Tuchtrecht
Tuchtrecht

Voortijdig opstappen kost aios bedrijfsgeneeskunde ruim 45 duizend euro

Uitspraak: terugbetalen

9 reacties
Getty Images
Getty Images

‘De aios in deze uit­spraak trekt absoluut aan het kortste eind; het gaat om enorm veel geld. Ik hoop dat potentiële aiossen zich hier niet door laten weerhouden voor ons mooie beroep te kiezen. Los van het individuele leed, maak ik me zorgen over hoe een zaak als deze afstraalt op onze beroeps­groep’, zegt bedrijfsarts en jurist Erwin Gorissen.

Hij reageert op een uitspraak van de kantonrechter, die oordeelt dat een arts in opleiding tot bedrijfsarts ruim 45 duizend euro opleidingskosten moet terugbetalen aan zijn werkgever, nadat hij zijn arbeidsovereenkomst opzegde. De werkgever eiste voor de kantonrechter bijna 80 duizend euro.

De arts begint in september 2020 met de opleiding bedrijfsgeneeskunde, als hij ongeveer een halfjaar in dienst is bij arbodienst ArGon. In zijn contract is een studiekostenbeding opgenomen dat onder meer gaat over het terugbetalen van opleidingskosten bij het opzeggen van de arbeidsovereenkomst gedurende de opleiding.

Na een jaar opleiding is de arts nog nergens bekwaam voor verklaard en wordt zijn eerste opleidingsjaar verlengd. In de uitspraak van de kantonrechter staat niet wat de oorzaak is van deze vertraging in zijn opleiding. Als de arts eind december 2021 zijn arbeidsovereenkomst opzegt en bij een andere arbodienst gaat werken, stuurt ArGon hem een factuur van bijna 80 duizend euro – die hij niet betaalt. Die berekening is gebaseerd op de ‘kale’ opleidings­kosten voor ruim een jaar plus de kosten voor super- en intervisie en de kosten voor werkuren die hij aan de opleiding besteedt. De kantonrechter beslist dat hij alle kosten moet terug­betalen, maar komt de bedrijfsarts in opleiding wel tegemoet door het bedrag voor super- en intervisie naar beneden bij te stellen van 40 duizend naar 10 duizend euro.

Gorissen: ‘Ik snap wel dat een deel van de kosten die de arbodienst maakt voor de aios zijn als de opleiding niet wordt afgerond. Juridisch is dat ook juist; je sluit een overeenkomst waarin je gehouden bent aan terugbetaling als je binnen een bepaalde periode de arbodienst verlaat. Of blijkbaar als je tijdens de opleiding weggaat. Tot nu toe ging ik ervan uit dat dit alleen de kosten betreft die worden betaald aan het opleidingsinstituut en niet de kosten van de supervisie. Die kosten zijn er immers altijd – of je nou een aios of een anios aanneemt. Je weet als arbodienst dat de betreffende collega gesuperviseerd moet worden. Het komt op mij erg berekenend over van deze arbodienst en eerlijk gezegd vind ik dat de kantonrechter wel erg op de hand van de werkgever is. Ik lees ook niets over de omstandigheden waardoor het de aios niet lukte de vereiste bekwaamheid te verkrijgen. Dat daar niets over is vermeld, stelt mij niet gerust. Ik heb nog nooit zo’n zaak voorbij zien komen en hoop dat dit niet veel vaker gebeurt.’

volledige uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 9819548 \ CV EXPL 22-1353 Vonnis van 24 januari 2023 in de zaak van

ARGON GROEP B.V.,

te Arnhem, eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: Argon,

gemachtigde: mr. M. Woltman,

tegen

[X] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [X] ,

gemachtigde: mr. D.P.J. Sarican-van Hees.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 juli 2022 en de daarin genoemde processtukken;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de aanvullende productie 24 van Argon;
- de mondelinge behandeling van 6 oktober 2022 en de op die zitting voorgedragen pleitnota van Argon.

1.2.

Hierna is de zaak aangehouden voor schikkingsonderhandelingen, die tot niets hebben geleid. Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De zaak in het kort

2.1.

In deze zaak wordt nakoming gevorderd van een studiekostenbeding op grond waarvan een werknemer bij voortijdige beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst de kosten van een door hem gevolgde opleiding aan zijn werkgever dient terug te betalen.

2.2.

De kantonrechter zal hierna tot het oordeel komen dat de werknemer inderdaad een aanzienlijk deel van de kosten van de opleiding aan de werkgever dient terug te betalen.

3 De feiten

3.1.

Argon is een gecertificeerde arbodienst.

3.2.

