Dagelijks opinie, nieuws en achtergronden

Inloggen
naar overzicht
Sophie Broersen Antina de Jong
06 februari 2019 8 minuten leestijd
Uitspraak tuchtcollege

Ziek kind dat veel drinkt, overlijdt plotseling

2 reacties

Een ongeruste moeder kwam met haar 2-jarige kind naar een huisartsenpost. Het kindje was een paar dagen niet lekker, had gebraakt en at niet goed. Hij dronk wel goed, plaste veel en had spruw. Gastro-enteritis, dacht de spoedarts.

De eigen huisarts zag het kind een dag later, moeder vond het kind verzwakt, en ja, het was wat hangerig. De volgende avond was het kind vrij plots overleden. Was hier sprake geweest van een onontdekte diabetes type 1? Uit de tuchtzaak wordt het niet duidelijk, maar het valt zeker niet uit te sluiten.

Een drama natuurlijk, voor alle betrokkenen. Bovenal de familie die achterblijft. De huisarts krijgt een waarschuwing van het tuchtcollege, vooral omdat zij geen goed vangnetbeleid had afgesproken. De moeder belde namelijk op de ochtend van de dag dat het kind zou overlijden, uit ongerustheid over haar kind. Daar werd onvoldoende actie op ondernomen. Het college vindt het verder vreemd dat de huisarts zegt dat er geen leerpunten naar voren kwamen uit een onderzoek dat een derde huisarts naar de casus uitvoerde.

Er valt medisch-inhoudelijk wel van te leren, waarmee overigens niet gezegd is dat de arts op dit punt iets te verwijten valt, zo lezen we in de uitspraak. Laat het een reminder zijn: kinderen met een onontdekte diabetes mellitus type 1 kunnen heel snel heel ziek worden. Het komt weinig voor, en er zijn lang niet altijd duidelijke symptomen. Maar wellicht denkt u de volgende keer bij een ziek kind dat veel drinkt en plast toch even aan deze casus en checkt u voor de zekerheid de glucosewaarde.

Sophie Broersen, arts niet-praktiserend/journalist

mr. Antina de Jong, adviseur gezondheidsrecht

download dit artikel met de ingekorte uitspraak (pdf)

Datum uitspraak: 23 oktober 2018

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

A,

wonende te B,

klaagster,

gemachtigde: mr. I. Alderlieste, werkzaam te Rotterdam,

 

tegen:

 

C, huisarts,

werkzaam te B,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.J. Peet, werkzaam te Utrecht.

 

 

1.         Het verloop van de procedure

1.1       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift, ontvangen op 19 april 2018,

- de brief met bijlagen d.d. 20 april 2018 van mr. Alderlieste,

- het verweerschrift met bijlage.

1.2       De partijen hebben afgezien van de mogelijkheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

1.3       De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare terechtzitting van 12 september 2018. De partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

De klacht is behandeld tezamen met de andere, met de klacht samenhangende, zaak (kenmerk: 2018-090) zoals bedoeld in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

2.         De feiten

2.1       Klaagster is de moeder van D, geboren in 2014.

2.2       Op 15 november 2016 heeft klaagster met D de huisartsenpost bezocht. D is daar gezien door de dienstdoende huisarts (verweerder in zaak 2018-090). In het waarneembericht staat hierover het volgende vermeld:

“(S)     Klacht/beloop: inloop: mevr geeft aan dat hij sinds het weekend minder eten en moeilijk slapen en niet eten. Heeft ook gebraakt 2 maal.

(…)

(S Arts) Sinds 2 dg minder eten; drinkt heel goed; plast heel veel; vandaag eenmalig

overgegeven.

(O)      Geen tekenen van dehydratie; temp: 37.3 (oor); tong wittig (heeft al medicatie hiervoor); pulm vag, geen bijgeluiden. Cor gb. Abdomen nl peristaltiek, soepele buik, niet drukpijnlijk.

(E)       Gastro-enteritis

(icpc)   D73 Veronderstelde gastro-intestinale infectie

(P)       Expectatief; goed blijven drinken; soep. Bij verergering, retour eigen ha.”

