactoren en de dikte van de vetlaag van het slachtoffer met een halve tot een hele graad per uur. Overdoses XTC of cocaïne kunnen evenals sepsis en malaria hyperthermie veroorzaken.’

‘Ook de lijkvlekken en de lijkstijfheid geven informatie over het tijdstip van overlijden’ doceert Reijnders. ‘Lijkstijfheid begint normaal gesproken na een à twee uur, is binnen acht uur volledig en verdwijnt weer na zo’n 72 uur. De lijkvlekken ontstaan eveneens na een à twee uur, zijn na tien uur uitgezakt naar het laagste punt en zijn na 24 uur niet meer weg te drukken.’

‘Lijkvlekken kunnen echter nog meer vertellen. Een normale lijkvlek is paarsblauw van kleur, maar rode lijkvlekken kunnen duiden op sterke afkoeling, bevriezing of een koolmonoxide- of een cyanidevergiftiging. Nitraat- en chloraatvergiftigingen geven daarentegen grauwbruine lijkvlekken’, weidt Reijnders uit. ‘Behalve deze biologische gegevens kunnen bijvoorbeeld de pagina waarop de televisiegids openligt en de laatste doorgelezen krant of post informatie geven over de dag van overlijden.’

‘Als de mond nog open kan, dan onderzoek je of zich daar voorwerpen in bevinden’, vervolgt hij zijn virtuele schouw. ‘Ook hier let je op puntbloedinkjes in het slijmvlies aan de binnenzijde van de lippen, die op verstikking kunnen duiden. De hals moet altijd worden gecontroleerd op wurgsporen of sporen van verhanging.’

‘Vervolgens bekijk je de borst, de buik en de rug of daar voorwerpen in aanwezig zijn, en of er verse of oude letsels aanwezig zijn. Ik was een keer bij de schouw aanwezig van een junk die zichzelf aan een verwarmingsbuis leek te hebben opgehangen. Er bleek echter ook een kogelgat in de rug te zitten: niks geen suïcide. Bij een volledige schouw bekijk je ook de rest van het lichaam op voorwerpen en letsels. De elleboogplooien bijvoorbeeld; die moet je altijd even controleren op spuitgaten.’

‘Bij het onderzoeken van het lichaam kun je zien of er sprake is van een autochtone lijkligging omdat je aan de lijkvlekken kunt zien of het lichaam is verplaatst. Bijvoorbeeld omdat je een blanke drukplek op de borst aantreft, terwijl het lichaam aanvankelijk op de rug lag. Als het verhaal over hoe de nabestaanden het lichaam hebben aangetroffen, niet strookt met jouw bevindingen, dan moet er een niet-pluis-gevoel ontstaan.’

Na de schouw kunnen bij een natuurlijke dood de overlijdensverklaringen worden ingevuld. Bij een zelfmoord vindt er overleg met de officier van justitie plaats. Deze geeft het lichaam vervolgens meestal direct weer vrij. Maar als een niet-pluis-gevoel niet kan worden weggenomen, dan gaat er een volgende fase in met sporenonderzoek en een gerechtelijke sectie.


Geweld

De beslissing of een lichaam na de uitwendige schouw ook nog door de forensisch patholoog moet worden onderzocht, ligt bij de officier van justitie. In Nederland verrichten alleen de forensisch pathologen van het in Rijswijk gesitueerde Nederlands Forensisch Instituut (NFI), gerechtelijke obducties’, zegt hoofd van de afdeling pathologie dr. Rob Visser terwijl hij met zijn vier collega-pathologen, de obductieassistenten en twee toxicologen een negental casussen doorspreekt.


Bloeduitstorting

De vrouw die dood op het fietspad werd gevonden, blijkt niet zomaar van haar gemotoriseerde bakfiets te zijn gevallen, zoals de politie vermoedde. De verwondingen aan haar hoofd, hals en nek en de bloeduitstorting op haar rug duiden op ander geweld. Nog meer dan er over de pathologische bevindingen overleg plaatsvindt, wordt er gediscussieerd over de definities in de verslaglegging richting de officier. ‘Het verslag moet zeer precies zijn’, aldus Visser. ‘De belangen zijn immers groot. Als je overtuigd bent van een bepaalde doodsoorzaak, dan moet je dat ook in die termen opschrijven. En dan schrijf je dus niet ‘dat het zeker is dat …’ et cetera. Elke komma en punt in de verslaglegging wordt dus gewogen. Anders ga je onderuit als je als getuige-deskundige wordt opgeroepen om een toelichting te geven.’

Jaarlijks verrichten de pathologen van het NFI 600 gerechtelijke secties. Dat is een tiende van het aantal gevallen waarbij de verdenking bestaat dat het overlijden een niet-natuurlijke oorzaak heeft. Ongeveer tweederde van de gerechtelijke secties gebeurt in Rijswijk, de overige op locatie.

Het wekelijkse overleg tussen pathologen, assistenten en toxicologen vindt ‘s ochtends plaats. Er staat voor die dag nog geen sectie ingeroosterd. Een paar uur later is dat alweer veranderd. Twee agenten uit het oosten van het land komen het lichaam van een jongeman brengen. Hij is met zijn auto tegen een lantaarnpaal gereden. Op het ontbreken van de remsporen na, zijn er geen directe aanwijzingen die op een misdrijf duiden. Patholoog Ann Maes begrijpt eigenlijk niet waarom er in dit geval een gerechtelijke sectie moet plaatsvinden. De agenten opperen dat deze officier niets aan het toeval wil over laten. Bij een eerder ongeval dat in justitiële zin klaarblijkelijk onschuldig was, trok een begrafenisondernemer aan de bel omdat die de zaak niet helemaal vertrouwde. Uit de alsnog uitgevoerde sectie bleek dat het slachtoffer propvol verdovende middelen zat.