[X] is per 1 februari 2020 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Argon in dienst getreden in de functie van ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist). In de betreffende arbeidsovereenkomst was een studiekostenbeding opgenomen (hierna te noemen: het studiekostenbeding), dat – voor zover van belang – als volgt luidt:

Artikel 16 Opleiding tot Bedrijfsarts/studiekostenbeding

16.1

Werknemer verbindt zich ertoe de opleiding tot geregistreerd Bedrijfsarts te volgen, welke nodig is voor de uitoefening van zijn functie. Met betrekking tot het volgen van deze opleiding is het volgende overeengekomen:

(…)

b. De startdatum van de opleiding is in onderling overleg bepaald op 1 september 2020, (…).
c. Het volgen van de opleiding is noodzakelijk om de functie te kunnen uitoefenen;

d. De kosten van de opleiding bedragen € 47.000,00 exclusief btw, inclusief de kosten voor boeken, studiemateriaal en examengelden. Het hiervoor genoemd bedrag aan studiekosten wordt verhoogd in geval Werknemer gebruikmaakt van de faciliteiten om binnen werktijd uren te besteden aan de opleiding (artikel 16.2). Daarnaast worden de opleidingskosten vermeerderd met de kosten van supervisie en intervisie die Werkgever daadwerkelijk maakt. De exacte (totale) opleidingskosten zijn bij het aangaan van deze arbeidsovereenkomst daardoor nog niet bekend. Werkgever zal Werknemer op diens verzoek steeds een overzicht van de totale opleidingskosten op dat moment verstrekken.

(…)

16.2

De opleiding vindt deels plaats binnen werktijd. Werknemer krijgt de mogelijkheid van Werkgever om maximaal acht (8) uur per week onder werktijd te besteden aan zijn opleiding tot Bedrijfsarts. Indien Werknemer besluit om gebruik te maken van deze optie, dan worden de uren die Werknemer aan de opleiding besteedt aangemerkt als kosten die Werkgever maakt voor de opleiding. Dit heeft tot gevolg dat de totale opleidingskosten hiermee worden verhoogd (totaal aantal uren vermenigvuldigd met het bruto uurloon van Werknemer) en dat Werkgever deze kosten meeneemt in de verrekening van opleidingskosten bij beëindiging van het dienstverband.

Daarnaast maken de kosten van supervisie en intervisie die Werkgever daadwerkelijk maakt onderdeel uit van de (totale) studiekosten. Ook deze kosten worden meegenomen in de verrekening van opleidingskosten bij beëindiging van het dienstverband.

16.3

Werknemer en Werkgever komen overeen dat Werkgever de kosten van de externe opleidingen inclusief btw rechtstreeks betaalt aan de opleidingsinstelling. Werknemer ontvangt (een) kopie(ën) van de desbetreffende factu(u)r(en).

(…)

Beëindiging dienstverband

(…)

16.9

Onder beëindiging van het dienstverband wordt in dit verband verstaan:

 Opzegging van de arbeidsovereenkomst door Werknemer;

(…)

16.10

Werknemer verbindt zich om de door Werkgever gemaakte totale opleidingskosten terug te betalen, indien:

 Het dienstverband wordt beëindigd voordat de opleiding met goed gevolg is afgerond; of:

(…)

16.11

De terugbetaling van de totale opleidingskosten verloopt volgens de volgende modaliteiten:

100% bij beëindiging van het dienstverband vóór het afronden of binnen één (1) jaar na het afronden van de opleiding;

75% bij beëindiging van het dienstverband binnen twee (2) jaar na het afronden van de opleiding;

50% bij beëindiging van het dienstverband binnen drie (3) jaar na het afronden van de opleiding;

25% bij beëindiging van het dienstverband binnen vier (4) jaar na het afronden van de opleiding.

(…)

16.12

De terugbetalingsverplichting als bedoeld in artikel 19.10 vangt direct na beëindiging van het dienstverband aan en zal voor zover mogelijk geschieden door middel van verrekening met het nog niet betaalde loon, vakantiebijslag en/of andere (bijzondere) beloningen. (…)

3.3.

Per 1 september 2020 zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan, op grond waarvan [X] als AIOS (arts in opleiding tot specialist) bij Argon aan het werk is gegaan voor 32 uur per week en is gestart met de in het studiekostenbeding – dat ook in deze arbeidsovereenkomst was opgenomen – genoemde opleiding tot geregistreerd bedrijfsarts (hierna te noemen: de opleiding). In de betreffende arbeidsovereenkomst staat een maandsalaris van € 5.275,00 bruto vermeld, bij een volledige betrekking.

3.4.

[X] heeft ervoor gekozen 8 uur per week in werktijd aan de opleiding te besteden.

3.5.

Omdat [X] na een jaar opleiding nog nergens voor bekwaam was verklaard, is zijn eerste opleidingsjaar verlengd.

3.6.

Per e-mail van 12 december 2021 heeft [X] Argon om een overzicht van de tot dan toe gemaakte studiekosten gevraagd. Argon heeft hem naar aanleiding hiervan bericht dat het nogal wat werk is om dat overzicht te maken en dat zal worden bekeken hoe tussentijds inzicht in de kosten kan worden gegeven.

3.7.

[X] heeft zijn arbeidsovereenkomst met Argon vóór afronding van de opleiding, namelijk bij brief van 30 december 2021 per 1 februari 2022 opgezegd, waarna hij in dienst is getreden bij een andere arbodienst. In zijn opzeggingsbrief heeft [X] Argon nogmaals om een overzicht van de te betalen opleidingskosten verzocht.

3.8.

In een gesprek op 7 januari 2022 heeft [X] Argon om een week bedenktijd gevraagd om na te gaan of hij de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst wilde handhaven en heeft Argon kenbaar gemaakt dat de terug te betalen opleidingskosten fors/niet gering zijn. [X] is vervolgens niet op zijn opzegging teruggekomen.