 

2.3       Op 16 november 2016 heeft klaagster met D de eigen huisartsenpraktijk bezocht, het consult vond plaats bij verweerster. Het huisartsenjournaal vermeldt van dit consult het volgende:

“S        witte pelkken in mond fors verergerd, wikl niet eeten, drinkt goed, plast goed. is verzwakt volgns moeder, geen koorts

O         tewmp 37

      hangerig, wel alert\capp refill< 2sec

      keel/mond: veel wit beslag, tevesn bdz iets opgezette tinsillen

      abd: rustige peristalteik, wt, soepele buik

E         spuw, opgezette tonsillen

P         alsnog recept voor spuw halen en pcm, veel dirnken. over 2 dgn controle”

2.4       Op 17 november 2016 is D overleden.

2.5       In het huisartsenjournaal staat bij 18 november 2016 onder meer vermeld onder “E”: “overlijden na reanimatie. Gezien verhaal HAP DM type 1?”

2.6       De Forensisch artsen E (E) hebben na het overlijden van D een schouw verricht op 18 november 2016. Bij brief van 28 februari 2018 hebben zij een afschrift van de anamnese en onderzoek aan mr. Alderlieste gestuurd. Hierin staat onder meer:

“ (…) Huisarts: 16-11-2016 – 8:00 uur – om 10:40 uur terugkomen. Kindje verder goed, alleen spruw. Kreeg Nystatine. Moeder vertelt politie dat zij duidelijk heeft aangegeven dat zij bang was omdat haar kindje ‘suf’ was en veel was afgevallen.

Huisarts 17-11-2016 – ochtend – telefonisch contact. Telefonisch gerustgesteld – Aangedrongen drinken en soep.

Moeder verteld donderdag na de middag geen natte luiers meer. Afspraak huisarts voor controle: vrijdag 18-11 om 10:20 uur.

Melding overleden: ca 21:30 uur. (…)”

2.7       Op 9 december 2016 heeft een gesprek plaatsgehad tussen klaagster, verweerster, huisarts F (praktijkhouder) en een medewerkster van slachtofferhulp.

2.8       Na het overlijden van D is in opdracht van de praktijkhouder een onderzoek verricht door een collega huisarts G, incidenten onderzoeker. Dit onderzoek is vastgelegd in een rapport.

In het huisartsenjournaal is hierover op 12 december 2016 genoteerd:

“S        Contact gehad met collega G. Hij vertelt dat de conclusie van het volledig onderzoek was: dat er zorgvuldig gehandeld was. Er was ook geen reden voor een calamiteit.”

 3.         De klacht

Klaagster verwijt verweerster dat zij tekort is geschoten in de zorg die zij had moeten verlenen aan D.

4.         Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft de klachten en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       In deze trieste zaak, waarbij een peuter is overleden, gaat het om de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen, waarbij moet worden beoordeeld of verweerster bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening en in het licht van de feiten en omstandigheden die op dat moment bekend waren of konden zijn.

5.2       Verweerster heeft D op 16 november 2016 eenmalig op consult gezien. Zij heeft D onderzocht. Uit de onderzoeksgegevens die verweerster in het huisartsenjournaal heeft genoteerd en op grond van de toelichting ter zitting concludeert het college dat zij voldoende onderzoek heeft gedaan. Verweerster dacht op dat moment dat mogelijk sprake was van een gastro-intestinale infectie met een viraal beeld. Gelet op zowel het door klaagster als door verweerster geschetste beeld van D, kan het consult en de mogelijke diagnose de tuchtrechtelijke toets doorstaan.

5.3       Als vervolgbeleid heeft verweerster met klaagster afgesproken dat zij D twee dagen later weer zou beoordelen en klaagster kon contact opnemen als het eerder slechter zou gaan met D. In het huisartsenjournaal staat alleen vermeld ‘over 2 dgn controle’.

