Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
10 december 2009 2 minuten leestijd

32. De wet van Thorbecke (1865)

Plaats een reactie

Van artsentitel tot BIG-registratie

Portret uit 1852 van Johan Rudolf Thorbecke. Zijn wetgeving was tot het einde van de twintigste eeuw bepalend voor de ontwikkeling van de Nederlandse gezondheidszorg.
Portret uit 1852 van Johan Rudolf Thorbecke. Zijn wetgeving was tot het einde van de twintigste eeuw bepalend voor de ontwikkeling van de Nederlandse gezondheidszorg.

Door de Geneeskundige Staatsregeling van 1818 was de wereld van de medische beroepen een onontwarbaar geheel van titels en bevoegdheden geworden. De medicinae doctores, al dan niet voorzien van de extra graden voor de chirurgie en de verloskunde zoals het Organiek Besluit van 1815 die binnen het academisch onderwijs had mogelijk gemaakt; het scala van genees, heel en verloskunstbeoefenarendie met hunverschillende gradaties en combinaties van bevoegdheden voor de steden, het platteland en de schepen de Provinciale Commissies voor Geneeskundig Onderzoek en Toevoorzigt waren gepasseerd; de oogmeesters, tandmeesters en heelkundigen met beperkte bevoegdheid (zoals aderlaters en ledezetters), en de officieren van gezondheid van verschillende rang binnen leger, marine of koloniale dienst die na hun militaire loopbaan de civiele praktijk waren ingegaan, zij allen vormden –ieder met zijn eigen sociale status en medische actieradius – de stand aan de vooravond van Thorbeckes wetgeving.

Na meer dan een kwarteeuw van discussie over de herziening van de Geneeskundige Staatsregeling van 1818, waarin een reeks van wetsvoorstellen was gesneuveld en tientallen adressen en rekesten van medische prominenten en organisaties – met sinds 1849 de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst als voornaamste partij – tot felle discussies en polemieken hadden geleid, luidde de Wet ‘regelende de voorwaarden tot verkrijging der bevoegdheid van geneeskundige, apotheker, hulpapotheker, leerlingapotheker en vroedvrouw’ een nieuw tijdvak in.

De eenheid van de medische stand werd al snel doorbroken door de opkomst van de medische specialismen. Op de foto de oprichting van het Nederlandsch Oogheelkundig Genootschap.
De eenheid van de medische stand werd al snel doorbroken door de opkomst van de medische specialismen. Op de foto de oprichting van het Nederlandsch Oogheelkundig Genootschap.

De toekomstige geneeskunstbeoefenaar zou door het afleggen van een praktischgeneeskundig staatsexamen de titel ‘arts’ verkrijgen en daarmee ‘in het geheele Rijk’ bevoegd worden verklaard tot de uitoefening van de geneeskunst ‘in haren geheelen omvang’.

Weliswaar moest de nu geproclameerde eenheid van stand nog door een aanpassing van de wetgeving op het hoger onderwijs (die volgde in 1876) worden voltooid, maar op het terrein van de medische beroepen bestond nu eenvoud en duidelijkheid.

De wet was overigens onderdeel van een pakket van vier, namelijk een Wet ‘regelende het geneeskundig staatstoezicht’ (I), de besproken wet die de bevoegdheden regelde (II), de Wet ‘regelende de uitoefening van de geneeskunst’ (III) en de Wet ‘regelende de uitoefening van de artsenijbereidkunst’ (IV). Met ingang van 1865 vormde het juridische intellect van de staatsman Johan Rudolph Thorbecke de basis van de Nederlandse gezondheidszorg.

De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) bracht in 1993 een fundamentele herziening van de wetten van Thorbecke. Titelbescherming en beroepsregistratie worden daarin gecompleteerd door een toekenning van bevoegdheden tot het verrichten van zogeheten ‘voorbehouden handelingen’.

Literatuur
D. Cannegieter, Honderdvijftig jaar Gezondheidswet (Assen: Van Gorcum, 1954).
A. Querido, Een eeuw Staatstoezicht op de volksgezondheid (’sGravenhage: Staatsuitgeverij, 1965). W.B. van der Mijn, Beroepenwetgeving in de gezondheidszorg (3e druk, Deventer: Kluwer, 1989).

Terug naar de canon

print dit artikel
Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Er zijn nog geen reacties