3.9.

Argon heeft [X] op 17 januari 2022 een factuur gestuurd voor de terugbetaling van de gemaakte studiekosten ter hoogte van € 76.969,44. [X] is niet tot betaling van die factuur overgegaan.

3.10.

Argon heeft [X] hierna meerdere keren tot terugbetaling van de studiekosten aangeschreven. Daarbij heeft zij hem als alternatief onder meer het voorstel gedaan om weer bij haar in dienst te treden.

3.11.

In februari 2022 heeft Argon van het opleidingsinstituut waar [X] de opleiding volgde een creditnota van € 1.020,83 ontvangen vanwege te veel betaalde opleidingskosten.

3.12.

Argon heeft bij de afwikkeling van het dienstverband van [X] een bedrag van € 2.982,29 netto aan studiekosten verrekend met hetgeen zij nog aan [X] verschuldigd was, waarna zij een bedrag van € 1.461,00 netto aan hem heeft uitbetaald.

3.13.

In maart 2022 heeft Argon ten laste van [X] conservatoir beslag laten leggen.

4 Het geschil

in conventie

4.1.

Argon vordert – samengevat – [X] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 72.966,32 aan opleidingskosten en een bedrag van € 4.543,00 te vermeerderen met btw aan buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en [X] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de beslagkosten en de nakosten daaronder begrepen, een ander eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[X] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Argon, met veroordeling van Argon in de kosten van deze procedure.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie

4.4.

[X] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

I. Argon te veroordelen tot betaling van:

a. het bruto equivalent van een bedrag van € 2.982,29 netto;

b. de wettelijke verhoging van 50% over het onder a genoemde bedrag;

c. de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen;

II. Argon te gebieden om op straffe van verbeurte van een dwangsom een deugdelijke en correcte bruto/netto-specificatie van alle nog door haar aan [X] verschuldigde betalingen aan [X] te verstrekken;

III. Argon te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 512,11 aan buitengerechtelijke incassokosten;

IV. Argon te veroordelen in de kosten van deze procedure en in de nakosten, de laatste te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.5.

Argon voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [X] , met veroordeling van [X] in de kosten van deze procedure.

4.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1.

In deze zaak ligt in conventie de vraag voor of [X] op grond van het studiekostenbeding gehouden is de kosten van de opleiding aan Argon terug te betalen.

5.2.

Argon heeft ter zake van die kosten per factuur van 17 januari 2022 een bedrag van € 76.969,44 aan [X] in rekening gebracht. Dit betreft ten eerste een bedrag van

€ 18.375,00 aan kosten die Argon aan het opleidingsinstituut heeft moeten betalen. Gelet op de in r.o. 3.11 genoemde creditnota van € 1.020,83, bedragen deze kosten inmiddels

€ 17.354,17. De factuur van 17 januari 2022 ziet verder op een bedrag van

€ 18.226,84 aan kosten voor de opleidingsuren die [X] onder werktijd aan de opleiding heeft besteed en op een bedrag van € 40.367,60 aan kosten voor supervisie. Omdat Argon van het totaalbedrag van deze kosten van € 75.948,61 aan het einde van het dienstverband van [X] een bedrag van € 2.982,29 heeft verrekend, vordert zij terugbetaling van een bedrag van € 72.966,32.

5.3.

Het meest verstrekkende verweer van [X] is dat het studiekostenbeding op grond van artikel 7:611a BW nietig is. In lid 1 van dat artikel is bepaald dat de werkgever de werknemer in staat stelt scholing te volgen die noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en op grond van lid 2 dient die scholing kosteloos te worden aangeboden, indien kort gezegd de werkgever deze op grond van de wet of een cao verplicht is te verstrekken. Lid 4 van artikel 7:611a BW bepaalt dat een beding waarbij de kosten van scholing als bedoeld in lid 2 worden verhaald op de werknemer, nietig is. Volgens [X] betreft de opleiding verplichte scholing als bedoeld in lid 2, zodat sprake is van een nietig studiekostenbeding en Argon dus geen aanspraak kan maken op terugbetaling van de studiekosten.

5.4.

De kantonrechter gaat niet in dit betoog mee. Lid 2 en 4 van artikel 7:611a BW zijn het gevolg van de implementatie van de EU-richtlijn 2019/1152 betreffende transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden. Uit de memorie van toelichting bij de implementatiewetgeving in kwestie (Kamerstukken II 2021/22, 35962, nr. 3 p. 10-11) volgt dat onder scholing in artikel 7:611a lid 2 BW niet wordt verstaan beroepsopleidingen of opleidingen die werknemers verplicht moeten volgen voor het verkrijgen, behouden of vernieuwen van een beroepskwalificatie als bedoeld in de beroepskwalificatierichtlijn (richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties). Dit betreffen de zogenoemde gereglementeerde beroepen, die zijn vastgelegd in de bijlage bij de Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen. In die bijlage staat als gereglementeerd beroep “geneeskundig specialisten, vermeld in bijlage 5.1.3 van richtlijn 2005/36/EG” vermeld en in bijlage 5.1.3 van richtlijn 2005/36/EG staat in de kolom “arbeidsgeneeskunde” de opleiding “Arbeid en gezondheid, bedrijfsgeneeskunde” vermeld. De opleiding valt dus niet onder verplichte scholing als bedoeld in artikel 7:611a lid 2 BW, zodat het beroep van [X] op lid 4 van die bepaling niet opgaat.