Klaagster verklaart in haar klaagschrift en ter zitting dat zij op 17 november 2016 ’s ochtends contact heeft opgenomen met de huisartsenpraktijk omdat het slechter ging met D. Deze verklaring vindt steun in het verslag van de E (zie onder 2.6 hiervoor). Klaagster stelt dat zij heeft gevraagd om een consult voor D, maar dat zij dat niet kreeg omdat zij op vrijdag 18 november 2016 reeds een consult had staan. Verweerster heeft in reactie op dit betoog van klaagster enkel verklaard dat zij niet op de hoogte is van dit contact. Er staat ook niets over vermeld in het huisartsenjournaal, aldus verweerster.

Gelet op het consistente verhaal van klaagster en het beloop van de situatie van D acht het college het geloofwaardig dat klaagster op donderdag 17 november 2016 ’s ochtends telefonisch contact heeft opgenomen met de huisartsenpraktijk.

Klaagster was al op dinsdagmiddag naar de spoeddienst gegaan, op woensdag(ochtend) naar de huisarts en was, zo vertelde zij ter zitting, op donderdagochtend zeer ongerust over D. Aangenomen moet worden dat die ongerustheid gegrond was, aangezien D diezelfde dag aan het einde van de middag is overleden. Dat deze telefonische vraag voor contact met de huisarts niet door de assistente in het huisartsenjournaal is aangetekend is naar het oordeel van het college niet doorslaggevend voor de stelling van verweerster dat dat telefonisch contact niet heeft plaatsgevonden. Daarvoor was de (terechte) ongerustheid van klaagster te prominent aanwezig.

Hoewel de reactie van de assistente (verwijzing naar spreekuur volgende dag en niet noteren van het contact in het huisartsenjournaal) mogelijk niet aan verweerster is toe te rekenen, acht het college het wel verwijtbaar dat verweerster in haar praktijkvoering urgente signalen van patiënten niet kan doorkrijgen, bijvoorbeeld doordat zij in het huisartsenjournaal niet de afspraak heeft opgenomen dat klaagster eerder (dan het geplande consult) contact op kon nemen als het slechter zou gaan met D. Door tijdens het consult een dergelijk vangnetbeleid af te spreken, maar dit niet vast te leggen c.q. te organiseren was dit voor de assistente wellicht niet duidelijk. Dit onvoldoende organiseren van het afgesproken vangnetbeleid in een zaak als deze is tuchtrechtelijk verwijtbaar. In zoverre is de klacht aldus gegrond.

5.4       Volgens het huisartsenjournaal (regel 12 december 2016; vgl. onder 2.8 hiervoor) en de verklaring van verweerster ter zitting, is door collega-huisarts G een onderzoek uitgevoerd met als conclusie dat er zorgvuldig is gehandeld. Desgevraagd heeft verweerster verklaard dat er uit dit onderzoek en ook uit de overige gevoerde gesprekken geen leerpunten naar voren zijn gekomen. Het bevreemdt het college dat het rapport van dit onderzoek niet in het geding is gebracht. Het bevreemdt het college eveneens dat er geen leerpunten uit deze casus zijn gehaald, zoals de mogelijkheid van een gemiste diagnose diabetes mellitus type 1 (zoals met een vraagteken is vermeld in het huisartsenjournaal; desgevraagd ter zitting is dit binnen de huisartsenpraktijk niet geëvalueerd) en de enorme ongerustheid van klaagster over haar kind in combinatie met het falen van het vangnetbeleid in de huisartsenpraktijk. Niet gebleken is dat verweerster binnen de huisartsenpraktijk heeft teruggekoppeld om bij patiënten als hier klaagster, waarbij zij de mogelijkheid biedt om de huisarts te bellen bij verandering/verslechtering van de patiënt (hier: D), uitdrukkelijk de assistentes te instrueren en een en ander aan te tekenen in het huisartsenjournaal. Dit is een gemist leerpunt naar het oordeel van het college.

5.5       De conclusie is dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de zorg die zij ten opzichte van klaagster en haar zoontje behoorde te betrachten zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klacht is dan ook gegrond.

5.6       Het college acht de maatregel waarschuwing passend, omdat klaagster een duidelijk noodsignaal heeft verstrekt, maar het te volgen noodplan (vangnetbeleid) niet duidelijk is geweest. Ook heeft verweerster in haar verweerschrift en haar verklaring ter zitting geen blijk gegeven van lering uit de evaluatie van het gebeuren.