In de obductiekamer ligt het ontblote lichaam van het slachtoffer. Zijn kleren gaan terug naar de politie en kunnen eventueel later nog door de afdeling Vezels worden onderzocht. ‘Dat kan soms zeer belangrijke informatie opleveren’, herinnert Visser zich een casus. ‘Een meisje dat vermoord is terwijl zij in Amsterdam op zoek was naar een kamer, bleek in haar broekzak een briefje te hebben met een lijstje adressen. De adressen waar ze geweest was, waren doorgestreept. De huurbaas van de eerstvolgende niet-doorgestreepte kamer sloeg bij ondervraging door.’ 


Glasvocht

De sectie is volledig geprotocolleerd. Het begint met een zeer uitgebreid onderzoek van het lichaamsoppervlak. Elk letsel wordt nauwgezet in kaart gebracht. De autogordel staat duidelijk afgedrukt op het bovenlichaam. Het oogwit wordt evenals de binnenkant van de lip gecontroleerd op puntbloedinkjes. De afgebroken tanden zijn onvindbaar. ‘Hij is op zijn stuur geklapt’, verklaart de agent van de verkeerstechnische dienst. ‘Maar ook in de auto heb ik de tanden niet gevonden.’

Een assistent verwijdert met een injectiespuit wat glasvocht uit het oog. Hieruit kunnen toxische stoffen en het alcoholpromillage veel nauwkeuriger worden vastgesteld dan uit bloed. Hoewel in dit geval vermoedelijk overbodig wordt er ook gekeken naar haren die niet van de dode zelf afkomstig zijn. ‘Op het moment dat je het lichaam in Rijswijk hebt, beschik je vaak maar over een beperkte hoeveelheid informatie. Als je dan niet systematisch te werk gaat, kun je zaken over het hoofd zien die later juist van belang blijken te zijn’, zegt Visser, die even komt kijken bij de sectie die collega Maes verricht.

Omdat er geen sprake is van schotwonden blijven röntgenopnamen ditmaal achterwege. ‘Als dat wel het geval is, dan kan het uitwendige onderzoek uren in beslag nemen’, aldus een van de obductie-assistenten. ‘Het bepalen van de schotrichting kan een lastige puzzel zijn.’


Gebroken nek

Na het uitwendige oppervlak wordt met een y-snede het lichaam opengemaakt. Direct wordt de bloeduitstorting in de borstholte zichtbaar: de autogordel. Zowel een assistent als de patholoog menen een ‘aromatische lucht’ waar te nemen. Wellicht is er dus alcohol in het spel. Het toxicologisch onderzoek zal uitkomst bieden. Hiervoor worden behalve het glasvocht ook bloed uit het hart, urine, de maaginhoud, gal en een stukje lever en hersenweefsel geïsoleerd.

Net als bij een reguliere sectie worden alle organen gewogen en onderzocht. In tegenstelling tot bij de meeste niet-gerechtelijke secties bekijkt Maes ook het halspreparaat op eventuele sporen van geweld. Die blijken in ruime mate aanwezig in de vorm van bloedingen en botsplinters.

Van alle organen wordt een klein stukje bewaard voor microscopisch onderzoek, ‘daar kan soms onverwachte informatie inzitten, zoals bijvoorbeeld een myocarditis’, benadrukt Visser. De resterende organen gaan na de obductie - evenals de hersenen - weer terug in het lichaam. Het bewaren gebeurt in tweevoud. Deze weefselmonsters blijven respectievelijk zes maanden en circa vier jaar bewaard voor contra-expertise. Voor eventueel DNA-onderzoek worden enkele hoofd- en schaamharen weggenomen, en wat bloed afgenomen.


Snelheid
Bij het openen van de schedel - het zagen gebeurt met de hand om geen stof te verspreiden - wordt een flinke bloeding onder de pia mater zichtbaar. Na het verwijderen van de hersenen is het beeld helemaal duidelijk. De man heeft zijn nek gebroken ter hoogte van de atlas. Hij was op slag dood.

De technische recherche maakt gedurende de hele sectie foto’s. Ook de twee andere agenten blijven tijdens de sectie aanwezig. Zij nemen het voorlopige sectierapport en het lichaam - dat er keurig uitziet - weer mee terug. ‘Bij politiezaken is snelheid uiteraard van belang’, licht Visser toe. De agenten zullen het rapport overdragen aan de officier van justitie.

Hoewel het in dit geval een eenvoudige zaak lijkt, kan er nog geen uiteindelijke conclusie worden getrokken. Het toxicologische onderzoek volgt immers nog. En zonodig nog allerlei ander onderzoek. Het NFI, waarin het Gerechtelijke Laboratorium en het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie in 1999 zijn opgegaan, kent namelijk 25 specialistische gebieden. ‘Dat is het mooie aan dit instituut’, besluit Visser de dag. ‘Doordat je hier expertise over vingerafdrukken, wapens, vezels, DNA-typering et cetera en pathologie onder één dak hebt, kun je in samenwerking met de politie complexe zaken te lijf. Het doet dan ook goed als je in de krant leest dat er een dader veroordeeld is en je weet dat je daar een wezenlijke bijdrage aan hebt geleverd. Dat geldt natuurlijk ook als het onderzoek iemands onschuld bewijst.’  


Omwille van de privacy is de casuïstiek in dit artikel deels fictief.


Evert Pronk

print dit artikel
  • Evert Pronk

    Evert Pronk is een van de twee adjunct-hoofdredacteuren bij Medisch Contact. Hij houdt zich bezig met de online ontwikkeling, nascholingen, evenementen, boeken en andere uitgeefkansen.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties
 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.