5.5.

Voor andere scholing dan de in artikel 7:611a lid 2 BW bedoelde verplichte scholing, is een werkgever in beginsel bevoegd met een werknemer afspraken te maken over een eventuele terugbetaling van de kosten daarvan. Deze bevoegdheid is echter niet onbeperkt maar wordt begrensd door wettelijke bepalingen, de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW en de norm van artikel 6:248 BW. Richtinggevend in dit kader is ook het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 1983, NJ 1983 / 796 (Muller/Van Opzeeland). Uit dit arrest volgt dat het systeem van de wet zich niet zonder meer verzet tegen een terugbetalingsregeling ten aanzien van loon en studiekosten (in enge zin), indien het gaat om een regeling die:
a. de tijdspanne vaststelt gedurende welke de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de werknemer tijdens diens studiewerkzaamheden verworven kennis en vaardigheden;
b. bepaalt dat de werknemer, indien de dienstbetrekking eindigt, het loon over die periode aan de werkgever zou moeten terugbetalen, en
c. deze terugbetalingsverplichting vermindert naar evenredigheid van het voortduren van de dienstbetrekking gedurende de onder a. bedoelde tijdspanne.
De Hoge Raad noemt in het betreffende arrest naast deze voorwaarden een aantal omstandigheden die aan een beroep op een studiekostenbeding in de weg kunnen staan, waaronder de situatie dat de werkgever de (ernstige) consequenties van de terugbetalingsverplichting niet duidelijk aan de werknemer uiteen heeft gezet.

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat het studiekostenbeding voldoet aan de drie voorwaarden uit het voornoemde arrest. [X] stelt zich echter op het standpunt dat het studiekostenbeding niet voldoende duidelijk was en dat de (forse) consequenties van de terugbetalingsregeling hem dus ook niet duidelijk zijn geweest. Volgens [X] had hij bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomsten namelijk geen inzicht in de kosten die met de opleiding waren gemoeid, nu de hoogte van de kosten voor supervisie daarin niet vermeld staat en heeft Argon hem niet eerder dan na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst erop gewezen hoe hoog die kosten zijn. [X] meent dan ook dat Argon hem niet aan het studiekostenbeding kan houden, althans niet voor zover dit op de kosten voor supervisie ziet. [X] betoogt daarnaast dat het terugvorderen van de studiekosten in strijd is met goed werkgeverschap. Hij voert daartoe aan dat de opleiding noodzakelijk was voor de uitoefening van zijn functie en dus niet een opleiding betrof die op zijn verzoek is gevolgd, dat sprake is van een wanverhouding tussen de studiekosten enerzijds en de duur van de arbeidsovereenkomst en zijn salaris anderzijds en dat hij door toepassing van het beding in een financiële noodsituatie terechtkomt. Ten aanzien van de supervisiekosten stelt [X] zich in dit kader bovendien op het standpunt dat deze kosten tot de normale investeringen van een goede werkgever behoren en wijst hij erop dat er ook sprake was van supervisie toen hij nog in dienst was als ANIOS en daarvoor toen geen kosten zijn gerekend. Volgens [X] is de terugvordering van de studiekosten bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, omdat Argon direct profijt heeft gehad van de door hem gevolgde opleiding en winst heeft gemaakt door het inzetten van een arts in opleiding, de onder werktijd gemaakte studie-uren noodzakelijk waren voor een goede uitoefening van de functie en de berekende studiekosten zeer hoog zijn, zeker in vergelijking tot de kosten die andere arbodiensten rekenen.

5.7.

De kantonrechter stelt voorop dat het enkele feit dat in het studiekostenbeding vermeld staat dat het volgen van de opleiding noodzakelijk is om de functie te kunnen uitoefenen niet maakt dat het terugvorderen van de studiekosten in strijd is met goed werkgeverschap. Aangenomen moet immers worden dat [X] de wens had om opgeleid te worden tot bedrijfsarts en om die reden bij Argon in dienst is getreden. [X] kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat geen sprake is van een op zijn verzoek gevolgde opleiding.

5.8.