5.7       Om redenen aan het algemeen belang ontleend zal deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, op de voet van artikel 71 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg bekend worden gemaakt op de hierna te vermelden wijze.

6.         De beslissing

Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag beslist als volgt:

verklaart de klacht gegrond,

legt op de maatregel van waarschuwing,

bepaalt dat om redenen, aan het algemeen belang ontleend, deze beslissing, zodra zij onherroepelijk is, in geanonimiseerde vorm aan het tijdschrift Medisch Contact ter bekendmaking zal worden aangeboden.

Deze beslissing is gegeven door R.A. Dozy, voorzitter, E.P. de Beij, lid-jurist, M. Bezemer, A.M. van Hemert en N.G. Hartwig, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door E.C. Zandman, secretaris en uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2018.

print dit artikel
  • Sophie Broersen

    Journalist en arts niet-praktiserend Sophie Broersen schrijft over geneeskunde en zorg in de volle breedte: van wetenschap tot werkvloer, van arts-patiëntrelatie tot zorg over de grens. Samen met de juristen van de KNMG becommentarieert zij tuchtzaken.  

Dit artikel delen
Op dit artikel reageren inloggen

Reacties

  • Jan de Waard, Huisarts, Kollum 12-02-2019 19:39

    "Bij 2.8 staat dat de praktijkhouder in het dossier noteerde dat de incidentenonderzoeker tot de conclusie kwam dat er geen sprake was van een calamiteit. Dit bevreemd mij heel erg, het voorval voldoet namelijk volledig aan de criteria van calamiteit van de KNMG: “ Een calamiteit is een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van de zorg en die tot de dood van een patiënt of een ernstig schadelijk gevolg voor de patiënt of cliënt heeft geleid“
    Een melding bij de IGJ is dan uiteraard verplicht. "

  • ken berend, internist, Curacao 07-02-2019 00:36

    "De spoedarts dacht aan een gastroenteritis bij een 2-jarig kind wat braakt, 2 dagen niet goed eet, heel goed drinkt, heel veel plast en spruw heeft. Er is dus geen enteritis en spruw bij een 2-jarig kind is geen normaal verschijnsel en zeker geen symptoom van “gastroenteritis”. Er was dus wat anders aan de hand! Verder schrijft de arts: pulm vag…. Cor gb. De essentiële vitale parameters ademfrequentie en hartfrequentie lagen voor het oprapen die een clue hadden kunnen zijn voor de ernst van de casus. Er moest in dit geval sprake zijn van diabetes mellitus type 1 met ketoacidose en candida stomatitis en het kindje was zeker -ook gezien het braken- ondervuld.
    De eigen huisarts zag het kindje een dag later en stelt dat de witte plekken in de mond fors verergerd zijn, notabene onder nystatine. Wederom een aanwijzing dat bijvoorbeeld de afweer fors gestoord moest zijn en de intake onvoldoende moest zijn. De moeder vertelde de politie dat zij duidelijk had aangegeven dat zij bang was omdat haar kindje ‘suf’ was en veel was afgevallen. Daarna laat de moeder weten dat er geen natte luiers meer waren, dus wellicht shock maar in ieder geval forse dehydratie.
    De huisarts maakt geen melding van hart en longen, maar noemt wel een capillaire refill. Een capillaire refill tijd van > 3 seconde is vaak een teken van ernstige ziekte bij kinderen, maar een normale refill tijd is geen “veilig” teken aldus een metaanalyse bij 53.000 kinderen (PLOS ONE | DOI:10.1371/journal.pone.0138155). Het lijkt al met al zeer waarschijnlijk dat het kindje een ademfrequentie had van > 26 (door ketoacidose) en een hartfrequentie had van > 115 (door ondervulling), wat bij tweejarigen een essentieel teken kan zijn van ernstige ziekte (Lancet. 2011 March 19; 377(9770): 1011–1018. doi:10.1016/S0140-6736(10)62226-X). Achteraf praten is natuurlijk makkelijk, maar de werkdiagnose van de twee artsen was evident onjuist.

    "

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.