In lid 1 van het studiekostenbeding staat vermeld dat de kosten van de opleiding

€ 47.000,00 exclusief btw bedragen en dat dit bedrag nog wordt verhoogd met de gemaakte kosten voor supervisie en intervisie en – indien de werknemer ervoor kiest een deel van zijn werktijd aan de opleiding te besteden – met de kosten voor de uren die een werknemer binnen werktijd aan de opleiding heeft besteed. Argon vordert met het in r.o. 5.2 genoemde bedrag van € 17.354,17 een deel van het bedrag van € 47.000,00 terug, namelijk de kosten die zien op het deel van de opleiding dat [X] tijdens zijn dienstverband bij Argon heeft gevolgd. Gelet op de tekst van het studiekostenbeding, moet het voor [X] naar het oordeel van de kantonrechter duidelijk zijn geweest dat hij deze kosten bij een beëindiging van zijn dienstverband vóór het afronden van de opleiding aan Argon diende terug te betalen. Dit geldt ook voor de kosten van de uren die [X] binnen werktijd aan de opleiding heeft besteed ad € 18.226,84. Deze kosten worden in lid 1 van het studiekostenbeding immers expliciet genoemd, terwijl in lid 2 duidelijk vermeld staat dat deze kosten worden berekend door het totaal aantal onder werktijd bestede uren te vermenigvuldigen met het bruto uurloon van de werknemer. Aangezien [X] bekend was met zijn uurloon, moet aangenomen worden dat hij vooraf een inschatting kon maken van de hoogte van deze kosten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [X] de bedragen van € 17.354,17 en € 18.226,84 (in beginsel) aan Argon dient terug te betalen.

5.9.

Wat betreft de kosten van supervisie staat in het studiekostenbeding op zichzelf duidelijk vermeld dat deze kosten nog bovenop het bedrag van € 47.000,00 aan opleidingskosten komen. Het studiekostenbeding biedt echter geen enkel concreet aanknopingspunt om vooraf een inschatting te kunnen maken van de hoogte van die supervisiekosten. Argon stelt zich op het standpunt dat een exacte indicatie van die kosten op voorhand niet te geven is omdat de hoogte van de betreffende kosten afhankelijk is van de mate waarin de werknemer begeleiding nodig blijkt te hebben, maar de kantonrechter is van oordeel dat Argon in het studiekostenbeding meer duidelijkheid had kunnen en moeten geven over de hoogte van die kosten. Gebleken is namelijk dat Argon ermee bekend was dat het gemiddelde aan supervisie te besteden uren twee uur per week bedraagt en van Argon had dan ook verwacht mogen worden dat zij dit gemiddelde als indicatie in het studiekostenbeding had vermeld. Dit geldt ook voor het (gemiddelde) tarief dat voor die uren gerekend zou worden, aangezien die tarieven Argon ook bekend waren. Nu Argon dit heeft nagelaten en niet voldoende heeft weten te onderbouwen dat deze indicaties bij het ondertekenen van de arbeidsovereenkomsten mondeling aan [X] uiteen zijn gezet, is het studiekostenbeding op het punt van de kosten van supervisie niet voldoende duidelijk en voldoet dat beding wat dit betreft niet aan de in de jurisprudentie daaraan gestelde eis dat de werkgever voldoende inzichtelijk moet maken wat de consequenties voor de werknemer zijn indien het tot de situatie komt dat hij studiekosten moet terugbetalen. Mede gelet ook op het feit dat Argon [X] pas na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst voor het eerst inzicht heeft verschaft in de precieze hoogte van de studiekosten, hoefde [X] er dan ook niet op bedacht te zijn dat hij ruim € 40.000,00 aan supervisiekosten aan Argon terug zou moeten betalen. Omdat hij gelet op de tekst van het studiekostenbeding anderzijds wel wist dat er kosten voor supervisie bovenop de ‘kale’ opleidingskosten gerekend zouden worden, is de kantonrechter van oordeel dat hij een deel van het door Argon gevorderde bedrag van € 40.367,60 aan kosten voor supervisie (in beginsel) dient terug te betalen. Van kosten die tot de normale investeringen van een goed werkgever behoren is geen sprake, nu het hier niet om reguliere bij- of nascholing gaat maar een aan een extern opleidingsinstituut te volgen kostbare opleiding tot medisch specialist betreft, waarin het werken onder supervisie logischerwijs een zeer belangrijke factor is. Aangezien [X] ter zitting heeft verklaard dat hij rekening hield met supervisiekosten ter hoogte van € 10.000,00, acht de kantonrechter dit deel van de kosten voor supervisie toewijsbaar. Weliswaar is dit bedrag gelet op het gemiddelde uurtarief van de supervisors, het gemiddelde aantal benodigde supervisie-uren per week en de feitelijk door [X] genoten supervisie-uren aan de lage kant, maar toewijzing van een hoger bedrag doet geen recht aan het feit dat in het studiekostenbeding iedere indicatie omtrent de hoogte van de supervisiekosten ontbreekt. Het terug te betalen bedrag komt hiermee in totaal uit op een bedrag van € 45.581,01
(€ 17.354,17 + € 18.226,84 + € 10.000,00).

5.10.

De kantonrechter ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om aan te nemen dat een dergelijke terugbetalingsverplichting in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [X] wordt immers opgeleid tot medisch specialist met, naar mag worden aangenomen, goede baan- en salarisperspectieven, en zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat [X] een terugbetalingsverplichting van ruim € 45.000,00 niet zou kunnen dragen of financieren. Dit geldt te meer nu ter zitting is gebleken dat Argon nog altijd bereid is een betalingsregeling met [X] te treffen en dat de nieuwe werkgever van [X] mogelijk alsnog een deel van de terug te betalen kosten voor haar rekening zal nemen. In het kader van het beroep dat [X] doet op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid acht de kantonrechter van belang dat [X] op eigen initiatief bij Argon is vertrokken en Argon hem na de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst nog de mogelijkheid heeft geboden zijn dienstverband en opleiding bij haar te continueren. Gelet hierop zijn de door [X] aangevoerde argumenten onvoldoende om aan te nemen dat het terugvorderen van de studiekosten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of dat de studiekosten onredelijk hoog zijn. Overigens heeft [X] ook niet onderbouwd dat andere arbodiensten veel lagere studiekosten rekenen. De conclusie is dus dat van de in conventie gevorderde hoofdsom van € 72.966,32 een bedrag van € 45.581,01 zal worden toegewezen.

5.11.

De door Argon gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat niet gesteld of gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

5.12.

Nu beide partijen deels in het ongelijk worden gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van de procedure in conventie te compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Dit leidt ertoe dat ook de beslagkosten voor rekening van Argon blijven.

in reconventie

5.13.

[X] vordert in reconventie betaling van het bruto equivalent van het nettobedrag van € 2.982,29 dat Argon heeft verrekend bij de afwikkeling van zijn dienstverband. Hij legt aan die vordering enerzijds ten grondslag dat hij niet verplicht is om studiekosten aan Argon terug te betalen en anderzijds dat Argon bij de verrekening niet de juiste beslagvrije voet in acht heeft genomen, nu deze € 1.691,66 en niet € 1.461,00 netto bedraagt. Volgens [X] was Argon gelet op het bepaalde in artikel 6:135 sub a BW daarom niet bevoegd tot verrekening.

5.14.

Uit hetgeen hiervoor in reconventie is overwogen, volgt dat het betoog van [X] dat hij geen studiekosten aan Argon dient terug te betalen niet houdbaar is.

5.15.

Het beroep dat [X] doet op artikel 6:135 sub a BW slaagt evenmin. [X] heeft namelijk niet onderbouwd dat de beslagvrije voet € 1.691,66 netto bedraagt, terwijl Argon gemotiveerd heeft betwist dat zij is uitgegaan van een te lage beslagvrije voet. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat Argon ingevolge het bepaalde in artikel 7:632 BW inderdaad gerechtigd was een bedrag van € 2.982,29 te verrekenen met hetgeen zij nog aan [X] verschuldigd was. Dit betekent dat de vordering tot terugbetaling van dit bedrag niet toewijsbaar is en dat de overige vorderingen in reconventie eveneens zullen worden afgewezen.

5.16.

[X] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Deze kosten worden tot aan dit vonnis aan de zijde van Argon vastgesteld op een bedrag van € 249,00 aan salaris gemachtigde (2 salarispunten x tarief € 249,00 x 0,5)

6 De Beslissing

De kantonrechter

in conventie

6.1.

veroordeelt [X] tot betaling van een bedrag van € 45.581,01 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 1 februari 2022 tot de dag van volledige betaling;

6.2.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen;

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.5.

wijst de vorderingen af;

6.6.

veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van Argon tot dit vonnis vastgesteld op € 249,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2023.

Lees ook:

Tuchtrecht
  • Simone Paauw

    Simone Paauw (1978) deed de deeltijdopleiding journalistiek in Tilburg en werkt sinds 2008 als journalist bij Medisch Contact. Ze interviewt het liefst de ‘gewone arts’ met een bijzonder verhaal, bijvoorbeeld voor de rubriek Het Portret.  

Op dit artikel reageren inloggen
Reacties
  • W.A. de With

    AIOS bedrijfsgeneeskunde, Den Bosch

    Ik heb de gerechtelijke uitspraak niet helemaal gelezen, maar vanuit het artikel mis ik nog wel wat meer context. Ik ben heel nieuwsgierig naar de overwegingen vanuit deze werkgever. Ik ben niet zo bang dat deze casus slecht afstraalt op het vak, maa...r ik denk dat ik en een aantal collega's in het vak (en het is een krimpend wereldje) de naam van deze werkgever mentaal noteert. Oftewel: dekt €45.000,- de reputatieschade van deze werkgever in het aantrekken van nieuw talent? Ik weet het antwoord niet, maar ben wel benieuwd hoe deze rekensom uitpakt. Vandaar dat ik denk dat er dus veel meer context en nuance speelt wat we niet weten.

  • P.J. Mitra

    arts en jurist, onafhankelijk medisch adviseur ArtsTotaal, Schaijk

    Het is voor iedere geïnteresseerde goed te beseffen dat dit soort bepalingen geen unicum is.

    Ik weet zelfs van een organisatie, die niet alleen een dergelijk beding heeft in de arbeidsovereenkomst ten aanzien van de opleidingskosten (wat op zichzel...f, indien voldoende specifiek en voorspelbaar in wat het gaat betekenen, niet het probleem is), maar ook bij het *AFGEROND HEBBEN* van de opleiding *OPNIEUW* *DEZELFDE* *TOTALE OPLEIDINGSKOSTEN* als een Zwaard van Damocles boven het hoofd hangt als de afgestudeerde bedrijfsarts binnen 5 jaar alsnog zou vertrekken.

    Kortom, als je denkt de opleiding bedrijfsgeneeskunde te willen gaan doorlopen, investeer die lullige 135 euro en laat je contract screenen door zowel LAD als je rechtsbijstandsverzekeraar. Dan vis je dit soort juridische onzin er uit en bespaar je jezelf een hoop ellende, mocht het onverhoopt, om welke reden dan ook, tegenvallen (opleiding, vakinhoudelijk, werk, collega's, organisatie, etc). Niet vooraf goed lezen = consequenties accepteren (geldt voor elk contract).

    [Reactie gewijzigd door Mitra, Peter John op 27-03-2023 15:29]

  • A.F. Algra

    Commentator zorg en sociale zekerheid, oud bedrijfsarts, Rotterdam

    Is de aio hier de echte pineut ? En straalt deze n=1 casus af op de hele beroepsgroep, zoals door bedrijfsarts/jurist Erwin Gorissen wordt gesuggereerd ? Ik weet het zo net nog niet. Misschien ligt het ongemak van deze casus dieper onder de mat ve...rborgen.

    Zomaar wat overdenkingen - ter leringh ende vermaeck - voor wat het waard is
    1. Om bij de bodem van de pizza te beginnen en om de puntjes op de i te zetten. Arbodienstverlening en bedrijfsgezondheidszorg is geen zorg, maar zakelijke dienstverlening ( dit itt tot wat vaak beweerd/gesuggereerd en/of gedacht wordt). Het is een zakelijke markt in het werkdomein sociale zekerheid. Privaat georganiseerd, op basis van een geliberaliseerde regelgeving met certificeringsregels en zelfregulatie. Dat is het raamwerk waarin de bedrijfsarts opereert.
    2. De baio in deze casus is in dienst getreden bij arbodienst Argon, een arbo/verzekeringsvehikel van de Super Garant groep , tegenwoordig onderdeel van ASR, of zoals zij het zelf stellen : 'specialist in het in het implementeren, ondersteunen en uitrollen van het eigen regie-model in de arbeidsgerelateerde zorg'
    3. For the record: arbodiensten maken goed geld en zijn niet armlastig. Dat zelfde geldt voor de bedrijfsartsen. Zij verdienen goed geld en als zpp-er kunnen er hoge tarieven gevraagd worden.

    4. Sinds decennia is het de 'gewoonte' /'gebruik ' in de private arbodienstverlening dat de werkgever van de bedrijfsarts - vroeger was vrijwel iedere bedrijfsarts in loondienst - de opleiding betaald. Op basis van allerlei geschreven, maar ook ongeschreven spelregels.
    5. Bij tijd en wijle - en dat is ook al decennia lang het geval - geeft dit gedonder in de juridische glazen. Bij voorbeeld als opleiding niet wordt afgerond en/of - maar veel vaker - doordat de baio tussentijds vertrekt. Om naar een directe 'concurrent' over te stappen (cq wordt weggekocht) of om voor zichzelf te beginnen als zzp-er - wat ook steeds vaker gebeurt
    6. De ontvangende partij neemt dan meestal de opleidingskosten over -dit allemaal als onderdeel van het geven en nemen spel rond de arbeidsvoorwaarden
    7 Laat onverlet dat de oude werkgever zich over het -soms zeer plotselinge - vertrek nogal in de kuif gepikt kan voelen. En het soms niet kan nalaten de regels uiterst strikt toe te passen. Wat te lezen valt als een vorm van 'natrappen' uit boosheid en/of sacherijn

    8. Wellicht is dat ook hier het geval
    9. Wat wij niet weten uit de casus, maar wel tussen de regels door kunnen lezen - is dat de onderlinge verhoudingen wellicht niet (meer) optimaal zijn geweest. Het lijkt erop dat de baio niet kreeg wat hij/zij verwachtte. Want de baio vertrekt al binnen twee jaar en neemt de kuierlatten naar andere arbodienst.
    10. De baio rekende wellicht buiten de 'lekker puhhh - jij flikt ons dit, dan doen wij dat 'trekjes van de oude werkgever en moet nu - volgens de regels/afspraken terugbetalen. Daar valt weinig op af te dingen. Het verweer was niet sterk.
    11 Dat was/bleek een forse misrekening van de baio, maar wellicht is/wordt die rekening naar de 'nieuwe' werkgever verschoven/overgenomen

    12 Of deze n=1 casus een negatief uitstralend effect op de hele beroepsgroep zal hebben weet ik niet.
    13. De les die eruit te leren valt is dat baio's zich goed in de spelregels moeten verdiepen op basis van de baseline: een arbeidsovereenkomst is een zakelijke overeenkomst tussen twee partijen.

    Bezint eer gij begint dus ?

  • o.m bedrijfsarts, niet meer practiserend, Boekelo

    een incomplete presentatie van een financiële casus inzake beëindiging van opleiding en dienstverband, helaas gepubliceerd door MC. alleen maar formele juridische buitenkant. het zou de scribent en MC sieren meer feiten, oorzaken, aanleidingen en t...ijdsverloop te releveren.
    deze onzorgvuldige weergave dan een ongetwijfeld complexe situatie schaadt alle betrokkenen.
    kom op MC: maak eens een feitenrelaas, desnoods virtueel met raadpleging van NVAB als deskundige partij .

  • J.M.C. van Dam

    psychiater, Amsterdam

    @MedischContact: Is het een idee om de categorie te veranderen in Recht?
    Het staat nu bij Tuchtrecht, dat is het overduidelijk niet.

  • K. Balwant-Gir

    Huisarts, Rotterdam

    Ik vind dat de rechter nog mild is geweest.
    1. Je tekent een overeenkomst
    2. Je 1e opleidingsjaar wordt verlengd (rede niet vermeld)
    3. Je vraagt al voordat je ontslag neemt wat je moet terug betalen.
    4. Je weet nog niet wat je moet terugbetale...n, maar neemt alsnog ontslag.
    5. Je gaat nog steeds hetzelfde werk doen, maar dan elders.
    6. Je beroept je op een wet die niet van toepassing is om er onderuit te komen dat je iets moet terugbetalen waar je zelf voor hebt getekend. Je hebt het over goed werkgeverschap maar bent zelf een slechte werknemer!

    Empathie mijnerzijds zou alleen te oogsten zijn als de AIOS met werkgever besproken had dat het werk niet bij hem past en dat hij niet in staat is om de opleiding af te ronden en dus compleet iets anders was gaan doen, ipv exact hetzelfde werk, maar dan op een andere werkplek. Als ik die andere werkgever zou zijn, dan zou ik hem zsm loodsen.

    Voor de duidelijkheid hebben we het hier over iemand die universitair gestudeerd heeft en dus een redelijk stel hersenen zou moeten hebben om te weten dat als je een overeenkomst aangaat waarbij een commercieel bedrijf je opleiding gaat bekostigen, dat het dan niet vreemd is dat daar wat tegenover staat.

    Het is hier dus geen opleiding zoals die van andere aiossen, maar het lijkt erop dat het hier net een beetje anders geregeld is.
    Wie zijn billen brand moet op de blaren gaan zitten.

  • vaccinatiearts, Rotterdam

    Dit lijkt me niet helpend in het aantrekken van nieuwe bedrijfsartsen. Ik heb van collega's die stopten met hun ziekenhuisspecialisatie nooit gehoord dat zij de kosten daarvoor terug moesten betalen. Is het eigenlijk wel logisch om de opleiding tot b...edrijfsarts te financieren vanuit de werkgever? Centrale financiering geeft ruimte om bij meerdere werkgevers ervaring op te doen. Het biedt ook meer flexibiliteit aan de AIOS en prikkelt de bedrijfsgeneeskundige diensten wellicht tot het creëren van een zo prettig mogelijk opleidingsklimaat.

  • A.J. Colon

    epileptoloog/klinisch neurofysioloog, Fort-de-France

    Geachte collega Van der Veen,

    Uw redenatie kan ik vrijwel volledig ondersteunen. Ook de aanwezige ANIO's zullen geacht worden de onderwijsmomenten te volgen en krijgen begeleiding omdat anders de kwaliteit van de instelling onvoldoende gewaarborgd... is. Daarmee hoort over een zeer substantieel lager bedrag gesproken te worden, al kan ik mij voorstellen dat kosten die niet direct van invloed zijn op de beroepsuitoefening in afnemende mate over de jaren heen terugbetaald moeten worden.
    Dat gezegd hebbende vind ik het tegelijkertijd onzin om mee te wegen dat het terugbetalingsbedrag voor een individu aanzienlijk zwaarder weegt dan voor een organisatie. Ook organisaties hebben hun financiële balans in evenwicht te houden en zeker tegenwoordig wordt ieder dubbeltje 10 keer omgedraaid. Dus ook deze stuiver (vanuit instellingsperspectief). Dat is nou eenmaal de overeenkomst die AIOS en instelling met elkaar afgesproken hebben. En als afspraken niet meer gelden dan geldt mutatis mutandis ook dat de instellingen zich niet aan een gemaakt contract hoeven te houden. Niet een samenleving waar ik naar uit kijk.

  • H.G. van der Veen

    Medisch specialist, Leeuwarden

    Dit voelt voor mij niet goed. Het opleiden van een AIOS zou als een inherent bedrijfsrisico moeten worden beschouwd. Een zorgvuldige selectieprocedure kan dit risico weliswaar verminderen, maar het blijft altijd mogelijk dat een AIOS om uiteenlopende... redenen voortijdig zijn of haar opleiding beëindigt. Het verhalen van de kosten op de AIOS lijkt mij niet gepast en roept vragen op over de werkgever en wellicht de beroepsgroep in kwestie.
    Het opnemen van een clausule in de overeenkomst, waarin de AIOS verplicht wordt de volledige opleidingskosten terug te betalen, is evenmin fraai. Het financieel onder druk zetten van een AIOS om een opleiding tegen zijn of haar wil te voltooien, is ethisch discutabel. Bovendien is het belangrijk te beseffen dat het terugbetalingsbedrag voor een individu aanzienlijk zwaarder weegt dan voor een organisatie. Misschien dat details over de reden alles anders maakt, maar ik zou drie keer nadenken over een opleiding met deze voorwaarden.

 

Cookies op Medisch Contact

Medisch Contact vraagt u om cookies te accepteren voor optimale werking van de site, kwaliteitsverbetering door geanonimiseerde analyse van het gebruik van de site en het tonen van relevante advertenties, video’s en andere multimediale inhoud. Meer informatie vindt u in onze privacy- en cookieverklaring.